Op die dag zong Debora samen met Barak, de zoon van Abinoam, een lied.
‘Volk van Israël, dank de Heer! Iedereen stond klaar voor de strijd, iedereen was gekomen om te vechten.
Luister, koningen! Luister, leiders! Ik zing een lied voor de Heer, ik maak muziek voor de Heer, de God van Israël.
Heer, toen u uit Seïr kwam, beefde de aarde. Toen u door de velden van Edom ging, stortte de regen neer uit de hemel.
De bergen beefden, Heer, God van Israël, ze beefden voor u, Heer, die op de berg Sinai woont.
In de tijd van Samgar, de zoon van Anat, en in de tijd van Jaël, durfde niemand meer over de gewone wegen te reizen. In die tijd liepen de mensen alleen over smalle paden.
In die tijd vielen vijanden de steden aan, omdat het volk andere goden vereerde. Israël had wel veertigduizend soldaten, maar ze hadden geen wapens om mee te vechten. En het volk had geen leiders meer. Maar toen ging ik de Israëlieten leiden, zoals een moeder haar kinderen leidt.
Dank aan alle leiders van Israël, dank aan allen die zelf wilden strijden. Zing voor de Heer!
Vertel over de Heer als je rijdt op een ezel, vertel over de Heer als je loopt op de weg.
Vertel over de Heer als je rust onderweg, en praat harder dan het volk dat kletst bij de bron. Zing over de goede daden van de Heer, zing over de daden van zijn leiders in Israël! Het volk van de Heer ging op weg. Ze vertrokken uit de steden, klaar om te vechten.