Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Matteüs 5:13-16 – Preekinspiratie

Waar gaat het om in dit gedeelte? 

In Matteüs 5:13-16 maakt Jezus duidelijk dat zijn leerlingen niet alleen anders zijn, maar ook zichtbaar verschil maken: als zout en licht hebben zij een onmisbare, publieke functie in de wereld, waarin hun leven en daden smaak en richting geven, niet om zichzelf te laten zien, maar zodat door hun concrete goede werken God, hun Vader in de hemel, wordt verheerlijkt. 

Klik om deze passage te lezen in de NBV21

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging 

  • Jezus zegt dat zijn leerlingen het zout van de aarde en het licht voor de wereld zijn. We gaan ervan uit dat dit ook voor christenen vandaag de dag geldt. Hoe komt dit tot leven in de kerkelijke gemeente? Hoe zorg je ervoor dat christenen niet hun ‘smaak’ verliezen en vertrapt worden in de veelstemmigheid van de wereld? Wat is het ‘eigene’ aan Jezus en zijn boodschap? Kan Matteüs’ ‘God met ons’ daarbij helpen (Mat. 1:2328:20)? 
  • De uitspraken over het zoutend zout en lichtend licht staan in dienst van Jezus’ grotere doel voor de leerlingen, namelijk: ze moeten ‘alle volken tot mijn leerlingen [maken], door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb’ (Mat. 28:19-20). Hoe krijgt het ‘leerling-maken’ gestalte in de christelijke kerk vandaag? 
  • Daarnaast is het doel van de ‘goede daden’ dat mensen ze zien en God eer bewijzen (Mat. 5:16). Maar even later waarschuwt Jezus tegen het beoefenen van gerechtigheid voor de ogen van de mensen (Mat. 6:1). Wat is het verschil? Wat zijn voorbeelden van goede daden zoals Jezus ze bedoelt? Hoe zorg je ervoor dat je ‘goede daden’ met de juiste intentie doet?  

Context van Matteüs 5:13-16

Het boek Matteüs als geheel 

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs.

Plek van deze passage in het geheel 

Het evangelie volgens Matteüs bestaat uit zeven delen: een proloog (Mat. 1-2), een serie van vijf blokken van verhaal en een redevoering van Jezus (Mat. 3:1-8:1; 8:2-11:1; 11:2-13:53; 13:54-19:1; 19:2-26:1) en de passie, opstanding en wegzending (Mat. 26:2-28:20). Matteüs 5:13-16 is onderdeel van de zogenaamde Bergrede (Mat. 5-7), de eerste grote toespraak van Jezus. Deze komt na de vertelling over het begin van Jezus’ openbare optreden (Mat. 4:12-22). De Bergrede ontvouwt zich als een samenhangende toespraak waarin Jezus eerst de identiteit en houding van het Koninkrijk schetst (de zaligsprekingen en de roeping tot zout en licht), vervolgens de relatie tot de Thora verdiept door zes antithesen waarin hij de bedoeling achter de geboden blootlegt, en daarna het leven van toewijding uitwerkt in drie kernpraktijken: aalmoezen, gebed en vasten. Daarbij staat zuivere intentie centraal. Daarna volgt onderwijs over vertrouwen en prioriteiten (het Koninkrijk zoeken, niet bezorgd zijn), om ten slotte uit te komen bij een reeks oproepen tot onderscheid en keuze: oordeel niet, wees waakzaam voor valse profeten, en bouw je leven op het gehoorzamen aan zijn woorden. 

Opbouw en kern van de passage

Matteüs 5:13-16 is het vervolg van de zaligsprekingen en is opgebouwd uit twee parallelle beeldspraken waarmee Jezus de identiteit en roeping van zijn leerlingen beschrijft in relatie tot de wereld: zij zijn het zout voor de aarde en het licht voor de wereld. In vers 13 staat het beeld van het zout centraal, met een identiteitsverklaring (‘jullie zijn het zout’), gevolgd door een waarschuwing dat zout zijn functie kan verliezen, wat leidt tot totale nutteloosheid; daarmee wordt het gevaar benadrukt van een geloof dat zijn karakter verliest. In verzen 14-16 werkt Jezus het beeld van het licht uitgebreider uit: de leerlingen zijn het licht van de wereld, en zoals een stad op een berg of een lamp op een standaard niet verborgen kan blijven, zo is hun zichtbaarheid onvermijdelijk. Dit mondt uit in een oproep om dat licht daadwerkelijk te laten schijnen door goede werken, met als uiteindelijke doel niet de eer van de leerlingen zelf, maar dat mensen God, de Vader in de hemel, verheerlijken. Dat is dan ook de kern van de passage: zichtbare goede werken waardoor de mensen God eer bewijzen. 

Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus en Lucas 

De gelijkenissen van het zout en licht vinden we ook in Marcus en Lucas, maar wel op heel verschillende plaatsen. Waar Matteüs de gelijkenissen tot een samenhangend geheel maakt, zijn ze bij Marcus en Lucas op verschillende plekken in de evangeliën te vinden (Marc. 9:504:21-25; Luc. 8:16; 11:3314:34-35). Er zijn nog enkele opvallende verschillen: 

  • Bij Marcus (9:50) staat zout in een vermanende context van leerling-zijn/navolging, onderlinge vrede en aanstoot; bij Lucas (14:34-35) staat het zoutwoord aan het slot van een radicale navolgingstoespraak. Matteüs plaatst het daarentegen programmatisch aan het begin van de Bergrede. 
  • Matteüs spreekt direct en persoonlijk tot de leerlingen: ‘Jullie zijn het zout (…). Jullie zijn het licht voor de wereld.’ Bij Marcus en Lucas ontbreekt deze expliciete identiteitsverklaring; daar functioneren zout en licht algemener als wijsheidsspreuken. 
  • Lucas en Marcus leggen bij de lamp sterker de nadruk op openbaring en horen (‘wie oren heeft om te horen …’), terwijl Matteüs het licht expliciet verbindt met zichtbare goede werken – een thema dat door heel Matteüs sterk aanwezig is. 
  • Alleen Matteüs eindigt met het expliciete doel: ‘zodat zij jullie goede daden kunnen zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel’. Bij Marcus en Lucas ontbreekt deze theocentrische afsluiting. 
  • Matteüs spreekt over ‘de aarde’ en ‘de wereld’, wat de reikwijdte van de leerlingen benadrukt. Lucas en Marcus blijven meer gericht op de interne houding en verantwoordelijkheid van de hoorder. 

Kortom, bij Matteüs zijn deze woorden toegespitst op de identiteit van de leerlingen en hun plek in de wereld. 

Aantekeningen per vers 

Bij vers 13 

13Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden gemaakt? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

Matteüs 5:13NBV21Open in de Bijbel

  • zout van de aarde: Zout was erg belangrijk: ‘De eerste levensbehoeften van een mens zijn water en vuur, ijzer en zout, tarwebloem, melk en honing, wijn, olijfolie en kleding’ (Sir. 39:26). Zout werd gebruikt als smaakmaker en conserveermiddel en in kleine hoeveelheden ook als meststof. Zo moeten ook de leerlingen zijn voor de wereld, ze moeten ‘alle volken tot mijn leerlingen [maken], door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb’ (Mat. 28:19-20). 
  • smaak verliest: Zout kan in principe zijn smaak niet verliezen. Maar zout was vroeger niet puur zout, maar een mengsel met andere stoffen en soms werd er wat aan toegevoegd om meer te kunnen verkopen. Zo zou het kunnen dat zout smaak verliest.  
  • hoe kan het dan weer zout worden gemaakt?: Wanneer de zoute smaak is verloren, kan het alleen weer diezelfde smaak krijgen als er nieuw zout aan toegevoegd wordt. Wanneer de smaak verloren is, kan het niet meer worden gebruikt: ‘het dient nergens meer voor’. 
  • het wordt weggegooid en vertrapt: In het Grieks staat ‘door de mensen’, wat in de NBV21 is geïmpliceerd. Wanneer de leerlingen geen zout meer zijn, dienen ze nergens meer voor en worden ze door de mensen ‘vertrapt’.  

Bij vers 14 

14Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.

Matteüs 5:14NBV21Open in de Bijbel

  • Jullie zijn het licht voor de wereld: Hier is een klein verschil tussen de NBV21 en NBV, die ‘in de wereld’ heeft (vgl. Joh. 8:12: Christus als ‘licht voor de wereld’). De ‘wereld’ duidt hier op de ‘ongelovige’ wereld, waar de leerlingen moeten vertellen van God (Mat. 28:19-20). De wereld heeft het licht nodig. De roeping van de leerlingen is om licht te brengen (zie ook Filip. 2:15). 
  • Een stad die op een berg ligt: Hiermee kan het nieuwe Jeruzalem bedoeld worden, dat het licht van Gods heerlijkheid verspreidt (zie Jes. 2:2-4; 4:5-6; 60:1-22). Steden werden vaak op heuvels of bergen gebouwd, voor de verdediging. Maar daardoor waren ze heel snel zichtbaar. Zo is het ook met leerlingen van Jezus, die kunnen niet onzichtbaar zijn. 

Bij vers 15 

15Je steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, je zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is.

Matteüs 5:15NBV21Open in de Bijbel

  • Je steekt ook (…) in huis is: Een lamp moet licht geven. Voor iedereen in huis. Een korenmaat was een bak (op poten) waarin koren werd bewaard in huis. Jezus’ leerlingen moeten dus zichzelf laten zien, duidelijk, zoals een lamp op een standaard. 
  • voor ieder die in huis is: Het huis is een metafoor voor de wereld. De leerlingen worden geacht een licht te zijn voor ieder in de wereld.  

Bij vers 16 

16Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, zodat zij jullie goede daden kunnen zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

Matteüs 5:16NBV21Open in de Bijbel

  • goede daden: ‘Goede daden’ staan niet voor zomaar ‘iets aardigs doen’. Het heeft te maken met het zichtbaar, concreet handelen dat het karakter van God weerspiegelt (zie de Bergrede) en zo het licht van het koninkrijk van de hemel laat doorschijnen. In het hele evangelie worden deze ‘goede daden’ uitgewerkt en toegelicht als praktische gerechtigheid: in de gehele Bergrede (Mat. 5-7), het dragen van goede vrucht (Mat. 7:17-20; 13:1-23), met zijn climax in Matteüs 25: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen ontvangen, naakten kleden, zieken en gevangenen opzoeken.
  • zodat zij (…) kunnen zien: Er is een spanningsveld met Matteüs 6:1, waar Jezus waarschuwt dat zijn leerlingen ‘de gerechtigheid niet tentoonspreiden om door de mensen gezien te worden’. Het gaat dus vooral om de intentie van de goede daden en niet om een religieuze show. 
  • eer bewijzen: Het gaat erom dat de mensen God eer bewijzen en niet mensen (zoals bij de huichelaars uit Mat. 6:2). Het werkwoord doxazō, ‘verheerlijken’ of ‘prijzen’, komt maar vier keer in Matteüs voor, onder andere wanneer Jezus een lamme man geneest – een goede daad. Om die reden prijzen de omstanders God.

Achtergrondinformatie 

Toelichting bij kernwoorden en begrippen

Verdieping bij thema’s 

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons