Ze riepen: ‘Debora, leid ons en zing een lied. Val aan, Barak, zoon van Abinoam! Grijp je vijanden, neem ze gevangen!’
Toen kwam de rest van het volk naar de leiders, het volk van de Heer ging op weg met de helden.
Een deel van de soldaten kwam uit Efraïm, waar ooit de Amalekieten woonden. Een ander deel kwam uit Benjamin, en uit Machir en Zebulon. Er waren generaals bij en andere officieren.
De leiders van Issachar liepen naast mij, en volgden Barak door de vlakte. De mannen van Ruben kwamen niet. Zij bleven maar met elkaar overleggen,
en gingen niet weg bij hun stallen en schapen. Ze bleven maar overleggen.
Ook de mannen van Gilead bleven thuis, aan de overkant van de Jordaan. De mannen van Dan wilden niet weg bij hun schepen, en de mannen van Aser bleven in hun havens.
Maar de soldaten van Zebulon en Naftali kwamen wel. Zij waren niet bang om in de heuvels te sterven.
Toen kwamen de koningen van Kanaän. Ze vochten tegen ons bij Taänach, vlak bij Megiddo. Maar ze konden niets van ons afpakken, nog geen stukje zilver!
Want zelfs de sterren vochten met ons mee. Vanuit de hemel vielen ze Sisera aan.
De koningen verdronken in de rivier de Kison, de rivier die al zo lang stroomt. Hun prachtige paarden renden weg, ze vluchtten met stampende hoeven. En ik sprak mijzelf moed in.