Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Matteüs 26:1-13 – Preekinspiratie 

Waar gaat het om in dit gedeelte?

Matteüs 26:1-13 laat zien hoe Jezus bewust de overgang maakt van zijn onderwijs naar zijn lijden: Hij kondigt zelf het tijdstip van zijn overlevering aan. Daarna wordt het complot van de leiders voorgesteld als de menselijke kant van het naderende drama, terwijl de zalving door de vrouw juist het goddelijk perspectief opent, waarin Jezus’ dood wordt geduid als een betekenisvolle, liefdevol omarmde heilsweg. De passage plaatst verraad en toewijding, intrige en aanbidding, donkere voornemens en profetische vervulling direct naast elkaar om te tonen dat Jezus’ weg naar het kruis niet wordt bepaald door de plannen van mensen, maar door de wil van God. 

Klik om deze passage te lezen in de NBV21

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging

  • Jezus weet dat Hij gaat sterven en spreekt daar duidelijk over, maar Hij trekt zich niet terug; Hij blijft aanwezig, toegankelijk en geeft zich zelfs over aan de zalving van de vrouw. Zijn houding onthult een manier van leven die niet wordt bepaald door angst voor wat komt, maar door trouw aan zijn roeping. Durven wij te leven in het licht van onze eigen eindigheid? Wanneer vluchten wij? Wanneer gaan we juist open? 
  • De vrouw giet kostbare olie over Jezus heen. Dat is een daad van pure, overvloedige liefde. De discipelen reageren echter met berekenende redelijkheid en spreken over ‘verspilling’. Matteüs laat zien dat echte toewijding soms botsingen veroorzaakt met onze drang om alles functioneel, efficiënt en verklaarbaar te maken. Welke vormen van liefde vinden wij verspilling? Denk aan tijd, aandacht, middelen? 
  • Terwijl de leerlingen redeneren in termen van efficiëntie en nut (‘had dit niet beter besteed kunnen worden?’) laat de vrouw zien wat aanbidding werkelijk is: het goede doen voor Christus, zonder zichzelf in het centrum te plaatsen. Haar daad is een beeld van de kerk zoals Jezus die bedoelt: een gemeenschap die niet draait om eigen behoud, zichtbaarheid of effectiviteit, maar om de liefdevolle beweging naar Christus toe. Durven wij als kerk te leven vanuit overvloedige, soms onbegrijpelijke liefde voor onze Heer, ook wanneer dat botst met onze behoefte aan controle en doelmatigheid?  

Context bij Matteüs 26:1-13

Het boek Matteüs als geheel

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs.

Plek van deze passage in het geheel 

Matteüs 26:1‑13 vormt het scharnierpunt waarop het evangelie overgaat van Jezus’ openbare onderwijs naar het lijdensverhaal. Het gedeelte zet in één beweging zowel het verhaalkader als de theologische interpretatie van wat volgt klaar. In 26:1‑5 wordt met de slotformule van de eschatologische rede het onderwijsdeel afgesloten en kondigt Jezus zelf het tijdstip van zijn lijden aan, terwijl de samenzwering van de religieuze leiders het menselijke complot introduceert dat het passie­verhaal in gang zet. In 26:6‑13 wordt deze dreiging direct gecontrasteerd met de liefdevolle zalving in Betanië, waarin Jezus zijn naderende dood duidt als een betekenisvolle, door God bestuurde heilsdaad en de vrouw als modelleerling neerzet tegenover het onbegrip van de anderen. Zo fungeert 26:1‑13 als de literaire en theologische toegangspoort tot het lijdensverhaal: een dubbele scène die de dood van Jezus tegelijk als menselijk verraad en als goddelijke vervulling kadert. 

Opbouw en kern van de passage 

Matteüs 26:1-13 is een duidelijk tweeluik met een korte overgangsformule als scharnier: eerst (26:1-5) een compacte, bijna sobere narratieve inleiding op het lijdensverhaal, structureel opgebouwd uit (a) de slotformule ‘toen Jezus deze laatste rede beëindigd had’ als markering van een groot overgangspunt, (b) Jezus’ eigen, korte profetische aankondiging in directe rede, en (c) een beraadslagingsscène van de leiders die typisch strak en economisch verteld wordt (plaatsbepaling, samenkomst en besluitformule). Er zit ironie in deze scène, want het voornemen Jezus te doden wordt verteld net nadat Jezus zelf zijn dood heeft aangekondigd. Vervolgens (26:6-13) een uitgebreidere maaltijdscène rond de zalving in Betanië, gekenmerkt door vertraging, wisseling tussen handeling en directe rede, contrastwerking (leerlingen versus vrouw) en een afsluitende interpretatieve uitspraak van Jezus die functioneert als theologische climax. Deze twee delen worden literair bijeengehouden door een zorgvuldig contrast: menselijk complot tegenover liefdevolle toewijding.

De kern van Matteüs 26:1-13 is dat Jezus bewust de weg naar zijn lijden ingaat terwijl menselijk verraad en liefdevolle toewijding naast elkaar worden geplaatst. Zo wordt zijn naderende dood direct verstaan als zowel complot van mensen als onderdeel van Gods heilsplan. 

Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus, Lucas en Johannes 

De passage in Matteüs 26:1-13 is ook te vinden in Marcus 14:1-11 en Johannes 12:1-8. Ook parallel is Lucas 7:36-50, maar dat vindt op een ander moment plaats. Hieronder enkele belangrijke verschillen. 

  • Matteüs volgt duidelijk Marcus, maar verkort de scène, verkort de formuleringen en maakt het verhaal retorisch compacter. Johannes biedt juist een veel uitgebreidere, meer karaktergerichte versie en Lucas is thematisch en situationeel geheel anders. 
  • Matteüs’ versie volgt Marcus in de locatie: ‘in het huis van Simon – degene die aan een huidziekte had geleden’ (Mat. 26:6). Johannes plaatst de zalving bij Lazarus en zijn zussen (Joh. 12:1). Bij Lucas vindt de scène plaats bij een farizeeër genaamd Simon (Luc. 7:36). 
  • In Matteüs en Marcus blijft de vrouw anoniem. In Johannes 12:3 wordt zij expliciet Maria genoemd (de zus van Marta en Lazarus). Lucas typeert de vrouw als ‘een vrouw die in de stad bekendstond als zondares’ (Luc. 7:37). 
  • Matteüs laat de ‘leerlingen’ collectief morren (Mat. 26:8). Marcus spreekt van ‘sommige aanwezigen’ (Marc. 14:4). Johannes benoemt expliciet Judas Iskariot als degene die protesteert (met een motief van hebzucht). 
  • In Matteüs en Marcus zalft de vrouw het hoofd van Jezus, bij Lucas en Johannes zalft ze Jezus’ voeten. 
  • Alleen Matteüs en Marcus bevatten de uitspraak dat het verhaal van de vrouw ‘waar ook ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt’ verteld zal worden. Deze universele horizon ontbreekt in Johannes en Lucas. 
  • Alleen Matteüs koppelt de zalving aan een lijdensaankondiging: ‘Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden’ (Mat. 26:2). 

Aantekeningen per vers

Bij vers 1

Jezus met kostbare olie gebalsemd

1Toen Jezus deze laatste rede beëindigd had, zei Hij tegen zijn leerlingen:

Matteüs 26:1NBV21Open in de Bijbel

  • deze laatste rede: Letterlijk: ‘al deze woorden’. Dit verwijst waarschijnlijk niet alleen naar de woorden van Matteüs 25, maar naar het onderwijs uit het hele evangelie. Ook speelt hier een mozaïsch motief. In Deuteronomium (LXX) vinden we ook de frase ‘al deze woorden’ (pantas tous logous; 31:1, 24; 32:45). 
  • zei Hij tegen zijn leerlingen: De locatie is nog steeds de Olijfberg (Mat. 24:3). 

Bij vers 2 

2‘Over twee dagen is het, zoals jullie weten, Pesach. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’

Matteüs 26:2NBV21Open in de Bijbel

  • Over twee dagen is het, zoals jullie weten, Pesach: Evenals Marcus plaatst Matteüs deze uitspraak op de dertiende van de maand nisan. Dat Jezus zijn lijden koppelt aan Pesach is natuurlijk onderdeel van Matteüs’ nieuwe exodusmotief, aangezien het pesachfeest de herdenking is van de bevrijding van de Israëlieten uit Egypte. 
  • Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden: Een parallel vinden we in Matteüs 20:18-19. Jezus weet precies wat er gaat komen. Matteüs is de enige die in de voorspellingen van Jezus’ dood de kruisiging bij name noemt. 
  • gekruisigd te worden: Kruisiging was een executiemethode: iemand kon levend of na zijn dood worden opgehangen, vastgebonden of vastgenageld, met of zonder dwarsbalk, rechtop, zijwaarts of zelfs ondersteboven, en Romeinen pasten deze straf toe op zeer uiteenlopende groepen: slaafgemaakten, vrouwen, niet-Romeinen en soms zelfs Romeinse burgers. De straf draaide om vernedering, ontmenselijking en publieke bestraffing. Voor Joden speelde daarbij ook nog de vervloeking door God (naar aanleiding van Deut. 21:23). 
  • uitgeleverd: Het Griekse paradidōmi wordt hier dubbelzinnig gebruikt. Narratief gezien wordt Jezus door zijn volksgenoten uitgeleverd aan Pilatus, maar theologisch gezien is dit het goddelijke plan waarin Jezus niet slachtoffer is, maar bewust de weg ingaat die de Schrift voorzegt. Paradidōmi is een motief dat de hele passie draagt: het komt terug bij Judas’ beslissing (vs. 16), bij het verraad zelf (vs. 21, 23, 24), bij de arrestatie (vs. 45-46) en bij het overgeven aan Pilatus (27:2). 

Bij vers 3

3Ondertussen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het huis van de hogepriester, Kajafas.

Matteüs 26:3NBV21Open in de Bijbel

  • de hogepriesters: De term hoi archiereis duidt niet op meerdere hogepriesters in functie (er was er maar één in functie tegelijk), maar de leidende priesterlijke elite. De hogepriester was de feitelijke leider van het volk, bij afwezigheid van een koning.
  • de oudsten van het volk: Matteüs noemt hen steevast schriftgeleerden en hogepriesters (16:21; 21:23; 26:47; 27:1). Opvallend genoeg worden de farizeeën hier niet genoemd. Ze spelen in Jezus’ passieverhaal géén rol. 
  • huis: Het huis was waarschijnlijk een groot aristocratisch huis met een binnenplaats, maar geen koninklijk paleis. (De HSV geeft aulē wel weer met ‘paleis’.)  
  • Kajafas: Waarschijnlijk hogepriester van 18-36 na Christus. De Joodse geschiedschrijver Josephus meldt dat hij werd afgezet door de Syrische legaat Vitellius, maar zegt niet waarom.   

Bij vers 4 

4Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list gevangen te nemen en Hem te doden.

Matteüs 26:4NBV21Open in de Bijbel

  • Daar beraamden (…) Hem te doden: Matteüs laat zien dat het menselijke complot precies die werkelijkheid in gang zet die Jezus zelf al heeft voorzegd, waardoor vers 4 functioneert als de vervulling van de profetische uitspraak in vers 2. 

Bij vers 5 

5‘Maar niet op het feest,’ zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’

Matteüs 26:5NBV21Open in de Bijbel

  • Maar niet op het feest: Hoewel de leiders Jezus niet op het feest gevangen willen nemen, zal dat toch gebeuren, omdat Judas hun die mogelijkheid biedt tijdens het feest. Zo zal Jezus’ profetie ‘over twee dagen’, dus tijdens het feest, toch in vervulling gaan.  
  • want dan komt het volk in opstand: Religieuze feesten in Jeruzalem waren zeer gespannen, omdat er dan ook juist een anti-Romeins sentiment kon ontstaan en de sfeer snel kon omslaan. Wellicht konden de leiders ook denken aan de Galileeërs, die ook naar Jeruzalem kwamen en die misschien aan Jezus’ kant stonden. Dat er maatregelen werden genomen zien we ook in de vorm van Pilatus’ aanwezigheid (zie verderop in het passieverhaal), die normaal gesproken in Caesarea Maritima verbleef, maar met feesten naar Jeruzalem trok om een oogje in het zeil te houden.

Bij vers 6-7 

6-7Toen Jezus in Betanië in het huis van Simon – degene die aan een huidziekte had geleden – aanlag voor de maaltijd, kwam er een vrouw naar Hem toe. Ze had een albasten flesje met zeer kostbare olie bij zich en goot die uit over zijn hoofd.

Matteüs 26:6-7NBV21Open in de Bijbel

  • Betanië: Dit was een dorp net buiten Jeruzalem aan de oostelijke helling van de Olijfberg, waarschijnlijk ongeveer drie kilometer van de stad verwijderd, en fungeerde in de evangelietraditie als een vertrouwde verblijfplaats voor Jezus in de dagen rond zijn laatste Pesach. 
  • in het huis van Simon – degene die aan een huidziekte had geleden: Deze Simon is geen bekende, maar wordt aangeduid met de ziekte die hij had (gehad). Deze Simon was iemand die eerder aan een huidziekte leed, maar inmiddels kennelijk weer volledig geïntegreerd is, want hij ontvangt gasten in zijn huis. Dat zou niet onmogelijk, maar erg onpraktisch zijn als hij op dat moment cultisch onrein was. Want door het contact met iemand met een onrein makende huidziekte zouden mensen niet meer tijdens het feest naar de tempel kunnen gaan. Het lijden van Jezus wordt dus voorbereid in het huis van een tsara’at (iemand met een onrein makende huidziekte). De ziekte werd geassocieerd met de dood en zijn genezing als terugkeer naar het rijk van het leven. 
  • aanlag voor de maaltijd: Aanliggen vond plaats aan een tafel van ongeveer dertig centimeter hoog. De mensen lagen op hun linkerzijde om de tafel heen. Ze steunden op hun linkerelleboog en aten met hun rechterhand. Hun benen hielden ze gebogen naar achteren. 
  • kwam er een vrouw naar Hem toe: Uit het niets komt er een vrouw naar Hem toe en neemt plaats achter Jezus (bij zijn voeten). Waar ze vandaan komt, wie ze is, en hoe ze binnenkomt, wordt niet vermeld, alleen dat ze gericht is op Jezus. 
  • albasten flesje: Albast is een kalksteensoort en albasten flesjes werden vaak gebruikt om olie of balsem in te bewaren. Ze hadden vaak een zeer dunne hals omdat men dacht dat daardoor de geur beter bewaard werd. Door de dunne hals kwam de olie er vaak druppelsgewijs uit. 
  • zeer kostbare olie: Het Griekse myron wijst op mirre, maar werd ook gebruikt om andere geurige oliën aan te duiden. Matteüs laat de waarde weg (meer dan 300 denarie), en Marcus en Johannes spreken van nardusolie (dure parfum geïmporteerd uit India). 
  • goot die uit over zijn hoofd: Het uitgieten van (kostbare) olie is in de Hebreeuwse Bijbel een prominent beeld voor de goddelijke roeping van koningen en priesters (zie o.a. 1 Sam. 10:1; 16:3; 2 Kon. 9:6; Ps. 133:2). Matteüs’ eerste lezers zouden zeker aan een messiaans figuur denken. De intenties van de vrouw zijn onbekend en alleen Jezus’ interpretatie van deze daad kan het duiden (zie vs. 12). 

Bij vers 8-9 

8De leerlingen ergerden zich toen ze dit zagen en zeiden: ‘Wat een verspilling! 9Die olie had immers duur verkocht kunnen worden, en dan hadden we het geld aan de armen kunnen geven.’

Matteüs 26:8-9NBV21Open in de Bijbel

  • De leerlingen ergerden zich toen ze dit zagen: De leerlingen zien het gebeuren, maar grijpen niet in. Ze becommentariëren het gebeuren alleen. 
  • dan hadden we het geld aan de armen kunnen geven: Sommige rabbijnse bronnen noemen het verkopen van luxeartikelen om voor de armen te kunnen zorgen een verplichting. Pesach gold als een moment om iets uit barmhartigheid te geven.

Bij vers 10 

10Jezus hoorde het en zei: ‘Waarom vallen jullie deze vrouw lastig? Zij heeft iets goeds voor Mij gedaan.

Matteüs 26:10NBV21Open in de Bijbel

  • Waarom vallen jullie deze vrouw lastig?: Voor Jezus staat het verwijt van de verspilling gelijk aan het lastigvallen van de vrouw. 
  • Zij heeft iets goeds voor Mij gedaan: Hoewel kalos in Matteüs vaak als equivalent van agathos wordt gebruikt, kan het ook een sterke esthetische waarde hebben, zoals ‘prachtig’, ‘mooi’. Wanneer men zo vertaalt, komt het contrast tussen het oordeel van de leerlingen en de handelingen van de vrouw sterker naar voren.  

Bij vers 11 

11Want de armen zijn altijd bij jullie, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.

Matteüs 26:11NBV21Open in de Bijbel

  • Want de armen zijn altijd bij jullie: De woorden van Jezus zijn vrijwel een direct citaat uit Deuteronomium 15:11: ‘Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.’ Dit is geen fatalisme, maar een opdracht. Jezus contrasteert de eenmalige en unieke gebeurtenis die zich voor de ogen van de leerlingen afspeelt met de blijvende opdracht om steeds weer te zorgen voor de armen. 
  • maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn: Jezus verdedigt haar daad; Hij zal sterven en er niet meer zijn, daarom krijgt de handeling van de vrouw prioriteit.  

Bij vers 12 

12Door die olie over Mij uit te gieten, heeft ze mijn lichaam voorbereid op het graf.

Matteüs 26:12NBV21Open in de Bijbel

  • heeft ze mijn lichaam voorbereid op het graf: Jezus interpreteert de daad van de vrouw als een voorbereiding op zijn dood, want Joden zalfden de lichamen voorafgaand aan de begrafenis. Wellicht had de vrouw weet van Jezus’ profetie over zijn dood en dacht ze eraan om Hem alvast te zalven met geurige olie (vaak werd gekruisigden een begrafenis ontzegd). In Johannes wordt de overleden Jezus met veel olie en balsem begraven, maar in Marcus willen de vrouwen dat op de dag na de sabbat doen, wanneer Jezus al in het graf ligt. In Matteüs wordt de overleden Jezus niet gebalsemd, niet voor de begrafenis en niet erna. 

Bij vers 13 

13Ik verzeker jullie: waar ook ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’

Matteüs 26:13NBV21Open in de Bijbel

  • Ik verzeker jullie (…) zij heeft gedaan: Net als Jezus’ uitspraak in 24:14 impliceert dit een wereldwijde verspreiding van het evangelie. De woorden lopen vooruit op Jezus’ zendingsopdracht in Matteüs 28:19-20. En het is zeker een vooruitblik naar Jezus’ opstanding, want als het over Jezus’ dood gaat, hoe kan het dan goed nieuws zijn? De zalving van Jezus door de vrouw wordt dus opgenomen in het verhaal over het goede nieuws dat Jezus het volk van hun zonden bevrijdt en dat er een nieuwe Mozes is opgestaan, en alles wat Hij geleerd heeft, moet onderwezen worden, niet alleen aan de Joden, maar tot aan de einden van de aarde.

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.41.0
Volg ons