De Israëlieten begonnen weer dingen te doen die de Heer slecht vond. Daarom zorgde de Heer ervoor dat ze verslagen werden door Eglon, de koning van Moab.
Met de hulp van de Ammonieten en de Amalekieten viel Eglon de Israëlieten aan. Zo versloeg hij hen. Ook veroverde hij de stad Jericho, de stad van de palmbomen.
Achttien jaar lang moesten de Israëlieten Eglon dienen.
Toen riepen de Israëlieten de Heer om hulp, en de Heer stuurde iemand om hen te bevrijden. Dat was Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin. Ehud was linkshandig. Ehud had de taak om de belasting van de Israëlieten naar koning Eglon te brengen.
Maar voordat hij op weg ging, liet hij een kort, scherp zwaard maken. Dat verstopte hij onder zijn kleren, op zijn rechterheup.
Nadat Ehud de belasting naar koning Eglon gebracht had, ging hij met zijn knechten mee terug. Maar hij ging niet verder dan de godenbeelden bij Gilgal. De knechten reisden door naar huis, maar Ehud ging terug naar de koning. De koning zat in zijn kamer op de bovenste verdieping, waar het koel was. Ehud zei tegen hem: ‘Koning, ik heb een geheime boodschap voor u.’ Toen stuurde de koning alle mensen die bij hem waren, weg. Ehud ging vlak bij de koning staan en zei: ‘Ik heb een boodschap van God voor u.’ Koning Eglon stond op van zijn troon. Hij was heel dik.
Op dat moment pakte Ehud met zijn linkerhand het zwaard dat hij op zijn rechterheup verstopt had. Hij stak het in de buik van de koning.
Het zwaard ging helemaal zijn buik in. Het handvat was niet meer te zien, het werd bedekt door zijn vet. Ehud liet het zwaard in de buik zitten. Hij deed de deur van de kamer van binnen op slot. En hij ging via een andere uitgang de kamer uit, naar de galerij.
Ehud was net buiten, toen er dienaren bij de kamer kwamen. Toen ze zagen dat de deur op slot was, zeiden ze: ‘De koning zit zeker zijn behoefte te doen.’
De dienaren wachtten heel lang, maar de deur ging niet open. Ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Ten slotte haalden ze een sleutel, en deden de deur open. Daar zagen ze hun koning: hij lag dood op de grond.
Omdat de dienaren zo lang gewacht hadden, was het Ehud gelukt om te ontsnappen. Hij was langs de godenbeelden bij Gilgal gegaan, en kwam veilig aan in Seïra.
Toen Ehud in het bergland van Efraïm aangekomen was, blies hij op de trompet. Zo riep hij de Israëlieten bij elkaar. Hij zei tegen hen: ‘Volg mij! Jullie zullen de Moabieten, jullie vijanden, verslaan. Daar zal de Heer voor zorgen.’ Toen volgden de Israëlieten Ehud vanuit de bergen naar het dal, naar de rivier de Jordaan. Ze gingen naar de plekken waar je kunt oversteken, en ze zorgden ervoor dat niemand uit Moab de rivier over kon gaan.
De Israëlieten versloegen toen ongeveer tienduizend Moabieten. Ook al waren alle Moabieten gezond en sterk, toch werden ze allemaal gedood.
Nadat de Israëlieten het volk van Moab verslagen hadden, was er tachtig jaar vrede in Israël.
Na Ehud werd Samgar, de zoon van Anat, de rechter van het land. Met een grote stok doodde hij zeshonderd Filistijnen. Zo bevrijdde ook hij Israël.