Johannes 17:1-13 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
In Johannes 17:1-13 bidt Jezus tot God, zijn Vader. Enerzijds zegt Hij dat Hij door zijn werken Gods grootheid heeft laten zien en dat Hij gekomen is om het eeuwige leven aan de mensen te geven. Door Jezus hebben de mensen God gezien, zijn ze tot geloof gekomen en hebben ze aanvaard dat Jezus de Zoon is van God. Anderzijds bidt Hij voor zijn leerlingen die alleen achterblijven wanneer Hij de wereld verlaten heeft. Hij vraagt God om hen te beschermen opdat ze één zouden worden met God en Hem zoals ook Hij met zijn Vader één is.
De passage leert ons meer over de relatie tussen Jezus en God, waarbij duidelijk wordt dat ze één zijn. Jezus vraagt ook aan God om zijn leerlingen, die in Hem geloven, op te nemen in diezelfde eenheid. De tekst nodigt ons uit om na te denken hoe wij in diepe verbondenheid met Jezus en God kunnen leven.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- In Johannes 17 vraagt Jezus aan God dat zij die in Hem geloven één mogen worden zoals Hij en zijn Vader één zijn. De eenheid tussen God en Jezus typeert een grote en innige verbondenheid. Beiden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze verbondenheid kunnen wij, als gelovigen, ook verkrijgen. Sterker nog, het wordt ons door God, via Jezus’ gebed, aangereikt (vs. 10). Op welke momenten voelen wij ons verbonden of één met Jezus en God en hoe kunnen we deze verbondenheid versterken?
- Johannes 17 stelt dat Jezus de gave heeft om het eeuwige leven aan de mensen te geven. Het eeuwige leven staat niet voor een leven na de dood, maar betekent hier het kennen van God en Jezus. Het is de toewijding van mensen tot God en Jezus en de (h)erkenning van God in de persoon Jezus. Op die manier kunnen we tot dezelfde relatie met God komen zoals Jezus, kunnen we één met God en Jezus worden. In welke mate ‘kennen’ wij God en Jezus werkelijk? Zien wij hoe God werkzaam is door Jezus? Hoe kunnen we onze levenswandel meer toeleggen op wat God van ons verwacht zoals Jezus ons voorgegaan is?
- Jezus bidt tot zijn Vader dat zijn leerlingen beschermd mogen worden en behoed mogen worden voor de zondigheid die in de wereld aan te treffen is (vs. 11). De wereld staat in dit opzicht in contrast met de heiligheid van God en Jezus. Al is de wereld onderdeel van Gods schepping, soms lijkt de wereld inderdaad niet heilig te zijn. Denk in dit verband aan de negatieve berichtgevingen waar we dagelijks mee geconfronteerd worden. De zonde ligt telkens op de loer. Door Jezus’ gebed worden we gesterkt door Gods bescherming en mogen we ons gedragen weten opdat we ons doen en laten op Hem zouden richten. Hoe verhouden wij ons vandaag als christenen ten opzichte van de wereld en in welke mate helpt Jezus’ gebed in Johannes 17 ons om onze verbondenheid met God en Jezus te ervaren?
Context van Johannes 17:1-13
Het boek Johannes als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Johannes vind je in deze inleiding op het Evangelie volgens Johannes
Plek van deze passage in het geheel
Jezus’ publieke optreden wordt beschreven in Johannes 1:19-12:50. In Johannes 18 begint het lijdensverhaal. In het tussenliggende gedeelte, Johannes 13-17, is Jezus alleen met de leerlingen. Tijdens de laatste maaltijd wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Daarop volgen enkele redes van Jezus, over Jezus als de weg naar de Vader, over de heilige Geest, over de wijnstok en de ranken, en bemoediging voor de leerlingen. Jezus besluit in Johannes 17 met een gebed voor zijn leerlingen. Het gebed is tevens een afscheidsrede van Jezus waarbij Hij de betekenis van zijn zending uit de doeken doet. Vanaf hoofdstuk 18 wordt Jezus gevangengenomen, verhoord en gekruisigd.
Opbouw en kern van Johannes 17:1-13
In hoofdstuk 17 brengt Jezus een afscheidsrede zoals we dat kennen in het Oude Testament (denk in dit verband aan de afscheidsredes van Jakob, Mozes en Jozua). De afscheidsrede die Jezus in hoofdstuk 17 brengt, wordt ook wel het hogepriesterlijk gebed genoemd (een term die ontleend is aan de woorden praecatio summi sacerdotis, ‘gebed van de hogepriester’, van David Chytraeus, een Duitse theoloog uit de zestiende eeuw). Deze term wordt aan het gebed gegeven omdat Jezus hier als een soort tussenpersoon fungeert tussen zijn leerlingen en God. Hij bidt omwille van hen tot God. Sommige uitleggers menen dat het gebed het lijdensverhaal inluidt waarin Jezus een offer brengt, in dit geval zichzelf, zoals een hogepriester offerde.
Onze passage beslaat het eerste gedeelte van het gebed. In de eerste acht verzen bidt Jezus voor zichzelf. Hij vraagt dat God de grootheid van zijn Zoon zou bekendmaken zoals Jezus Gods grootheid aan de mensen heeft laten zien (vs. 1). Dit heeft te maken met de openbaring van God zelf. Jezus heeft God kenbaar gemaakt door het werk te doen zoals Hem door God opgedragen is (vs. 4). Door de woorden van God naar de mensen te brengen, zijn ze tot geloof gekomen en geloven ze dat Jezus door God gezonden is (vs. 6-8). Jezus’ grootheid zal pas bekendgemaakt worden aan het kruis. Jezus stelt tevens dat Hij de macht heeft gekregen om het eeuwig leven aan de mensen te geven (vs. 2). Eeuwig leven betekent hier concreet dat ze God en Jezus kennen, door de openbaring van God in Jezus te aanvaarden, en in eenheid met beide leven (vs. 3).
In een tweede gedeelte bidt Jezus voor zijn leerlingen (vs. 9). Door het geloof van de leerlingen in Jezus is zijn grootheid zichtbaar geworden (vs. 10). Echter, Jezus zal de wereld verlaten en zijn leerlingen blijven achter (vs. 11). Daarom bidt Hij dat ze beschermd mogen worden door God en dat ze met Hem één mogen worden zoals Hij en God één zijn (vs. 11-12).
Hoofdstuk 17 vormt een theologisch slotstuk van de voorafgaande hoofdstukken van het Johannes-evangelie. Het biedt een reflectie op wat reeds gezegd geweest is.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
Jezus bidt voor zijn leerlingen
- sloeg Hij zijn ogen op naar de hemel: Door deze handeling weet de lezer dat Jezus de woorden die volgen tot God richt.
- zei: Er wordt niet gesproken van ‘bidden’ (proseuchomai), al wordt hoofdstuk 17 het hogepriesterlijk gebed genoemd en is het duidelijk een gebed dat Jezus aanheft.
- Vader: Deze aanspreking wordt in hoofdstuk 17 meermaals herhaald, zie verzen 5, 11, 21, 24 en 25. Het drukt de persoonlijke en intieme relatie van Jezus met God uit.
- nu is de tijd gekomen: Dit wil zeggen: het moment waarop Jezus zal teruggaan naar God (zie ook Joh. 13:1). Bij Johannes duidt het op de kruisdood, dat het moment is van Jezus’ verheerlijking en terugkeer naar zijn Vader. In die zin is het tevens het begin van een nieuwe (eschatologische) tijd. Tijd, hōra in het Grieks, wordt vaak letterlijk vertaald door ‘uur’.
- toon (…) de grootheid (…) uw grootheid tonen: Doxazō in het Grieks. Sommige vertalingen, zoals de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel, vertalen het woord hier met ‘verheerlijken’. Het gaat hier over het tonen wie Jezus in werkelijkheid is, namelijk de Zoon van God, alsook wie God werkelijk is. Het is door Jezus dat God zich aan de mensen laat zien en in wie mensen God kunnen herkennen. Dat deed Hij in zijn aardse leven (zie vs. 4). Hij is het Woord (logos) dat mens geworden is. Vaak wordt het tonen van de grootheid ook in verband gebracht met Jezus’ kruisdood. Het is in dat moment dat Jezus verheerlijkt zal worden en zijn grootsheid ten volle getoond zal worden. Eveneens zal in dat moment ook Gods grootsheid getoond worden. De grootsheid van God en die van Jezus zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Bij vers 2
- macht: Exousia in het Grieks. Het is een soort volmacht die Jezus over de mensen heeft die Hem tijdens zijn werken begeleid heeft. Jezus is degene die God representeert op aarde. In het vers wordt uitgelegd wat het doel is van die (vol)macht, namelijk om het eeuwige leven te schenken aan degenen die aan Jezus gegeven zijn. Op die manier is er een onderscheid tussen alle mensen (pasēs sarkos) en een uitverkoren groep (degenen die aan Jezus gegeven zijn).
Bij vers 3
- Het eeuwige leven: Dit wordt in vers 2 reeds vermeld en wordt hier uitgelegd. Het eeuwige leven omvat kennis hebben van God en Jezus. Het gaat niet over een leven na de dood maar een eeuwigdurend leven dat geschonken wordt door God te (h)erkennen in en door Jezus.
- kennen: Het gaat hier niet zozeer om intellectuele kennis van God en Jezus, maar eerder om de toewijding aan, en eenheid van de mens met God en Jezus door de aanvaarding dat God zichzelf door Jezus geopenbaard heeft.
Bij vers 4
- het werk: Het werk van de openbaring en de vervulling van Gods wil door Jezus.
Bij vers 5
- majesteit: In het Grieks staat er doxazō, wat in eerdere verzen in de NBV21 vertaald is als ‘grootheid tonen’.
- voordat de wereld bestond: Dit is een verwijzing naar de proloog van Johannes waarbij het Woord in het begin bij God aanwezig was.
Bij vers 6
- Ik heb uw naam bekendgemaakt: Met naam (to onoma) wordt de identiteit van God en zijn openbaring in de aansprekingen ‘Vader’ en de ‘Ik ben’-uitspraken in het Johannes-evangelie bedoeld. Jezus heeft dit bekendgemaakt in de werken die Hij tijdens zijn aardse leven gedaan heeft.
- Ze hebben uw woord bewaard: Degenen die God aan Jezus gegeven heeft, hebben de openbaring van God in Jezus erkend en aanvaard. Net zoals ‘kennen’ in vers 3, gaat het hier over een bepaalde levenswijze die gekenmerkt wordt door toewijding van de mens aan God.
Bij vers 9
- Vanaf vers 9 wordt er een nieuw gedeelte ingeluid. Jezus bidt niet meer voor zichzelf, maar bidt nu voor degenen die aan Hem door God gegeven zijn, namelijk de leerlingen.
Bij vers 10
- alles wat van Mij is (…) is van Mij: Opnieuw wordt de hechte band tussen Jezus en God vermeld. De relatie is zo innig dat er zo goed als geen onderscheid meer is.
- in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is: Het is door het geloof van de leerlingen in Jezus en in hun handelen dat zijn grootsheid zichtbaar werd.
Bij vers 11
- de wereld: Kosmos in het Grieks. Terwijl Jezus niet meer in de wereld is, blijven zijn leerlingen wel in de wereld achter. Op die manier wordt hier reeds verwezen naar de situatie na de opstanding.
- Heilige: De aanroep van God als ‘heilige Vader’ versterkt het priesterlijke karakter van de tekst. Waarschijnlijk is het woord ‘heilige’ hier ook bewust gebruikt om het contrast met de wereld aan te duiden. Het werkwoord ‘heiligen’ komt in vers 17 en vers 19 aan bod. In die verzen bidt Jezus dat God de leerlingen heiligt door de waarheid zoals Jezus zichzelf ook geheiligd heeft. Het gebruik van ‘heiligen’ in hoofdstuk 17 heeft er mede voor gezorgd dat men het hoofdstuk het hogepriesterlijk gebed is gaan noemen.
- bewaar hen door uw naam: Oftewel: ‘Behoed hen voor de zondigheid van de wereld’. Door Gods naam, wat samenvalt met zijn openbaring in Jezus en dus ook met zijn identiteit, worden de leerlingen beschermd tegen de wereld. In het Oude Testament is de naam van God, JHWH, een bron van zegen en bescherming (bijvoorbeeld Num. 6:24). Dat idee sluimert hier op de achtergrond. Ook Jezus zelf is verbonden aan de naam van God. In het Johannes-evangelie wordt dit duidelijk door de ‘Ik ben’-uitspraken. In Jezus openbaart God zichzelf en zijn ze als het ware één (zie hieronder).
- één: En in het Grieks. De oproep tot eenheid zoals de Vader en de Zoon één zijn, loopt als een rode draad door hoofdstuk 17 heen. Deze eenheid wordt vaak geïnterpreteerd als een eenheid die de opdracht heeft de kerk één te maken, een eenheid die gelijkaardig is met het paulinische beeld van het lichaam en de verschillende lichaamsdelen. Ook wordt er soms gesproken van een oecumenische eenheid of een missionaire eenheid. Echter, deze interpretaties zijn niet onmiddellijk uit de tekst af te leiden. Het enige wat gezegd kan worden is dat de eenheid die hier bedoeld wordt, dezelfde is als de eenheid tussen God en Jezus. In vers 21-23 ligt de nadruk op het doel dat Jezus voor ogen heeft in zijn gebed: het gaat erom dat de gelovigen worden opgenomen in de eenheid tussen de Vader en de Zoon, met als doel dat de wereld gelooft dat God Jezus gezonden heeft.
Bron: Willibrordvertaling 2012
Bij vers 12
- degene die al verloren was: Namelijk Judas, die hier niet bij naam genoemd wordt.
- de Schrift: Er wordt niet expliciet verwezen naar een oudtestamentische passage. Sommigen menen dat het hier gaat over Psalm 41:10, die ook in Johannes 13:18 aangehaald wordt in connectie met Judas. Sommigen menen dat het hier gaat over Jesaja 57:4 of LXX Spreuken 24:22a, waar het in beide gevallen gaat over de kinderen van de zonde.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
