Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Matteüs 9:35-10:15 – Preekinspiratie

Waar gaat het om in dit gedeelte?

Matteüs 9:35-10:15 beschrijft hoe Jezus rondgaat om te onderwijzen, het evangelie van het koninkrijk verkondigt en zieken geneest, terwijl Hij bewogen raakt door de nood van de mensen, die zijn als schapen zonder herder. Jezus wil hen bereiken, maar zijn missie komt arbeiders tekort en schakelt daarom apostelen in. Daarbij geeft Hij hun instructies mee. In dit evangelie betekent Jezus volgen deelnemen aan zijn missie. 

Klik om Matteüs 9:35-38 te lezen in de NBV21

Klik om Matteüs 10:1-15 te lezen in de NBV21

Hier en hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier en hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging

  • De oogst is groot. Dat zegt Jezus hier in Matteüs. Het lijkt erop dat ook nu de oogst veel groter is dan de kerk – de oogst is immers van de ‘eigenaar’, God. Mensen komen via de sociale media in contact met de boodschap van het goede nieuws en regelmatig lezen we over bekeerlingen. Wat spreekt hen aan, wat maakt hen tot ‘oogst’? Wat doen wij ermee dat er kennelijk mensen, met name jongeren, ‘rijp’ zijn en openstaan voor het evangelie?
  • Jezus geeft zijn leerlingen de macht of autoriteit om onreine geesten of demonen uit te drijven. Dat is iets wat voor velen van ons vreemd overkomt. Maar wat als we de demonen niet als gehoornde duiveltjes bezien, maar als machten die ons gevangen willen houden, zoals de techniek, de machten van het neokapitalisme, de machten van de (schijn)zekerheid en de social media die ons beïnvloeden, die door de technologie invloedrijker zijn dan ooit. Je zou Jezus’ opdracht kunnen herformuleren als: spreek je in Jezus’ naam uit tegen de destructieve invloedssferen en geef zelf het voorbeeld door hierin stappen te zetten. Durven wij dat? Spreekt die missie ons aan?
  • Jezus’ opdracht aan de apostelen is heel specifiek. Zij moesten rondgaan in de steden en dorpen van Israël om het goede nieuws te verkondigen. Aan het einde van Matteüs roept Jezus op om iedereen zijn leerling te maken en te onderwijzen wat Hij leerde. De oogst is dus groot, maar de opdracht is omlijnd en afgestemd op de situatie. Jezus sprak deze woorden bijna tweeduizend jaar geleden; hoe zouden wij die opdracht tot het verspreiden van het goede nieuws kunnen invullen?

Context van Matteüs 9:35-10:15 

Het boek Matteüs als geheel

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs.

Plek van deze passage in het geheel 

Matteüs 9:35-10:15 is de inleiding tot de zogenaamde zendingsrede (10:5-10:42; 11:1 is het nawoord). Deze zendingsrede vormt de tweede van de vijf grote redevoeringen in Matteüs. In de afleveringen van Preekinspiratie wordt de hele zendingsrede behandeld. Dit is het eerste deel daarvan. Voorafgaand aan de zendingsrede vinden we Jezus in Kafarnaüm, waar Hij discussieert met farizeeën en allerlei wonderen doet. Wat volgt in 9:35 is een overgangsvers: Jezus trekt verder door de dorpen en steden. Hij ziet dat de mensen ‘uitgeput en hulpeloos’ zijn, en roept zijn leerlingen op om te bidden om meer arbeiders. Vervolgens geeft hij de leerlingen instructies (10:5-10:42). Daarna gaat Jezus verder en is er een ontmoeting met leerlingen van Johannes. Dit alles vindt plaats in Galilea en omstreken.

Opbouw en kern van de passage 

De passage Matteüs 9:35-10:15 heeft een duidelijke, geleidelijke opbouw in vier delen:

  • 9:35-38: Jezus trekt rond, onderwijst, verkondigt en geneest, terwijl Hij met ontferming naar de mensen kijkt; dit mondt uit in de oproep om te bidden om arbeiders voor de oogst. Dit is de samenvattende afsluiting van de hoofdstukken 5-9 en de opmaat voor de zendingsrede om de leerlingen eropuit te sturen.
  • 10:1-4: Jezus roept de twaalf leerlingen bij zich, geeft hun volmacht over demonen en ziekten, en noemt de apostelen expliciet bij naam.
  • 10:5-8: Hij zendt hen uit met specifieke instructies: ze moeten naar Israël gaan (niet naar heidenen of Samaritanen), het koninkrijk verkondigen en dezelfde genezende en bevrijdende werken doen.
  • 10:9-15: Jezus geeft richtlijnen over eenvoud en afhankelijkheid (geen voorraden meenemen), gastvrijheid zoeken, vrede wensen, en hoe te handelen als men niet ontvangen wordt – inclusief het symbolische stof van de voeten schudden en de waarschuwing voor oordeel.

De kern van deze passage is dat Jezus, bewogen door de geestelijke nood van de mensen, zijn leerlingen roept en uitzendt om zijn verkondiging en zorg voort te zetten, in afhankelijkheid van God en met verantwoordelijkheid voor de reactie op hun boodschap. In het Evangelie volgens Matteüs is het volgen van Jezus nauw verbonden met Jezus’ eigen missie om verloren schapen thuis te brengen.

Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus en Lucas 

Delen van Matteüs 9:35-10:15 hebben een parallel op twee plaatsen in Lucas:

  • Lucas 10:1-12 lijkt het meest op Matteüs 10:5-15. Hier zendt Jezus (niet twaalf maar) zeventig/tweeënzeventig leerlingen uit, met vergelijkbare (maar toch ook andere) instructies: verkondiging van het koninkrijk, geen extra bagage meenemen, afhankelijkheid van gastvrijheid, vrede wensen en omgaan met afwijzing. Door de details in Lucas’ versie wordt vaak aangenomen dat dit meer aansluit bij Lucas’ idee van Jezus, die onder andere als rondtrekkende filosoof geportretteerd wordt. Matteüs’ versie sluit meer aan bij de Joodse rondtrekkende leraren.
  • Lucas 9:1-6 staat dichter bij het begin van Matteüs 10, waar de twaalf worden uitgezonden met macht over demonen en ziekten, inclusief vergelijkbare praktische richtlijnen.

Het motief van Jezus’ ontferming over de menigte (Mat. 9:35-38) komt in Lucas ook terug, maar verspreid (bijv. Luc. 4:43; 8:1; 10:2), niet als precies dezelfde inleiding.

Aantekeningen per vers

Bij vers 35 

Uitzending van de twaalf leerlingen

35Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal.

Matteüs 9:35NBV21Open in de Bijbel

  • Jezus trok rond langs alle steden en dorpen: Dit vers lijkt sterk op Matteüs 4:23; vlak voor Jezus zijn onderwijs zal geven. De verwijzing naar steden en dorpen is een vooruitwijzing naar 10:11, waar de leerlingen net zoals hun meester rondtrekken om het goede nieuws te vertellen. 
  • Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen: In de context van Jezus waren synagogen niet noodzakelijk gebouwen met een godsdienstige functie, maar kan het ook gaan om dorpssamenkomsten. Met mensen bedoelt Matteüs het volk Israël. 
  • verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk: Na 4:23 de tweede keer dat Matteüs het woord euangelion (goede nieuws) gebruikt. Beide keren wordt een samenvatting gegeven van Jezus’ onderwijs, en in 24:14 en 26:13 gaat het over de boodschap die de kerk moet verkondigen na Jezus’ dood. Matteüs neemt euangelion steeds over van Marcus, maar maakt het specifiek door de toevoeging van ‘over het koninkrijk’ of ‘dit’. Matteüs kent dus niet ‘het evangelie’ als christelijke term op zichzelf, maar gebruikt het in de betekenis van ‘goed nieuws’. ‘Koninkrijk’ is de vertaling van basileia, een woord dat niet alleen een bepaald gebied of een ruimte aanduidt, maar ook ‘koningschap’ of ‘heerschappij’, namelijk van God.  
  • en genas iedere ziekte en elke kwaal: Dit dient niet letterlijk genomen te worden, alsof het hier om aantallen gaat. We zien ook dat Jezus naar ‘alle’ steden en dorpen ging, maar dat is een generalisatie; Jezus ging bijvoorbeeld waarschijnlijk niet naar de overwegend heidense steden Sepphoris en Sidon, die ook in Galilea lagen. Zo duidt ‘iedere’ (pasan) hier op een succesvolle rondtocht met genezingen. 

Bij vers 36 

36Toen Hij de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen, omdat ze uitgeput en hulpeloos waren, als schapen zonder herder.

Matteüs 9:36NBV21Open in de Bijbel

  • Toen Hij de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen: Het medelijden van Jezus wordt weergegeven met het Griekse woord splanchnizomai. Het betekent: medelijden of mededogen ervaren. Volgens een populaire theologische theorie gaat het niet ‘slechts’ om een gevoel, maar om een innerlijke beweging die in beweging zet. Maar deze theorie ontbeert een taalkundige grond. Meer hierover valt te lezen in het artikel van Gert Knepper, ‘Medelijden of bewegende ingewanden?’ (pdf).  
  • omdat ze uitgeput en hulpeloos waren, als schapen zonder herder: Het metaforisch taalgebruik van schaap/herder vinden we veelvuldig terug in het Oude Testament (bijv. Ezech. 34:1-16; Num. 27:17-18; 1 Kon. 22:17), meestal over God en zijn volk, maar ook menselijk leiderschap voor het volk. In Matteüs 2:6 komt deze metafoor in zekere zin terug in de profetie over Betlehem: er komt een leider die het volk ‘hoedt’. Het idee van ‘schapen zonder herder’ komt verderop in 10:6 terug, als de leerlingen tot de ‘verloren schapen van Israël’ worden gezonden (zie ook 15:24 en 18:12-14).  

Bij vers 37 

37Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders.

Matteüs 9:37NBV21Open in de Bijbel

  • De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders: In rabbijnse bronnen vinden we eenzelfde soort metafoor: ‘Het werk is veel, maar de arbeiders zijn lui (…) de Meester dringt aan. Met de oogst worden de ‘uitgeputte en hulpeloze’ mensen uit vers 36 bedoeld. Hoewel ‘oogst’ ook wel in beelden over het oordeel wordt gebruikt (bijv. Mat. 13:24-30, 36-43), is dat hier niet de betekenis. Evenals de vissers-van-mensenmetafoor in 4:19, gaat het hier om het binnenhalen van mensen in het koninkrijk van God, of hen onder zijn heerschappij stellen. Dat er weinig arbeiders zijn, is een understatement; Jezus is tot dan toe de enige. 

Bij vers 38 

38Vraag dus de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’

Matteüs 9:38NBV21Open in de Bijbel

  • Vraag dus de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen: God wordt impliciet voorgesteld als de ‘eigenaar van de oogst’ (letterlijk: ‘de Heer van de oogst’), wat benadrukt dat de oogst Hem toebehoort en dat het initiatief en de autoriteit bij Hem liggen; de arbeiders zijn degenen die door Hem geroepen en gezonden worden (in de context direct de leerlingen), en hun rol is niet om zelf de oogst te creëren, maar om die onder Gods leiding ‘binnen te halen’ door verkondiging en handelen in Jezus’ naam, precies wat in Matteüs 10 concreet wordt uitgewerkt. 

Bij 10:1 

1Daarop riep Hij zijn twaalf leerlingen bij zich en Hij gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.
Matteüs 10:1NBV21Open in de Bijbel

  • twaalf: Matteüs introduceert hier de twaalf leerlingen voor het eerst. Vanaf 4:23 is het Jezus die de enige handelende persoon is; nu komen de leerlingen aan de beurt. Het getal twaalf is natuurlijk belangrijk, aangezien het een verwijzing is naar de twaalf stammen van Israël. De twaalf staan dus ook symbool voor heel Israël – waar ze ook als eerste moeten verkondigen (10:5-6). 
  • Hij gaf hun de macht: Zowel onreine geesten uitdrijven als genezen van zieken werd gezien als ingegeven door bovenmenselijke krachten, daarom geeft Jezus hun macht (exousia) – Jezus zegt aan het einde, wanneer Hij de leerlingen uitzendt naar de wereld: ‘Mij is alle macht (exousia) gegeven in de hemel en op de aarde’ (Mat. 28:18). 

Bij vers 2 

2Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes,

Matteüs 10:2NBV21Open in de Bijbel

  • Dit zijn de namen: Het Griekse ‘ta onomata (…) tauta’ wordt door sommige geleerden in verband gebracht met de eerste woorden van Exodus (1:1), ‘Dit zijn de namen’: Exodus begint met een lijst van Israëls stamvaders (de zonen van Jakob die het volk vormen). Matteüs introduceert de twaalf hier als het begin van het eschatologische volk van God.
  • apostelen: Dit is de enige keer dat Matteüs het woord apostolos gebruikt om de twaalf leerlingen aan te duiden. Apostolos is een afgeleide van het werkwoord apostellō, zenden, sturen – wat Jezus ook doet. 
  • als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt: Petrus heeft een prominente plek in het evangelie naar Matteüs en treedt regelmatig op als vertegenwoordiger van de leerlingen. Het is dan ook niet gek dat hij als eerste wordt genoemd. 

Bij vers 3-4 

3Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4Simon Kananeüs en ten slotte Judas Iskariot, die Hem zou uitleveren.

Matteüs 10:3-4NBV21Open in de Bijbel

  • Bartolomeüs, Tomas, Jakobus (de zoon van Alfeüs), Taddeüs en Simon Kananeüs worden alleen op deze plek in het Matteüs-evangelie genoemd. Het gaat Matteüs vooral om het collectief van de twaalf. 
  • ten slotte Judas Iskariot, die Hem zou uitleveren: Zoals Petrus, de voornaamste leerling, als eerste wordt genoemd, wordt de beruchte Judas, die Jezus zou uitleveren, wat bij iedere christen bekend was en is, als laatste genoemd. De herkomst van de naam Iskariot is onzeker, vandaar dat in de vroegste manuscripten allerlei variaties in spelling te vinden zijn. 

Bij vers 5  

5Dit waren de twaalf die Jezus uitzond, en Hij gaf hun de volgende instructies: ‘Neem niet de weg naar de heidenen en ga geen Samaritaanse stad binnen.

Matteüs 10:5NBV21Open in de Bijbel

  • Neem niet de weg naar de heidenen: Jezus beperkt de missie tot de Joden; Matteüs 28:19 breidt die uit tot de heidenen.
  • Samaritaanse: Joden en Samaritanen koesterden wrok en bitterheid ten opzichte van elkaar (zie Luc. 9:51-56; 10:29-37; Joh. 4:9; Josephus, Bell. 1.63; Ant. 18.29-35; 20.118-136).

Bij vers 6 

6Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël

Matteüs 10:6NBV21Open in de Bijbel

  • volk van Israël: Letterlijk: ‘huis van Israël’. Het woord ‘huis’ (oikos) roept de gedachte op van een familie- of verbondsgemeenschap: Israël is niet alleen een etnisch volk, maar het ‘huisgezin’ van God, met wie Hij een bijzondere, verbondsmatige relatie heeft – zij moeten gezocht worden. Het is een hersteloperatie. 

Bij vers 7 

7en verkondig hun dat het koninkrijk van de hemel nabij is.

Matteüs 10:7NBV21Open in de Bijbel

  • verkondig hun dat het koninkrijk van de hemel nabij is: Deze boodschap is exact dezelfde als die van Johannes de Doper (3:2) en die van Jezus zelf (4:17). Het is een boodschap die ze moeten verkondigen terwijl ze op reis zijn; ze zijn rondtrekkende predikers, zonder uitvalsbasis. 

Bij vers 8 

8Genees zieken en wek doden op, reinig mensen die door een huidziekte onrein zijn, en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!

Matteüs 10:8NBV21Open in de Bijbel

  • Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven: Omdat de kracht en de macht om te genezen van God komt, moeten de leerlingen dit ook uitdelen. Hier vinden we een oproep om te geven zonder voorwaarden. 

Bij vers 9 

9Neem geen geld aan, geen gouden, zilveren of koperen munten voor in je gordel,

Matteüs 10:9NBV21Open in de Bijbel

  • Neem geen geld aan, geen gouden, zilveren of koperen munten voor in je gordel: Matteüs neemt deze passage uit Marcus over (6:8-9) maar voegt ‘goud’ en ‘zilver’ toe. Volgens sommige geleerden duidt dit (in aanvulling met andere redenen) aan dat Matteüs voor een meer stedelijk publiek schrijft. Het doel van het verbod is natuurlijk dat de leerlingen van de gastvrijheid moeten leven, iets wat heel normaal was voor rondtrekkende predikers, hoewel er ook wel bronnen zijn die spreken over storende bedelende predikers. 

Bij vers 10 

10vraag geen reistas mee voor onderweg, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want de arbeider is zijn brood waard.

Matteüs 10:10NBV21Open in de Bijbel

  • vraag geen reistas mee voor onderweg, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want de arbeider is zijn brood waard: De leerlingen moeten compleet afhankelijk zijn van wat ze gegeven wordt; de implicatie is dat wanneer ze doen wat moet, ze ook worden vergoed. Opvallend is dat ze überhaupt geen sandalen mogen meenemen (ook in Lucas); de leerlingen lopen dus blootsvoets te verkondigen. Net als het ontbreken van de stok ter verdediging symboliseert dit het grote vertrouwen op God dat ze bij hun missie moeten hebben: ze zullen zich (als het ware) aan geen steen stoten. 

Bij vers 11 

11In elke stad en in elk dorp waar je komt, moet je uitzoeken wie het waard is je te ontvangen; blijf daar dan tot je weer verdergaat.

Matteüs 10:11NBV21Open in de Bijbel

  • uitzoeken: Waarschijnlijk waren er al sympathisanten van Jezus in het gebied, aangezien Jezus daar al heeft verkondigd. Daarom moeten de leerlingen uitzoeken wie van hen gastvrijheid wil bieden. 

Bij vers 12-13 

12Groet de bewoners van het huis dat je binnengaat. 13Laat jullie vrede over dat huis komen als het dat waard is, maar als het dat niet waard is, laat dan die vrede naar je terugkeren.

Matteüs 10:12-13NBV21Open in de Bijbel

  • Groet de bewoners van het huis: Dit is het equivalent van de groet ‘Vrede voor dit huis’, zoals Lucas dat ook weergeeft (Luc. 10:5). Dit is een begroeting die teruggaat op het Oude Testament (Ex. 18:7; Recht. 18:15), maar hier in eschatologisch licht komt te staan: het is de vrede van het koninkrijk van God. 
  • laat dan die vrede naar je terugkeren: De leerlingen kunnen, als de bewoners het waard zijn, hun vrede geven. Maar die vrede kan ook terugkeren wanneer de bewoners het niet waard zijn. Het is aan de ontvangers om te bepalen of ze de vrede krijgen. 

Bij vers 14 

14En als ze je niet willen ontvangen noch naar je woorden willen luisteren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten.

Matteüs 10:14NBV21Open in de Bijbel

  • schud het stof van je voeten: De leerlingen moeten de boodschap van het koninkrijk vertellen, maar als ze geen gehoor krijgen (maar hoelang ze moeten proberen is niet duidelijk), moeten ze het stof van hun voeten schudden; dat is een publiekelijk teken voor het verbreken van de gemeenschap en de verantwoordelijkheid bij de ander leggen (zoals het handen wassen van Pilatus in 27:24).  

Bij vers 15 

15Ik verzeker jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan dat van die stad.

Matteüs 10:15NBV21Open in de Bijbel

  • op de dag van het oordeel zal het lot van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan dat van die stad: Sodom en Gomorra waren in de Bijbelse traditie het toonbeeld van slechtheid; alles wat gebeurde was kwaad in Gods ogen (Gen. 13:13; 18:20; 19) en ze werden door God vernietigd. Het kwaad kon niet bestaan. Ook dienen ze bij de profeten als waarschuwing voor het lot van zondaars (bijv. Jes. 1:9; 13:19; Jer. 23:14; 50:40). Wat Jezus hiermee bedoelt is dat het een ongekende eer is om de boodschap van de leerlingen te horen, en wanneer de boodschap wordt verworpen, is dit ook ongekend en zullen er ook consequenties aan verbonden zijn; het lot zal erger zijn dan vernietiging.  

Achtergrondinformatie 

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Verdieping bij thema’s

  • Gert Knepper, ‘Medelijden of bewegende ingewanden?’ in: Met Andere Woorden 32/2 (juni 2013), 2-9 (pdf).

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons