Dat waren de dingen die Jezus zei. Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen:
‘Jullie weten dat het Paasfeest bijna begint. Dan zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan mensen die hem aan het kruis zullen hangen.’
Intussen kwamen de priesters en de leiders van het volk bij elkaar in het paleis van Kajafas, de hogepriester.
Ze maakten een plan om Jezus in het geheim gevangen te nemen en te doden.
‘Maar dat moeten we niet midden op het feest doen,’ zeiden ze. ‘Anders komt het volk in opstand.’
Jezus was in Betanië. Hij was op bezoek bij Simon, die Simon met de Huidziekte genoemd werd.
Tijdens het eten kwam er een vrouw bij Jezus. Ze had een flesje bij zich met heel dure olie. En ze goot die olie over Jezus’ hoofd.
De leerlingen zagen het en werden boos. Ze riepen: ‘Zonde van die olie!
We hadden die olie voor veel geld kunnen verkopen. Dan hadden we dat geld aan arme mensen kunnen geven!’
Jezus hoorde wat de leerlingen tegen de vrouw zeiden. Hij zei: ‘Doe niet zo boos tegen haar. Ze heeft iets goeds voor mij gedaan.
Arme mensen zullen er altijd zijn, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn.
Deze vrouw heeft mij verzorgd met olie. Daardoor is mijn lichaam klaar om begraven te worden.
Luister goed naar mijn woorden: Als het goede nieuws verteld wordt, zal er ook over deze vrouw verteld worden. Overal in de wereld zullen de mensen horen wat zij gedaan heeft.’
Eén van de twaalf leerlingen ging naar de priesters toe. Het was Judas Iskariot.
Hij zei: ‘Ik kan jullie helpen om Jezus gevangen te nemen. Wat krijg ik daarvoor?’ De priesters gaven hem 30 zilveren munten.
Vanaf dat moment dacht Judas erover na hoe Jezus gevangengenomen kon worden.