Matteüs 28:16-20 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Matteüs 28:16-20, ook wel het zendingsbevel genoemd, gaat over hoe de opgestane Jezus de leerlingen een opdracht geeft. Jezus openbaart zich als degene aan wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is en zendt zijn leerlingen om alle volken tot zijn leerlingen te maken, door te dopen en Jezus’ onderwijs te leren. Deze opdracht staat niet op zichzelf, maar rust op twee beloften: zijn universele gezag en zijn blijvende nabijheid: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Het gedeelte sluit het evangelie af door duidelijk te maken dat het verhaal van Jezus overgaat in de voortgaande geschiedenis van de Jezus-volgers, gedragen door zijn aanwezigheid.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Uitzending van de leerlingen
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Matteüs begint de passage met dat de elf leerlingen naar Galilea gaan, op woord van de vrouwen. Ze gehoorzamen, ook al twijfelen sommigen. Vaak vinden we het moeilijk om concreet Gods stem te verstaan. Om te horen wat Hij zegt en dan ook te gehoorzamen. Hoe gaan we daarmee om in de kerk? Zijn er concrete ‘geboden’ die we kunnen houden? Of is er een specifieke roep van Jezus die ons drijft en waar we misschien (toch) iets mee moeten doen?
- Sommige leerlingen twijfelen als ze de opgestane Jezus zien, zegt Matteüs. Dat is nogal wat, zouden sommige mensen denken. Voor die twijfel zijn verschillende redenen te bedenken. Een daarvan is dat we ons schamen voor ons gedrag: kunnen we wel oog in oog komen met de opgestane Jezus? Een andere is: klopt het wel wat we zien? Kan de opstanding wel? Het mooie is dat Jezus niet ingaat op de twijfels. Hij zegt simpelweg dat Hem alle macht is gegeven en zendt de leerlingen eropuit, of ze nu twijfelen of niet. Mogen wij in onze twijfel ook niet gewoon gehoorzaam zijn en onderwijzen wat Jezus ons geboden heeft?
- Jezus zegt: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Voor veel mensen een enorme bemoediging, namelijk dat Hij erbij is, in elke situatie. Maar in Matteüs 28 staat het wel in de context van leerlingen maken. In de kerk van vandaag heerst er soms ambivalentie rondom evangelisatie: sommigen gaan de straten en winkelpleinen op, anderen proberen door hun gedrag te laten zien dat ze anders leven. Wat kunnen we allemaal leren van de oproep om leerlingen te maken?
Context van Matteüs 28:16-20
Het boek Matteüs als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs
Plek van deze passage in het geheel
Matteüs 28:16-20 is de climax en afsluiting van het hele evangelie en geeft achteraf richting aan alles wat eraan voorafging. Wat in Matteüs voortdurend is opgebouwd – Jezus als de messiaanse koning, leraar en Zoon van God – wordt hier geconcentreerd in zijn universele gezag (alle macht in hemel en op aarde). Tegelijk wordt het verhaal opengebroken: het evangelie eindigt met een opdracht die Jezus’ werk voortzet door de leerlingen heen – die daar al van hebben gehoord in Matteüs 10
Opbouw en kern van de passage
De passage begint met de setting en reactie van de leerlingen (vs. 16-17: aanbidding en twijfel), waarna Jezus centraal het woord neemt. Vervolgens ontvouwt zich een drieslag:
- de grond van de zending (Mij is alle macht gegeven, vs. 18),
- de opdracht (ga, maak leerlingen, doop en leer, vs. 19-20a), en
- de belofte (Ik ben met jullie, vs. 20b).
Retorisch wordt het midden gevormd door het werkwoord ‘maak leerlingen’, waaromheen autoriteit (boven) en aanwezigheid (onder) als dragende kaders functioneren. Zo eindigt Matteüs waar hij begon (1:23, Immanuel): met de verzekering dat Jezus blijvend aanwezig is, waardoor de tekst niet afsluit maar openlegt naar de toekomst.
De kern van Matteüs 28:16-20 is dat de opgestane Jezus, bekleed met universeel gezag, zijn leerlingen roept om alle volken tot zijn discipelen te maken, gedragen door zijn blijvende aanwezigheid tot het einde.
Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus en Lucas
Matteüs 28:16-20 vormt een unieke afsluiting van het Matteüs-evangelie en is in deze geconcentreerde vorm niet in de andere evangeliën aanwezig. Geen ander evangelie sluit af met een scène waarin de opgestane Jezus zijn universele gezag expliciet verbindt met de opdracht om alle volken tot leerlingen te maken door dopen en leren, afgesloten met de belofte van zijn blijvende aanwezigheid. Toch staat deze passage niet helemaal los van andere nieuwtestamentische werken. In het zogenoemde lange einde van Marcus (Marc. 16:9-20 en specifiek vanaf vs. 15) klinkt een duidelijke echo: ook daar geeft de opgestane Jezus een wereldwijde zending, gebaseerd op zijn verhoging, al ligt het accent meer op verkondiging en de bevestiging daarvan door tekenen dan op onderwijs en leerlingen maken. Een andere belangrijke verwante tekst is Handelingen 1:6-11, waar Jezus zijn leerlingen opdraagt om zijn getuigen te zijn tot aan de einden der aarde. Lucas beschrijft deze opdracht narratiever en verbindt haar expliciet met de komst van de heilige Geest.
Aantekeningen per vers
Bij vers 16
Uitzending van de leerlingen
- elf: De elf leerlingen zijn blijkbaar weer bij elkaar gekomen nadat ze uit elkaar waren gegaan (Mat. 26:31, 56).
- naar Galilea, naar de berg: Eerder heeft Jezus de twee Maria’s geïnstrueerd dat ze de leerlingen moesten vertellen dat ze naar Galilea moesten gaan; we hebben niet gelezen dat ze dat daadwerkelijk doen. Jezus had al eerder genoemd dat Hij de leerlingen zou voorgaan naar Galilea (26:32), maar een specifieke plaats, ‘de berg’, zoals hier, werd niet genoemd. De ontmoetingen met de opgestane Jezus zijn hiermee anders dan die in Lucas en Johannes, waar de verschijningen bij de leerlingen in Jeruzalem plaatsvinden. Matteüs plaatst deze verschijningen in Galilea, waarmee het verhaal rond is. Het begon allemaal in Galilea en vandaar naar het zuiden in Jeruzalem. Maar nu wordt de zaak omgedraaid: van Jeruzalem naar Galilea. Het is nu geen droevige aftocht, maar een verwachtingsvolle reis. Historisch gezien zou het ook logisch zijn voor de leerlingen om na het feest weer naar huis te gaan.
- de berg die Jezus hun had genoemd: Sommige uitleggers menen dat het Grieks ruimte laat om te vertalen met ‘geboden geven’ en koppelen dan deze uitspraak aan de Bergrede (Mat. 5
). Maar dat is alleen in combinatie met het woord nomos, ‘wet’, niet absoluut.
Bij vers 17
- En toen ze Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding voor Hem neer: Het verhaal gaat heel snel; we horen niets over de reis of de uiteindelijke locatie. Er wordt ook niets verteld over hoe ze Jezus zien, wat voor uiterlijk Hij had. Alleen hun reactie wordt vermeld. Het werkwoord proskuneō kan in andere contexten ‘buigen’ betekenen, maar hier duidelijk aanbidden, net als in 14:33 bij de belijdenis ‘U bent werkelijk Gods Zoon’.
- al twijfelden sommigen: Hoewel de leerlingen zich voor Jezus neerwerpen, twijfelen sommigen. Die twijfel of onzekerheid zien we in de andere opstandingsverhalen ook (Luc. 24:38, 41; Joh. 20:24-29). Het zou kunnen dat de leerlingen zich herinneren hoe zij zelf Jezus in de steek hebben gelaten en ze twijfelen over hun ontmoeting met Jezus: wat zal Hij doen? Hij is dezelfde en toch anders. Een soortgelijke reactie vinden we in het verhaal van de verheerlijking op de berg (Mat. 17:1-7). Een andere reden zou kunnen zijn dat de opgestane Jezus compleet conflicteert met hun theologie: hoe kan Jezus de Opgestane zijn, die door God is opgewekt, als Hij ook door God is vervloekt? Zo werd er namelijk over zijn kruisdood gedacht, onder invloed van Deuteronomium 21:23: ‘op een gehangene rust Gods vloek’.
Een stem uit de hemel
Bij vers 18
- Jezus kwam dichterbij: In het Matteüs-evangelie komen massa’s mensen naar Jezus, maar alleen hier en bij de verheerlijking op de berg (Mat. 17:7) komt Jezus naar anderen toe (proserchomai).
- en zei tegen hen: Het Grieks heeft ‘sprak met hen en zei’. Uitleggers wijzen hierbij op de wat uitgebreide formulering die wijst op een climax die de verwarring/vertwijfeling bij de leerlingen beantwoordt.
- Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde: Jezus echoot hier Daniel 7:14: ‘Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij, die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.’ Verderop in Matteüs 28 vinden we ook echo’s van dit vers uit Daniël (alle volken en naties, vs. 19; voltooiing van deze wereld/nooit ten einde komt, vs. 20). Waar Jezus het koningschap en de macht had kunnen krijgen door voor Satan te buigen maar het niet deed (Mat. 4:8-10), heeft Hij de weg van God afgelegd en heeft Hij alle macht alsnog ontvangen en meer nog: ‘Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader’ (Mat. 11:27). De davidische koninklijke lijn (1:1-17) die door de magiërs wordt gezocht en in de intocht in Jeruzalem zo duidelijk naar voren komt, en Jezus’ koningschap dat tijdens de kruisiging wordt bespot, blijkt de universele heerschappij van de Zoon des mensen te zijn, wat Matteüs elders sterk benadrukt (13:41; 16:28; 19:28; 20:21; 25:31-34).
Een stem uit de hemel
De afkomst van Jezus Christus
Bij vers 19
- Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen: Dit vers functioneert als een programmatisch kernvers voor Matteüs’ ecclesiologie en zendingstheologie. Uit het Grieks blijkt dat het hoofdaccent ligt op het maken van leerlingen, terwijl de overige werkwoordsvormen beschrijven hoe dit gebeurt: door te gaan, te dopen en te onderwijzen. Daarmee wordt duidelijk dat zending in Matteüs primair gericht is op leerlingschap. De reikwijdte ‘alle volken’ duidt op een universele reikwijdte die al eerder aan de leerlingen is verkondigd in de zogenaamde ‘Zendingsrede’ (Mat. 10
). - te dopen: De doop ‘in de naam’ (enkelvoud) ‘van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’ fungeert als initiatieritueel tot het leerling-zijn.
- in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest: De triadische formulering weerspiegelt een vroege, nog niet dogmatisch uitgewerkte maar wel duidelijk relationele godsvoorstelling, die in de liturgische praktijk van de oudste kerk is verankerd (zie ook Didachè 7). Dopen in een naam betekent immers dat er een persoon bij betrokken is, en die persoon wordt hier geduid met Vader, Zoon (relationele termen) en de Geest, die in Matteüs het werk tussen God en mensen bewerkt.
Bij vers 20
- en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb: Tot dusver was Jezus degene die leerde en onderwees, maar nu zijn het de leerlingen die gaan onderwijzen (zie ook Mat. 10
). Ze doen dit echter niet op hun eigen initiatief of autoriteit, maar in de macht die Jezus heeft ontvangen. - opgedragen heb: De leerlingen moeten onderwijzen wat Jezus hun geleerd had. Het Griekse werkwoord dat hier wordt gebruikt is entellomai, waarvan het zelfstandig naamwoord entolē gebruikt wordt om Gods wetten aan te duiden die Mozes had ontvangen (Mat. 5:19; 15:3; 19:17; 22:36). De leerlingen gaan dus op weg om de ‘geboden’ van Jezus, zoals die in de Bergrede (Mat. 5-7
) staan, te verkondigen. Deze ‘nieuwe’ geboden vormen geen contrast met de geboden van het Oude Testament, maar, zoals Matteüs Jezus portretteert, Jezus is de gezaghebbende uitlegger van de mozaïsche wetten. - En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld: Net zoals bij opdrachten in het Oude Testament waar een goddelijk mandaat geldt, is Jezus nabij (Ex. 3:12; 4:12; Joz. 1:5, 9; Recht. 6:16; Jer. 1:8). Het is niet alleen God die met hen is, of een engel, maar de opgestane Jezus zelf. Het Grieks benadrukt dat des te meer door een nadrukkelijk ‘Ik’ (ego) te schrijven. En die opgestane Jezus zal met de leerlingen blijven, om hun taak te volbrengen, tot aan de voltooiing van deze wereld – een typische uitdrukking die we bij Matteüs vinden (13:39, 40, 49; 24:3). Dat wil zeggen, tot het moment dat Jezus de eschatologische rol van Zoon van God gaat uitvoeren (denk aan Mat. 25
). Dat betekent dat deze belofte ook doorgaat tot aan vandaag de dag. Veel uitleggers wijzen er ook op dat Matteüs begint met toespelingen op Genesis en Abraham (Mat. 1 ) en hier eindigt het met de voltooiing van deze wereld. Zo omvat het boek de hele geschiedenis.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
