Matteüs 4:12-22 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Matteüs 4:12-22 laat zien dat Jezus’ optreden niet willekeurig is, maar diep verankerd in Gods heilsplan. Daaruit volgt de kernboodschap: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij.’ Het is een oproep tot radicale omkeer, belichaamd in het radicale antwoord van de leerlingen: zij laten alles achter om Jezus te volgen. De leerlingen worden ‘vissers van mensen’ genoemd, wat duidt op een rol in de verkondiging en tegelijk een oproep tot een nieuwe gemeenschap is.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Jezus begint zijn optreden met exact dezelfde oproep als Johannes de Doper: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ (Mat. 4:17b). In de christelijke traditie is Jezus als verkondiger uiteindelijk de verkondigde geworden. Wat betekent het dat Matteüs Johannes en Jezus dezelfde boodschap laat brengen? Zegt dit iets over de kern van het evangelie: dat bekering en verwachting van Gods koninkrijk de primaire boodschap blijven?
- Jezus verkondigt dat het koninkrijk nabij is. Maar wat betekent dat? Het koninkrijk is niet tastbaar zichtbaar, en toch soms al wel aanwezig. Of ligt het volledig in de toekomst? Matteüs werkt dit uit in de Bergrede (Mat. 5-7), waar hij de grondwaarden van dat koninkrijk schetst. Hoe spreken wij vandaag in de gemeente over het koninkrijk van God? Verwachten wij dat nog echt? Gerard Reve verwoordde die spanning treffend: ‘Dat koninkrijk van U, God, wordt dat nog wat?’
- Wanneer Jezus zijn eerste leerlingen roept, klinkt steeds hetzelfde refrein: ‘Ze lieten alles achter en volgden Hem.’ Voor hen betekende volgen meer dan vertrouwen in het dagelijks leven; zij verlieten hun werk en gezin om Jezus fysiek te volgen. In de Joodse cultuur van toen kwam dat vaker voor, maar vandaag zouden we daar allerlei bezwaren tegen hebben. Hoe zou jouw privé- en werkleven eruitzien als je alles fulltime in het licht van Jezus stelt?
Context van Matteüs 4:12-22
Het boek Matteüs als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding op het Evangelie volgens Matteüs
Plek van deze passage in het geheel
Het evangelie volgens Matteüs bestaat uit zeven delen: een proloog (Mat. 1-2), een serie van vijf blokken van verhaal en een redevoering van Jezus (Mat. 3:1-8:1; 8:2-11:1; 11:2-13:53; 13:54-19:1; 19:2-26:1) en de passie, opstanding en wegzending (Mat. 26:2-28:20). Matteüs 4:12-22 is een verhalend stuk uit het eerste blok, en vormt een belangrijke overgang in het evangelie van Matteüs. Na de proloog (hoofdstukken 1-4:11), waarin Jezus’ afkomst, geboorte, doop en verzoeking worden beschreven, markeert dit gedeelte het begin van zijn openbare optreden. Het begint met het vertrek van Jezus naar Galilea na de gevangenneming van Johannes de Doper (4:12), dat een nieuwe periode inluidt: de profetie van Jesaja over het licht in het land van Zebulon en Naftali wordt vervuld (4:13-16), waarmee Matteüs opnieuw zijn thema van vervulling van de Schrift benadrukt. Vervolgens klinkt de kernboodschap van Jezus’ prediking: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ (4:17), die als rode draad door het hele evangelie loopt. Het roepen van de eerste leerlingen (4:18-22) laat zien hoe het koninkrijk concreet gestalte krijgt: door navolging en toewijding.
Dit gedeelte fungeert dus als fundament voor Jezus’ onderwijs en daden in de daaropvolgende hoofdstukken, en introduceert de motieven van bekering, koninkrijk, leerling-zijn en gehoorzaamheid die Matteüs verder uitwerkt.
Opbouw en kern van de passage
Matteüs 4:12-22 bestaat uit twee duidelijk te onderscheiden gedeelten, die samen een belangrijke overgang in het evangelie markeren:
- Begin van Jezus’ optreden in Galilea (vs. 12-17). Dit eerste deel beschrijft hoe Jezus, na de gevangenneming van Johannes de Doper, naar Galilea gaat en zich vestigt in Kafarnaüm. Matteüs legt een sterke nadruk op de vervulling van profetie (Jes. 8:23-9:1): het licht is opgegaan voor het volk dat in duisternis leeft. De kernboodschap van Jezus’ prediking wordt samengevat in één zin: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij.’ Dit vormt een continuïteit met Johannes’ boodschap, maar nu met Jezus als centrale figuur.
- Roeping van de eerste leerlingen (vs. 18-22). Het tweede deel verplaatst de aandacht naar de persoonlijke oproep van Jezus aan Simon Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes. De nadruk ligt op het radicale karakter van hun antwoord: zij laten onmiddellijk hun netten en familie achter om Hem te volgen. Het motief van ‘vissers van mensen’ geeft richting aan hun toekomstige taak en laat zien/impliceert dat het koninkrijk niet alleen verkondigd, maar ook gedeeld moet worden door een gemeenschap van volgelingen.
Deze perikoop toont hoe Jezus’ openbare optreden begint met een boodschap van bekering en hoop, en hoe Hij direct mensen betrekt bij zijn missie. Het is zowel een theologische overgang (van Johannes naar Jezus) als een narratief startpunt voor de vorming van de leerlingen.
Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus en Lucas
Matteüs onderscheidt zich van Marcus en Lucas op een aantal punten.
- Matteüs voegt een expliciete Jesaja-profetie toe (Jes. 8:23-9:1) om Jezus’ optreden in Galilea als vervulling van Schrift te duiden; bij Marcus en Lucas ontbreekt dit citaat.
- De formulering van Jezus’ boodschap verschilt: Matteüs zegt ‘het koninkrijk van de hemel is nabij’, terwijl Marcus spreekt over ‘het koninkrijk van God’ en Lucas in deze context geen samenvatting geeft.
- Bij Lucas vindt de roeping van de eerste leerlingen plaats in een ander kader: een wonderbare visvangst (Luc. 5:1-11). Matteüs en Marcus beschrijven een sobere, directe roeping.
- Matteüs benadrukt geografische details (Zebulon en Naftali, Kafarnaüm), wat Marcus en Lucas niet doen; Lucas legt juist meer nadruk op Jezus’ prediking in synagogen en de kracht van de Geest.
Aantekeningen per vers
Bij vers 12
Begin van Jezus’ verkondiging
- Toen Jezus hoorde:
Nieuws over de gevangenneming van Johannes verspreidde zich waarschijnlijk zeer snel, aangezien Johannes hoog in aanzien bij het volk stond. - Johannes gevangengenomen:
Hoewel we hier al lezen dat Johannes was gevangengenomen, komt het verhaal van zijn gevangenneming pas terug in Matteüs 11, waar hij nog steeds in de gevangenis zit; hij hoort over Jezus en vraagt of Hij inderdaad de messias is. In hoofdstuk 14 wordt de dood van Johannes beschreven. Informatie over die gevangenneming komt dus later aan bod in het evangelie. Het werkwoord paradidomi, ‘overgeleverd’, wordt in het lijdensevangelie (Mat. 26-27 ) vijftien keer voor Jezus gebruikt – meer dan in enig ander evangelie. - week Hij uit naar Galilea:
Het werkwoord anachoreō gebruikt Matteüs om een wegtrekkende beweging te laten zien waarbij gevaar op de loer ligt (bijvoorbeeld Mat. 2:12, 13; 12:15; 14:13; 15:21). Herodes Antipas was ook tetrarch over Galilea, maar narratief gezien trekt Jezus weg van de Jordaan, waar Johannes de Doper actief was (en Jezus ook was gedoopt; Mat. 3).
Bij vers 13
- maar ging in Kafarnaüm wonen:
Jezus verhuist van Nazaret naar Kafarnaüm (hemelsbreed zo’n 30 kilometer). Kafarnaüm was in de tijd van het Nieuwe Testament een groot dorp aan de westkust van het Meer van Galilea. Het had ongeveer 1500 inwoners. De huizen waren erg simpel en de wegen waren niet verhard. De visindustrie van het Meer van Galilea was erg belangrijk voor het dorp. - het gebied van Zebulon en Naftali:
De stammen Zebulon en Naftali kregen bij de verdeling van het land (Joz. 19) gebieden in het noorden van Israël. Zebulon lag meer centraal in Galilea, rond Nazaret, en Naftali lag noordelijker, richting het Meer van Galilea, waar Kafarnaüm zich bevindt. In de nieuwtestamentische tijd was deze indeling niet relevant; Matteüs noemt het om Jezus’ verhuizing aan Jesaja’s profetie te koppelen.
Bij vers 14-16
- Zo moest in vervulling gaan:
Ook hier benadrukt het vervullingscitaat (evenals elders in Matteüs) dat Jezus’ leven en werk de vervulling zijn van Gods beloften in de Schrift, waardoor zijn messiaanse identiteit en het gezag van de Joodse heilige geschriften worden onderstreept. - profeet Jesaja:
Voor Matteüs (en in de vroege kerk) was Jesaja een zeer belangrijke bron om Jezus’ messiaanse identiteit te bewijzen: Jesaja’s profetieën over het licht in Galilea (Jes. 8:23-9:1), de Immanuel-belofte (Jes. 7:14) en de lijdende dienaar (Jes. 53) worden toegepast op Jezus. In dit geval is de profetie een mix tussen de Hebreeuwse en Griekse (LXX) Jesaja-tekst (Jes. 8:23-9:1). - Galilea van de heidenen:
Galilea was vooral Joods. Matteüs laat met dit citaat zien dat Jezus’ werk ook de heidenen zal bereiken. Dit zien we ook terug in Matteüs 28:16, waar de leerlingen vanuit Galilea de ‘heidenen’ moeten onderwijzen wat Jezus hun had geleerd. - Het volk dat in duisternis leefde:
In Jesaja speelt de context van de vernietiging door de Assyriërs mee, God biedt hoop. In Matteüs wordt de tekst eschatologisch uitgelegd: Jezus’ verkondiging is het licht dat de duisternis verdrijft.
Bij vers 17
- Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging:
Tot dit moment in het evangelie is Jezus passief geweest. Maar nu neemt Hij het initiatief. De formule ‘vanaf dat moment’ vinden we ook in 16:21. Volgens sommigen signaleert dit ook een ‘nieuw’ deel in het evangelie. - Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!:
Jezus’ verkondiging is kort en krachtig en is precies hetzelfde als de prediking van Johannes de Doper (Mat. 3:2). Het ligt in het verlengde van de profeten die telkens deze boodschap predikten. Deze boodschap vormt de hermeneutische sleutel waarmee de rest van Jezus’ verkondiging begrepen moet worden. De toespraken in Matteüs liggen in het verlengde hiervan en zijn een uitwerking. Matteüs gebruikt de term ‘koninkrijk der hemelen’ om Gods heerschappij te beschrijven die door Jezus’ komst op een nieuwe manier zichtbaar wordt. Het gaat niet primair om een geografisch rijk of een toekomstige hemel, maar om Gods actieve, soevereine heerschappij die nu door Jezus’ woorden en daden doorbreekt en uiteindelijk volledig gerealiseerd zal worden in het eschaton. De nabijheid van Gods heerschappij is dan ook een reden om te bekeren, omdat er ook een oordeel zal plaatsvinden (zie bijvoorbeeld de gelijkenissen in Mat. 25). - hemel:
Matteüs heeft een voorkeur voor ‘koninkrijk van de hemel’ in plaats van ‘koninkrijk van God’, zoals Marcus. Dit past bij Joodse traditie om Gods naam te vermijden. Inhoudelijk bedoelt hij hetzelfde als Marcus en Lucas: Gods heerschappij die door Jezus wordt verkondigd.
Bij vers 18
- die Petrus genoemd wordt:
Jezus noemt Simon ‘Petrus’. Petrus komt van het Griekse woord petra, wat ‘rots’ betekent. Op sommige plekken in het Nieuwe Testament wordt hij Kefas genoemd, wat Aramees is voor rots. In de context van het Nieuwe Testament krijgt de naam een symbolische lading: Petrus wordt gezien als een fundamentfiguur in de vroege kerk (Mat. 16:18). Simon was een veelvoorkomende naam in het eerste-eeuwse Palestina. Een bijnaam kan helpen om onderscheid te maken; er komt immers ook een andere Simon bij (met de bijnaam ‘de Zeloot’; Mat. 10:4) - Andreas:
Andreas is de broer van Simon Petrus. Zijn naam is Grieks, wat betekent dat zijn gezin een gemengde omgeving weerspiegelt. - Ze wierpen hun net uit:
Het werpnet kon worden gebruikt door iemand die vanaf de oever in het water stond, maar effectiever vanaf een boot. Matteüs vermeldt dat de zonen van Zebedeüs in een boot waren, maar bij Simon en Andreas wordt geen boot genoemd.
Bij vers 19
- Kom, volg Mij:
Het Grieks drukt geen uitnodiging uit, maar een gebod (zie ook de Septuagint van 1 Kon. 19:19-21; 2 Kon. 6:19; waar dezelfde woorden worden gebruikt door Elisa). Degenen die een rabbi wilden volgen, namen over het algemeen zelf het initiatief in plaats van geroepen te worden. Dit gebod is een profetisch gebod. Het Griekse werkwoord akoloutheō, vertaald als ‘volgen’, betekent letterlijk: iemand achternagaan en zich bij hem aansluiten. In Matteüs duidt het op meer dan fysiek meelopen: het is een radicale keuze om Jezus’ weg te gaan en zijn gezag te erkennen. Wie Hem volgt, laat oude zekerheden los (Mat. 4:20, 22) en stelt zijn leven in dienst van het koninkrijk. In het evangelie van Matteüs is ‘volgen’ daarom een kernwoord voor leerling-zijn: niet alleen leren van Jezus, maar je hele bestaan oriënteren op Hem en zijn missie. - Ik zal van jullie vissers van mensen maken:
De metafoor van ‘mensen vissen’ sluit aan bij hun vroegere beroep, maar laat open wat dat precies inhoudt: van waar en waarvoor worden mensen ‘gevangen’? In het Oude Testament (Jer. 16:16; Am. 4:2; Hab. 1:14-17) wordt vissen gebruikt als beeld voor oordeel, maar in Matteüs past het beter bij Jezus’ oproep tot bekering en het naderende koninkrijk: mensen winnen voor Gods heerschappij. Later (Mat. 13:47-50) krijgt de metafoor een dubbele lading: vangst leidt voor sommigen tot redding, voor anderen tot oordeel. Het is een beeld van beslissende keuze, waarin Simon en Andreas een actieve rol krijgen (10:5-15; 28:19-20).
Bij vers 20
- Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem:
Zonder aarzeling verlaten Simon en Andreas hun werk, hun bron van inkomen en zekerheid. Dit is geen symbolische stap, maar een totale breuk met het oude leven om zich volledig te richten op Jezus en zijn missie. Het woord ‘meteen’ onderstreept de urgentie en de absolute prioriteit die Jezus’ roep heeft boven alle andere verplichtingen.
Bij vers 21
- andere broers:
Matteüs wijst op de parallel. Hier gaat het óók om twee broers. Jakobus en Johannes hebben een heel bijzondere relatie met Jezus, samen met Petrus. Zo mogen ze bijvoorbeeld mee bij de verheerlijking op de berg (Mat. 17:1-13) en in de tuin van Getsemane (Mat. 26:37). - Jakobus, de zoon van Zebedeüs:
De naam is vergriekst van het Hebreeuwse Jakob, een van de aartsvaders. Volgens Matteüs is Jakobus getrouwd met Salome (Mat. 27:56). Zebedeüs betekent: gave van God. Waarschijnlijk is het deze Jakobus die volgens Handelingen 12:2 samen met andere christenen door Herodes Agrippa wordt gevangengenomen en gedood. - Johannes:
De naam Johannes komt van de Hebreeuwse naam Jochanan. Die naam betekent: God is genadig. Johannes speelt een belangrijke rol in de vroege kerk. In het boek Handelingen komt hij vaak samen met Petrus voor (zie bijvoorbeeld Hand. 8:14). Paulus noemt hem samen met Petrus en Jakobus, de broer van Jezus, een van de ‘steunpilaren’ van de kerk in Jeruzalem (Gal. 2:9). - Ze waren met hun vader:
In het Joodse milieu van de eerste eeuw waren familiebanden en het respect voor ouders kernwaarden, geworteld in het vijfde gebod (‘Eer uw vader en uw moeder’). Dat Jakobus en Johannes hun vader Zebedeüs achterlaten, benadrukt de radicaliteit van Jezus’ roep. In een cultuur waarin familie-eer en continuïteit van het familiebedrijf (hier: visserij) essentieel waren, was dit een ingrijpende beslissing. Het laat zien dat leerling-zijn een hogere prioriteit krijgt dan traditionele sociale verplichtingen. - herstellen van de netten:
Het herstellen van netten was essentieel. Netten waren kostbaar en moesten na elke vangst gerepareerd worden. Dit detail laat zien dat Jakobus en Johannes actief bezig waren en dat Jezus hen midden in hun dagelijkse werk riep. Het herstellen van de netten kan ook een metafoor zijn: ze werken aan het behoud van het oude, terwijl Jezus hen roept tot een totaal nieuwe missie – ‘vissers van mensen’ (Mat. 4:19).
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
