Ik word beschuldigd, maar ik heb geen schuld. Ik krijg vragen over dingen die ik niet heb gedaan.
Ik doe alleen maar goede dingen, maar ik krijg er ellende voor terug. Iedereen laat mij in de steek.
Toen mijn vijanden ziek waren, droeg ik sombere kleren. Ik liet zien dat ik verdriet had. Ik at niet, ik dronk niet, en ik bleef voor mijn vijanden bidden. Het was alsof ze mijn vrienden waren, alsof mijn broer ziek was, alsof mijn moeder gestorven was. Zo veel verdriet had ik om hen.
Maar nu het met mij slecht gaat, zijn mijn vijanden blij. Ze staan om me heen te lachen. Ze slaan me en ze schoppen me. Ze gaan maar door, ze willen me doden. Maar ik begrijp niet waarom.
Mijn vijanden beledigen mij. Ze kijken vol haat naar mij en ze willen u niet kennen, Heer.
U ziet het toch, Heer? Waarom doet u dan niets? Red mijn leven, red mij uit de handen van die moordenaars.
Dan zal ik u danken in de tempel, dan zal ik voor u zingen, samen met uw volk.
Laat mijn vijanden niet lachen om mijn ellende, laat ze niet met mij spotten. Ze haten mij zonder reden.
Zij maken alleen maar ruzie, en ze vertellen leugens over mensen die vrede willen.
Ze beledigen mij, ze lachen me uit.
U ziet het toch, Heer? Blijf dan niet zwijgen, blijf niet ver weg.
Kom mij te hulp en verdedig mij. Strijd voor mij, Heer, mijn God!
U bent toch goed voor mij? Verdedig mij dan, Heer, mijn God. Laat mijn vijanden me niet langer uitlachen.
Laat ze niet denken: Nu hebben we hem! Laat ze niet zeggen: ‘Nu kan hij niets meer.’
Nu zijn ze nog blij over mijn ellende, en ze denken dat ze beter zijn dan ik. Maar laat het slecht met hen aflopen! Dan worden ze vernederd, dan zullen ze zich diep schamen.
Als het weer goed met mij gaat, zullen mijn vrienden blij zijn en juichen. Ze zullen steeds weer zeggen: ‘De Heer is machtig, hij wil dat zijn dienaren gelukkig zijn.’
En ik zal over uw goedheid spreken. Elke dag weer zal ik voor u zingen!