Matteüs 10:16-33 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Matteüs 10:16-33 gaat over Jezus’ waarschuwingen en bemoedigingen aan zijn leerlingen wanneer Hij hen uitzendt om te verkondigen. De leerlingen zullen tegenstand tegenkomen, vervolging zelfs. En die kan leiden tot het ter dood brengen van de leerlingen. Maar toch is God te vertrouwen.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Jezus zendt de leerlingen uit, maar de boodschap over het komende koninkrijk en over Jezus zal niet bij iedereen in goede aarde vallen. Jezus zegt dat als het goede nieuws niet wordt ontvangen, de leerlingen verder moeten trekken. Hoe doen wij dat? Jezus gaat uit van verkondigen en dan weer verder trekken, maar hoe werkt dat in onze tijd? Moeten wij niet ook ‘verder trekken’ als het evangelie in onvruchtbare aarde valt?
- Voor veel christenen is de vervolging die in Matteüs 10 wordt genoemd een realiteit: in Noord-Korea, Somalië, Jemen, Pakistan, Soedan, Nigeria, Iran, India, noem maar op. Vaak lopen de breuken en vervolging dwars door families heen en moeten christenen getuigen voor overheden en regimes. Geregeld moeten ze het bekopen met hun leven. Toch is er onder hen vaak een bijzonder vertrouwen op God en de zekerheid dat ze bij Christus horen. Wat kunnen wij van hen leren? En hoe kunnen we deze medechristenen steunen?
- Vaak zijn wij alleen met dit leven bezig, het hier en nu. En dat mag en moet ook: elke dag heeft al genoeg aan zijn eigen kwaad. Maar toch geeft Jezus hier ook een ander perspectief: je hoeft niet bang te zijn voor mensen; zij kunnen immers alleen maar je lichaam doden. Maar God beschikt over je hele wezen, lichaam en ziel. Op wat voor manier geeft dat moed om het evangelie te verkondigen? Helpt Matteüs 10:16-33 om moediger en onbevreesder het goede nieuws te delen met je omgeving?
Context van Matteüs 10:16-33
Het boek Matteüs als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs
Plek van deze passage in het geheel
Matteüs 10 vormt de zogeheten zendingsrede, waarin Jezus de twaalf leerlingen uitzendt naar ‘de verloren schapen van het volk van Israël’. Binnen deze rede is 10:16-33 het gedeelte waarin de werkelijke omstandigheden van de zending worden besproken: het gaat niet alleen om prediking, maar ook om afwijzing, vervolging en lijden. De verzen 1-15 introduceren opdracht en praktijk (waarheen, hoe, wat te doen bij afwijzing), terwijl 10:16-42 (waar 10:16-33 het kernstuk van vormt) de nadruk legt op de consequenties voor en innerlijke houding van de leerlingen. De leerlingen worden voorbereid op vijandschap, maar ook verzekerd van Gods zorg en opgeroepen tot vrijmoedige belijdenis. Binnen het geheel van Matteüs past deze passage in het bredere thema van het koninkrijk van de hemel dat doorbreekt, maar tegelijk weerstand oproept. Matteüs structureert zijn evangelie rond grote redevoeringen (zoals de Bergrede, de zendingsrede, de gelijkenissenrede), en hoofdstuk 10 vormt daarin de tweede grote rede.
Opbouw en kern van de passage
Matteüs 10:16-33 wordt gekenmerkt door waarschuwing en bemoediging voor de uitgezonden leerlingen. Uitleggers verschillen van mening over de opbouw en samenhang van de redevoering, maar de volgende onderdelen zijn duidelijk te onderscheiden:
- Vers 16-23: Waarschuwing voor vervolging omwille van Jezus. Vervolging, verraad en lijden zijn kenmerkend voor de missie in naam van Jezus.
- Vers 24-25: De vervolging hoort erbij omdat de leerling het lot van zijn meester deelt.
- Vers 26-31: Jezus roept driemaal op om niet bang te zijn, omdat God boven mensen staat en zorg draagt tot in de kleinste details van hun leven.
- Vers 32-33: De meester zal bij de Vader erkenning geven van de leerling die Hem erkent. De bemoediging om de juiste houding in te nemen (vers 26-31) mondt dus uit in een oproep tot openlijke erkenning van Jezus, met eeuwige consequenties.
Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus, Johannes en Lucas
De uitspraken in Matteüs 10:16-33 hebben parallellen in Marcus en vooral in Lucas, maar ze zijn daar verspreid en minder systematisch geordend dan bij Matteüs. In Marcus vinden we slechts gedeeltelijke parallellen, vooral in Marcus 13
Matteüs heeft zijn bronnen (Marcus, ‘Q’ en eigen materiaal) samengevoegd en thematisch geordend tot één samenhangende zendingsrede: materiaal dat bij Marcus vooral eschatologisch is en bij Lucas verspreid voorkomt, bundelt hij tot één geheel over de zending. Matteüs legt sterker de nadruk op de samenhang van zending, lijden en belijdenis. Ook geeft hij de woorden duidelijker een aansporend karakter.
Aantekeningen per vers
Bij vers 16
- Ik zend jullie als schapen onder de wolven: Het is een opvallende omkering van het beeld dat Jezus eerder gebruikte: ‘de verloren schapen van Israël’ (vs. 6). Het zijn niet alleen de leiders die zich als wolven zullen gedragen, maar ook de naasten van de leerlingen (zie vs. 21, 37) en zelfs ‘iedereen zal hen haten’ (vs. 22).
- Wees dus scherpzinnig als een slang: Grieks: phronimos, ‘bij zijn/haar verstand’, ‘intelligent’. Door het verhaal van de slang in Eden (Gen. 3
) was de slang spreekwoordelijk geworden voor verstandig en scherpzinnig (hetzelfde woord wordt in Genesis 3:1 LXX gebruikt). Dit dient als correctie op het idee dat je zo ‘mak als een lammetje’ moet zijn. - argeloos als een duif: In tegenstelling tot slangen doen duiven geen kwaad; ze zijn prooi in plaats van dat ze rover zijn. De leerlingen mogen hun tegenstanders niet aanvallen, zoals slangen doen, maar moeten als duiven onschuldig blijven.
Bij vers 17
- Pas op voor de mensen: Zoals gezegd, de ‘wolven’ uit vers 16 kunnen iedereen zijn. De term ‘de mensen’ is met opzet zo algemeen.
- aan het gerecht uitleveren: In de Joodse context gaat het om lokale groepen van 23 mannen die verantwoordelijk waren voor de publieke orde in hun dorpen (de dorpen waar de leerlingen heen worden gezonden).
- en je geselen in hun synagogen: Geselen was een vorm van het handhaven van de publieke orde in zulke dorpen (zie bijv. Paulus in 2 Kor. 11:23-24). Volgens Deuteronomium 25:1-3 was het maximaal aantal slagen veertig. Het woord synagōgē duidt hier niet zozeer op synagoge als gebedshuis, maar ook breder als plaats van samenkomst, onder andere voor juridische geschillen; een soort buurthuis.
Bij vers 18
- gouverneurs en koningen: Het Griekse hēgemōn kan ‘leider’, ‘heerser’, ‘aanvoerder’ betekenen, zelfs ‘keizer’. De keuze voor ‘gouverneur’ heeft te maken met het bewind van de Romeinen in de provincie Judea – de prefecten zoals Pontius Pilatus en Porcius Festus (Hand. 24:27; 25-26
). Bij ‘koningen’ denken we aan vazalkoningen, zoals de tetrarchen (Herodes Antipas en Filippus). - getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen: Hier wordt het woord martyrion gebruikt, dat wij ook kennen van ‘martelaar’ – iemand die is gestorven voor Christus (christelijke context). Het begrip ‘martelaar’ in die zin vinden we begin/halverwege tweede eeuw en is hier nog niet van toepassing. In deze passage draait het getuigenis om de boodschap van het goede nieuws (vs. 7). De gedwongen verantwoording voor de rechtbank wordt een gelegenheid om te getuigen. Let op: hier vinden we al een verbreding van de zending. Terwijl in vers 5-6 de weg naar de heidenen wordt verboden en de leerlingen de verloren schapen van Israël moeten bereiken, zal dat leiden tot getuigen voor de heidenen.
Bij vers 19-20
- vraag je dan niet bezorgd af: De leerlingen hebben dit eerder gehoord, namelijk in de Bergrede. Daar ging het over niet bezorgd zijn over kleding en eten en drinken – God zal voorzien (6:25-34). Nu wordt het toegepast in een juridische context. De leerlingen hoeven niet bezorgd te zijn, ook hier zal God voorzien.
- het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt: God voorziet in het spreken; de Geest van God spreekt door hen heen om te getuigen (omwille) van Jezus. Het zou kunnen dat het dopen met de heilige Geest door Jezus, zoals dat in Matteüs 3:11 wordt voorspeld, hier gestalte krijgt.
Bij vers 21
- De ene broer (…) dood laten brengen: Deze uitspraak is gebaseerd op Micha 7:6, waarin gewaarschuwd wordt voor vijandschap en verachting binnen de familie als symptoom van de sociale orde die vervalt. Maar van elkaar doden of uitleveren van doden is geen sprake. Jezus’ uitspraak geeft een veel schokkender beeld: loyaliteit aan Hem zal zodanig ver gaan dat vijandschap uitmondt in het dood willen hebben van de ander. Aan het einde van de eerste en begin van de tweede eeuw vinden we buiten-Bijbelse teksten waarin wordt vermeld dat christenen worden ‘overgeleverd’ en ‘gedood’ – hoewel daarin niets wordt vermeld over familieleden.
Bij vers 22
- door iedereen worden gehaat: De vijandschap naar de leerlingen beperkt zich niet alleen tot familiebanden. Jezus’ leerlingen worden gehaat door iedereen. Het doet denken aan de ambigue zin van Tacitus over de reden dat Nero christenen vervolgde: odium humani generis. De zin kan op tweeërlei manier begrepen worden: men dacht ofwel dat de christenen de mensheid haatten, ofwel dat de mensheid de christenen haatte.
- wie standhoudt tot het einde zal worden gered: Jezus zegt dat trouw zijn, ook als dat tot de dood kan leiden, echte redding brengt. Zie ook verderop in vers 39: ‘Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden’ (zie 16:25 voor een vergelijkbare uitspraak).
Bij vers 23
- vlucht dan naar de volgende: Diverse uitleggers hebben benadrukt dat het hier ook gaat om verspreiding van het evangelie. Door voor vervolging te vluchten kan men breder het evangelie verspreiden in Israël.
- Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, is de Mensenzoon gekomen: De komst van de Mensenzoon verwijst naar het laatste oordeel. De missie naar Israël is dus niet beperkt tot de tijd van Jezus; de terugkomst van de apostelen wordt dan ook niet vermeld. Bij Matteüs is de missie in Israël niet voltooid, sterker nog, in Matteüs 28
zendt de opgestane Jezus de leerlingen op weg om iedereen leerling te maken (inclusief Israël). De manier waarop Matteüs deze uitspraak weergeeft, suggereert dat de komst van de Mensenzoon voor de eerste hoorders van dit evangelie nabij is. Uit verlegenheid hiermee heeft men daarom die komst opnieuw geïnterpreteerd als de ontmoeting met Jezus na de missie, de ontmoeting met de verrezen Jezus (Mat. 28:16-20) of de komst van de heilige Geest met Pinksteren (Hand. 2 ).
Uitzending van de leerlingen
Bij vers 26-27
- Wat Ik jullie in het donker zeg, spreek dat uit in het licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken: Nu is het nog niet de tijd, maar de tijd komt dat de leerlingen moeten verkondigen – na de uitzending in Matteüs 28:16-20. De leerlingen moeten spreken en hun licht verspreiden, zoals Jezus al duidelijk maakt in de Bergrede (Mat. 5:14-16). Eerste-eeuwse woningen hadden platte daken, die kon je dus ook gebruiken om een boodschap aan je directe omgeving bekend te maken.
Uitzending van de leerlingen
Bij vers 28
- Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden: Martelaarschap, sterven om Jezus’ naam, komt nu duidelijk naar voren. Maar dat is niet het einde. Het contrast ‘lichaam’ en ‘ziel’ betekent dat er een leven doorgaat nadat het fysieke leven is geëindigd. Tegenstanders kunnen ‘slechts’ het lichaam doden. God is eigenaar van zowel ‘lichaam’ als ‘ziel’. Hij heeft uiteindelijk de macht om te oordelen.
- Gehenna: In de tijd van Jesaja zou deze plek (Ge-hinnomdal, vlak bij Jeruzalem) een vuilnisstort zijn geweest. Maar in Jezus’ tijd stond deze plek voor een plek waar de onrechtvaardigen goddelijke straf ondergingen. Zie Ruben van Wingerden, ‘Toch niet het einde van de hel?
’ in Schrift (2025).
Bij vers 29
- Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets: Letterlijk staat er ‘Worden niet twee mussen voor een assarion verkocht?’ De assarion was een zestiende van een denarius, wat een dagloon kon zijn. Voor ‘zo goed als niets’ is gekozen omdat niet de muntsoort relevant is, maar de geringe waarde.
- Maar er valt er niet één dood neer buiten jullie Vader om: Dit is een verschil met ‘Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil’ van de NBV. De verandering berust op de mate van interpretatie van het Griekse aneu (‘zonder’, ‘buiten […] om’). De NBV (‘als jullie Vader het niet wil’) vult expliciet Gods wil in en geeft daarmee een sterkere, meer deterministische uitleg die niet letterlijk in de brontekst staat. De NBV21 (‘buiten jullie Vader om’) blijft dichter bij het Grieks en laat de formulering bewust open: de nadruk ligt niet op wat God wil, maar op zijn betrokkenheid.
Bij vers 30-31
- Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld: De onmogelijkheid om iemands haren te tellen, vinden we terug in de Psalmen (40:13; 69:4). Het spreekt intimiteit uit: God kent zijn leerlingen en zorgt ervoor dat niemand van hen verloren gaat.
Bij vers 32-33
- Iedereen die Mij zal erkennen bij de mensen, zal ook Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel: De kwestie voor wie je wel of niet bang moet zijn resulteert in de vraag naar loyaliteit. Hoor je bij Jezus of niet? De context is de verwachting dat God zal oordelen en dat in de tijd daarvoor de vraag naar loyaliteit naar voren komt ‘bij de mensen’. De vraag of je het goede hebt gedaan staat dan centraal – zoals we door heel het evangelie van Matteüs terugvinden. De keerzijde, het verloochenen, zal ook consequenties hebben op de oordeelsdag: Jezus zal diegene dan ook verloochenen. Je kunt beter God erkennen, Hem volgen en sterven dan Hem verloochenen bij de mensen en voorlopig blijven leven – Jezus zal zijn Vader zeggen wat je hebt gedaan.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
