De Heer zegt: ‘Koning Cyrus, jou heb ik uitgekozen. Ik zal je beschermen. Met mijn hulp zul je heersen over andere volken. De koningen van die volken zullen hun wapens bij je inleveren. Jij zult elke stad kunnen binnengaan, geen enkele poort blijft voor jou gesloten.
Ik zal voor je uit gaan. Ik zal de muren van de stad Babel afbreken. Ik zal de bronzen deuren kapotslaan, ik zal de ijzeren kettingen breken.
Zo kom je op de donkerste plaatsen, waar je verborgen schatten zult vinden. Dan zul je begrijpen dat ik de Heer ben, de God van Israël. Cyrus, ik heb je geroepen. Je kende mij niet, en toch heb ik jou belangrijk gemaakt. Dat deed ik voor het volk dat ik uitgekozen heb, voor mijn dienaar Israël.
Ik ben de Heer, er is geen andere god. Je kende mij niet, en toch heb ik van jou een machtige koning gemaakt.
Door jou zal iedereen op aarde, van het oosten tot het westen, weten dat ik de enige God ben. Ik ben de Heer, er is geen andere god.
Ik laat het licht worden, maar ik laat het ook donker worden. Ik zorg voor vrede, maar ook voor het kwaad. Ik ben de Heer, ik doe al die dingen.’
De Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. Ik heb de hemel en de aarde gemaakt. Uit de hemel laat ik regen vallen op de aarde, zodat er planten kunnen groeien. En de mensen op aarde zal ik bevrijden, zij zullen gered worden. Alles zal goed en mooi worden.
Ik heb ook de mensen gemaakt. De mensen kunnen daarom geen kritiek op mij hebben. Klei zegt toch ook niet tegen de pottenbakker: ‘Wat maak jij eigenlijk?’ Of: ‘Dat vind ik niet mooi!’
Niemand zegt tegen zijn ouders: ‘Kijk eens wat jullie op de wereld gezet hebben. Ik ben helemaal niets waard!’
Ik ben de Heer, de heilige God, die het volk van Israël gemaakt heeft. Hebben jullie soms kritiek op mij? Willen jullie mij vertellen wat ik met mijn eigen volk moet doen?
Ik heb de aarde gemaakt. Ik heb de mensen op aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. En ik heb alle sterren aan de hemel geplaatst.’