Die nacht zei de Heer tegen Gideon: ‘Haal nu die prachtige stier van je vader, de stier die zeven jaar oud is. Sla daarna het altaar kapot dat je vader voor de god Baäl gebouwd heeft. En hak de heilige paal voor de godin Asjera om die ernaast staat.
Ga daarna naar de hoogste plaats van de stad. Bouw daar een altaar voor mij, de Heer, je God. Leg de stenen waarmee je het altaar bouwt, volgens de regels neer. Maak dan een vuur van de heilige paal voor Asjera, en verbrand de stier van je vader.’
Toen ging Gideon met tien dienaren op weg en deed wat de Heer tegen hem gezegd had. Dat gebeurde ’s nachts, want Gideon was bang voor zijn familie en voor de inwoners van de stad.
De volgende ochtend heel vroeg zagen de inwoners van de stad wat er gebeurd was. Ze zagen dat het altaar van Baäl vernield was, en dat de heilige paal voor Asjera omgehakt was. Ook zagen ze het altaar waarop de stier geofferd was.
Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie heeft dat gedaan?’ Ze vroegen het aan iedereen. Ten slotte hoorden ze dat Gideon, de zoon van Joas, die dingen gedaan had.
Toen gingen ze naar Joas toe en zeiden: ‘Breng je zoon naar buiten. Hij moet sterven. Want hij heeft het altaar van Baäl vernield, en hij heeft de heilige paal voor Asjera omgehakt.’
Maar Joas zei tegen de mensen die om hem heen stonden: ‘Willen jullie Baäl helpen? Willen jullie namens hem wraak nemen op de man die zijn altaar vernield heeft? Wie dat probeert, zal vast en zeker vandaag nog sterven! Bovendien kan Baäl zichzelf wel redden, als hij echt een god is.’
Toen gaf Joas zijn zoon Gideon de bijnaam Jerubbaäl. En hij zei: ‘Laat Baäl maar kwaad worden op mijn zoon, die zijn altaar vernield heeft.’