1Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief;
uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
2Hoe harder ze geroepen werden,
hoe meer ze hun eigen weg gingen.
Ze brachten offers aan de Baäls
en brandden wierook voor godenbeelden –
3terwijl Ik het toch was die Efraïm leerde lopen
en hem op mijn arm nam.
Maar zij beseften niet dat Ík hen verzorgde.
4Zacht leidde Ik hen bij de teugels,
aan koorden van liefde trok Ik hen mee;
Ik verloste hen van het juk om hen te laten eten,
Ik hield hun het voer zelfs nog voor.