Johannes 14:1-14 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Johannes 14:1-14 laat Jezus zijn leerlingen bemoedigen in een moment van verwarring en angst: Hij verzekert hun dat er bij de Vader ruimte voor hen is en dat Hijzelf de weg daarheen is. Wanneer Tomas en Filippus vragen om duidelijkheid, maakt Jezus zichtbaar dat wie Hem ziet, de Vader ziet, omdat Hij één is met de Vader en zijn daden daarvan getuigen. In deze woorden klinkt zowel troost als roeping: de leerlingen worden uitgenodigd om op Jezus te vertrouwen, zijn weg te gaan en in zijn naam te bidden, met de belofte dat Hij hen zal horen en dat zijn werk door hen heen verder zal gaan.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Jezus gaat naar de Vader om ‘veel kamers’ klaar te maken; dan komt Hij terug (vs. 3). Dat is een troostende belofte – maar het is niet de bedoeling dat we ‘precies weten hoe het zit’. Want de vraag naar de weg daarnaartoe wordt door Jezus terugverwezen door op zichzelf als de weg te wijzen. Onze taak is dus te leven in verbinding met Jezus. Hoe geven we dat in de praktijk vorm?
- Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij (vs. 6) wordt door sommige niet-christenen als aanstootgevend gezien, omdat het een exclusiviteit met zich meedraagt. ‘Hoe zit het dan met mensen die nooit van Jezus hebben gehoord?’ vraagt men dan. De woorden zijn een uitdrukking van eenheid binnen de gemeenschap. Christenen onderscheiden zich van anderen door zich ten volle aan Jezus te verbinden; in een wereld vol destructieve machten, verleidingen en angstige gevoelens kunnen we onszelf aan Jezus verbinden. Niemand, geen macht of wat dan ook, kan ons het echte leven geven en de Vader doen zien.
- We zullen grotere werken doen dan Jezus (vs. 12). Dat is nogal een uitspraak. Maar toch is het waar, en door de Geest kan het Woord nog meer verspreid worden dan toen Jezus op aarde was. Wij als gelovigen worden daarin meegenomen en mogen die ‘grotere’ dingen doen. Niet alleen wondertekenen, hoewel die ook kunnen leiden tot geloof (20:31), maar vooral het verspreiden van het Woord, het doen van zijn geboden (elkaar liefhebben) en ons leven geven voor anderen.
- Een spannende belofte is dat Jezus zal doen wat wij vragen in zijn naam (vs. 13-14). Maar, geloven we dat nog? Vaak worden we met de neus op de feiten gedrukt en lijkt het alsof onze gebeden niet verhoord worden. Op wat voor manier kunnen we in eenheid met Jezus en de Vader om dingen vragen die tot eer van de Vader zijn?
Context van Johannes 14:1-14
Het boek Johannes als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Johannes vind je in deze inleiding op het Evangelie volgens Johannes
Het Johannes-evangelie is op veel plekken heel anders dan Matteüs, Marcus en Lucas. Zo zijn veel verhalen uit Johannes niet te vinden in de andere evangeliën. Johannes 14:1-14 ook niet. Voor meer informatie over de relatie met de synoptische evangeliën: www.debijbel.nl/wereld-van-de-bijbel/kennis-achtergronden/canon/johannes-en-de-synoptici
Plek van deze passage in het geheel
Johannes 1:19-12:50 wordt gezien als het eerste deel van het Johannes-evangelie: het boek van de tekenen (sēmeia). Johannes 13-21 wordt gezien als het boek van heerlijkheid (doxa). In het eerste boek worden zeven tekenen verteld om de heerlijkheid van Jezus te laten zien. Johannes 14:1-14 is onderdeel van de zogenoemde laatste ontmoetingen met de zijnen (dit wordt vaak de afscheidsrede genoemd vanaf hoofdstuk 13, maar die is eigenlijk pas vanaf Joh. 14:1). Daarin bereidt Jezus zijn leerlingen voor op zijn heengaan én op hun leven als zijn gemeenschap na Pasen (eenzelfde onderwerp vinden we in Joh. 16:4b-33). Na de ontregelende aankondigingen van verraad en verloochening in hoofdstuk 13 geeft Jezus nu troost en richting. Hij opent een venster op zijn relatie met de Vader – een centrale thematiek in het hele Johannes-evangelie – en benadrukt dat zijn weg niet het einde betekent, maar juist toegang geeft tot de Vader. De leerlingen moeten Jezus’ werk voortzetten door Jezus lief te hebben, te geloven en zijn geboden te gehoorzamen, geleid door een andere trooster, een gift van Jezus en de Vader.
Opbouw en kern van de passage
Johannes 14:1-14 vormt de opening van Jezus’ afscheidsrede en is zorgvuldig opgebouwd: de tekst beweegt van troost, via openbaring, naar opdracht. Eerst bemoedigt Jezus zijn leerlingen met de belofte van een plaats bij de Vader (vs. 1-4); vervolgens, via de vragen van Tomas en Filippus, onthult Hij zijn unieke relatie met de Vader en noemt zichzelf ‘de weg, de waarheid en het leven’ (vs. 5-11), een kernmoment in het evangelie. Ten slotte richt Jezus de blik van de leerlingen op hun toekomstig leven na zijn heengaan: zij zullen zijn werk voortzetten en bidden in zijn naam (vs. 12-14). Stilistisch gebruikt Johannes hierbij typische elementen zoals dialogen die voortkomen uit misverstand, herhalingen en parallellismen rond ‘zien’, ‘kennen’ en ‘geloven’, en de plechtige ‘Ik ben’-uitspraak in vers 6.
De kern van Johannes 14:1-14 is dat Jezus zijn leerlingen oproept om op Hem te vertrouwen omdat Hijzelf de weg tot de Vader is en zijn werk door hen heen zal voortzetten.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
- Wees niet ongerust: Letterlijk ‘Laat uw hart niet verontrust zijn.’ Jezus is zelf ook ‘bezorgd’ of ‘verontrust’ over zijn dood (11:33; 12:27; 13:21), dus logisch dat zijn leerlingen dat ook zijn. Jezus’ aansporing loopt vooruit op de verwarring en het verdriet rond Jezus’ kruisiging (20:1, 9, 11-13, 19).
- vertrouw op God en op Mij: Vertrouwen op en geloof in God en Jezus horen bij elkaar. Het geloof in de een is het geloof in de ander. Jezus is immers gestuurd door de Vader om de Vader bekend te maken en om de mensen naar de Vader te brengen. Impliciet wordt hier ook een waarschuwing gegeven om niet van Jezus weg te gaan, zoals anderen dat deden (zie o.a. 6:60, 66; 8:30-31). Hier en in vers 12 is bij uitzondering in de NBV21 niet vertaald met ‘geloof in’ maar met ‘vertrouw op’. Dat past namelijk beter naast ‘niet ongerust zijn’. Bij de vertaling ‘geloven in’ zou het aspect van vertrouwen te veel naar de achtergrond verdwijnen.
Bij vers 2
- huis van mijn Vader: ‘Huis van mijn Vader’ impliceert dat het eeuwige leven plaatsvindt in een andere werkelijkheid; wellicht een zinspeling op de Joodse hechalot-verhalen (paleisverhalen), waarin een ziener de hemelsferen verkent (gebaseerd op het strijdwagenvisioen in Ezech. 1
; zie 1 Henoch 17:18). Dit vers zinspeelt ook op de tempel (het huis van de Vader; Joh. 2:16). - kamers: Over de precieze betekenis van het Griekse woord is onduidelijkheid. Veel uitleggers zien het als een ‘verblijfplaats’, als een soort overnachtingsplaats voor reizigers die onderweg zijn. Bijbelgeleerde Origenes (185-254) interpreteert het ook zo en koppelt er ook een reeks ‘stations’ aan op weg naar God, als een soort weg naar hemelse perfectie. Binnen een huis kan het gaan om een ‘verblijfsruimte’ of ‘kamer’. ‘Verblijfplaats’ zou (ook in het Grieks) ook een mooie verbinding leggen met het werkwoord ‘blijven’, dat in Johannes vaak wordt gebruikt. Dat er veel kamers zijn, wil zeggen dat er ruimte genoeg is voor alle leerlingen (zie ook Luc. 16:9 en Marc. 10:40).
Bron: Nieuwe Testament met Joodse Toelichtingen, aangepast.
Bij vers 3
- Wanneer Ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb: Jezus’ dood is in Johannes niet (zozeer) een lijdensweg, maar de verhoging naar de hemel. Via die weg kan Hij de zijnen naar zich toe halen (zie Joh. 12:32). Als we dit gedeelte in het licht van Johannes 8:35 lezen: ‘Een slaaf blijft niet voor eeuwig in huis, maar de Zoon blijft voor eeuwig’, betekent dit dat het mogelijk is dat er een permanente plaats (monē) is waar Jezus’ leerlingen (de zijnen) permanent kunnen blijven (menō). De eenheid met de Zoon en de Vader, die één zijn, kan dan worden opgevat als de plaats die gereedgemaakt is.
- kom Ik terug: Hoewel het Nieuwe Testament vaak spreekt over de verschijning (parousia) van Jezus/Mensenzoon, is dit de enige plek in het Nieuwe Testament waar Jezus zegt dat Hij ‘terugkomt’.
- met me meenemen: Jezus neemt de leerlingen mee, een verwijzing naar de beloning voor de rechtvaardigen die bij God zelf mogen zijn (zie ook Luc. 22:29-30). Wanneer Jezus plaats heeft bereid, voltooit Hij zijn werk als de herder die zijn schapen bijeenbrengt (zie Joh. 10:16; 12:32).
Bij vers 4
- Jullie kennen de weg naar waar Ik heen ga: Jezus betrekt de leerlingen erbij. Ze weten waar Jezus heen gaat – naar de Vader – want ze kennen Jezus. Met deze uitspraak geeft Jezus aanleiding voor onbegrip en misverstand in het vervolg, wat een typisch kenmerk is van Johannes’ stijl. Augustinus zei: ‘Hij bereidt de verblijfplaatsen voor door degenen die daarin verblijven voor te bereiden’ (In Jo. 68.2).
Bij vers 5
- Toen zei Tomas: Opvallend is dat in dit gedeelte steeds een andere leerling het woord neemt. Eerst Tomas, die al eerder in 11:16 voorkomt en ook in het bekendere gedeelte Johannes 20:24-29, daarna Filippus (14:8), en later in het hoofdstuk Judas (niet Iskariot; 14:22).
- Wij weten niet (…) daarheen kunnen weten?: Jezus bereidt de leerlingen voor, maar net als andere volksgenoten weten de leerlingen niet waar Jezus heen gaat (7:35; 8:22). Hierdoor opent zich de mogelijkheid voor Jezus om antwoord te geven: Hij gaat naar de Vader en Hij is de weg naar de Vader (vs. 6).
Bij vers 6
- Ik ben de weg, de waarheid en het leven: Jezus wijst niet de weg, Hij is de weg. Het is belangrijk om deze uitspraak te begrijpen binnen de context van dit evangelie. Het gaat niet om zomaar ‘waarheid en leven’ zoals we dat normaal gebruiken, maar om waarheid en leven met een bijzondere kwaliteit. ‘Het leven’ is blijvend, eeuwig leven in eenheid met God (Joh. 1:4). ‘De waarheid’ is niet een leer, maar gaat om de volle werkelijkheid van God, die als enige volkomen echt en betrouwbaar is. Jezus openbaart dat leven en die waarheid niet alleen, Hij is die ook. Hoe hangen ‘de weg, de waarheid en het leven’ dan met elkaar samen? Terwijl Tomas vraagt naar het doel en de weg daarheen, zegt Jezus dat de weg zelf het doel is. En die weg is Hij zelf, niet een waar je zelf over kunt beschikken. Alleen in de weg van de verbinding met en navolging van Hem kun je delen in de waarheid en het leven. Anders gezegd: ‘Ik ben de weg die tot de waarheid en het leven leidt.’ Het idee van de juiste weg ten overstaan van God komt vaak voor in de Psalmen (zie LXX Ps. 1:6; 5:8; 18:30; 25:8-12; 27:11; 119:104-105). Jezus is de weg naar de Vader door de waarheid en het leven te belichamen.
- Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij: Dit verwoordt een uitgesproken christologische exclusiviteit die past bij hoe de Johannes-gemeenschap zichzelf begreep. Deze gemeenschap, waarschijnlijk klein en sociaal kwetsbaar, gebruikte zulke formuleringen niet primair om anderen uit te sluiten, maar om de eigen identiteit en verbondenheid te bevestigen. In een context van spanningen met het omringende Jodendom fungeerde de exclusieve focus op Jezus als existentiële kern: alleen via Hem werd toegang tot God, waarheid en leven ervaren.
Bij vers 7
- Als jullie Mij kennen: Jezus’ antwoord is nu niet alleen maar aan Tomas gericht maar aan alle aanwezigen.
- vanaf nu: Dat wil zeggen niet vanaf het moment van spreken, maar het ‘uur’ (in de NBV21 ‘tijd’) van de passie en verheerlijking, zoals in Johannes 16:25 staat: ‘Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel.’
- want jullie hebben Hem zelf gezien: Jezus benadrukt dat in Hem het tot dan toe onmogelijke ‘zien van God’ werkelijkheid is geworden: niemand heeft ooit God gezien (Joh. 1:18; Ex. 33:20). Daar heeft God zich in Jezus nu zichtbaar, kenbaar en relationeel nabij geopenbaard. In het Johannes-evangelie betekent ‘zien’ altijd meer dan fysiek waarnemen: het is herkennen, geloven en relationeel kennen. Daarom kan Jezus zeggen dat de leerlingen de Vader al gezien hebben, ook al begrijpen ze dat nog niet – want wie Jezus ziet, ziet de Vader (vs. 9). In de persoon en het leven van Jezus is het aangezicht van de onzichtbare God definitief en toegankelijk aan de mensheid verschenen.
Bij vers 8
- Filippus: De naam betekent ‘liefhebber van paarden’. Filippus staat in alle lijsten met de twaalf apostelen, maar alleen in het evangelie volgens Johannes speelt hij een rol in het verhaal. Hij komt uit Betsaïda, net als Andreas en Petrus (Joh. 1:43-44). In het boek Handelingen komt ook een Filippus voor, maar het is niet zeker of dit dezelfde persoon is. Vlak voor het wonder van de vijf broden en twee vissen, waarbij Jezus een grote groep mensen te eten geeft (Joh. 6:9-13), stelt Hij Filippus op de proef. Hij vraagt aan hem waar ze brood kunnen kopen om zoveel mensen te eten te geven. Bij zijn antwoord denkt Filippus alleen aan hoeveel zo’n maaltijd zal kosten (Joh. 6:5-7). Filippus zorgt er ook voor dat een aantal Grieken Jezus kunnen ontmoeten (Joh. 12:20-22).
- meer verlangen we niet: Dit drukt het eeuwenoude verlangen uit om God zelf te zien, maar tegelijk het misverstaan van de leerlingen: Filippus vraagt om een nieuwe verschijning van God terwijl de volkomen openbaring van God al voor hem staat in Jezus.
Bij vers 9
- Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je Me niet, Filippus?: Filippus krijgt een lichte terechtwijzing. Het is niet zo dat de leerlingen Jezus helemaal niet kennen, zoals andere Joden (8:19), maar ze kennen Jezus ook nog niet perfect (zoals in 1 Joh. 2:13).
- Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien: Het antwoord op Filippus’ vraag is eenvoudig. Als je de Zoon hebt gezien heb je de Vader gezien. Hierin speelt het Joodse concept mee dat iemand die is gezonden, de complete volmacht heeft namens de zender. Jezus is degene die God gestuurd heeft en is daarmee compleet representatief voor de Vader. Dit legt een bijzondere nadruk op de eenheid van de Vader en de Zoon, een eenheid die later in Johannes nog veel sterker wordt benadrukt (Joh. 17
).
Bij vers 10
- Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en dat de Vader in Mij is?: Jezus’ vraag moet natuurlijk op een ‘ja’ uitkomen bij Filippus (merk op dat Jezus Filippus gericht antwoordt). In 10:38 spreekt Jezus ongeveer dezelfde woorden naar zijn volksgenoten toe. Des te meer zou Filippus Jezus’ woorden moeten geloven. Jezus benadrukt de fundamentele verbondenheid tussen Vader en Zoon en de complete representatie die Jezus belichaamt.
- Ik spreek niet (…) werk door Mij: Jezus spreekt en handelt namens God; al het onderwijs, al Jezus’ spreken is namens God de Vader. Evenzo doet God de daden, de ‘tekenen’ (sēmeia), door Jezus. Kortom: Jezus is de openbaring van God de Vader.
Bij vers 11
- Geloof Me: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij: Geloof is niet alleen je toevertrouwen aan een persoon, maar ook iets aannemen over die persoon. Jezus zegt hier dat zijn leerlingen niet alleen moeten geloven in (of vertrouwen op), maar ook geloven dat Jezus’ woorden waar zijn. Immers, als je niet weet wat je over een persoon weet, hoe kun je dan weten of diegene betrouwbaar is? Geloven is zowel een vertrouwen hebben in als een geloven dat.
- Als je Mij niet gelooft, geloof het dan om wat Hij doet: De daden van God, wat God doet, de tekenen, zijn er juist om te laten zien wie Jezus is. Wie de tekenen werkelijk begrijpt, snapt het: Jezus is Gods gezondene. Zij zijn één.
Bij vers 12
- wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik: Uitleggers geven verschillende duidingen aan deze tekst. ‘Hetzelfde doen’ kan wijzen op dezelfde soort tekenen. In het lange einde van Marcus (16:9-20) en ook in het Bijbelboek Handelingen lezen we over allerlei wondertekenen die de leerlingen in Jezus’ naam voltrekken. ‘Hetzelfde doen als Ik’ kan ook gaan over het wijzen naar de Vader door de bereidheid om je leven op te geven (zie Joh. 15:13), elkaar lief te hebben zoals Jezus de leerlingen liefhad, enzovoort.
- en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader: Omdat er ruimte komt voor de Geest, omdat Jezus naar de Vader gaat, kunnen de leerlingen nog meer doen dan Jezus. Jezus kon als Mensenzoon maar op één plaats zijn. Door de Geest kan het geloof in Jezus als Zoon van God veel verder verspreiden. Sommige uitleggers zeggen dan ook dat bekering en het bij Jezus willen horen de grootste ‘daden’ zijn. Andere uitleggers benadrukken de eschatologische aspecten van dit vers: de Geest komt om te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel (16:8-11). De leerlingen zullen in dit oordeel deelhebben (5:20), omdat zij ook macht hebben over zonde (20:21-23).
Bij vers 13-14
- En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal Ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt: Vragen in Jezus’ naam komt op verschillende plekken voor in het Johannes-evangelie, in het bijzonder in hoofdstuk 14-16 (14:13, 14; 15:7, 16; 16:23, 24, 26). We vinden zulke uitspraken ook in de synoptische evangeliën (bijvoorbeeld in Mat. 7:7, 8; 18:19; 21:22). Het ‘in mijn naam’ heeft parallellen in het Oude Testament (‘in de naam van de HEER’, Deut. 18:5, 7, 20-22; 2 Kron. 33:18; Ezra 5:1; Jer. 11:21; 26:9, etc.). In het Nieuwe Testament zien we dat ‘in Jezus’ naam’ wordt gedoopt, genezen, demonen worden uitgedreven en het Woord van God verkondigd wordt. Deze beloften van Jezus roepen bij gelovigen vaak spanning op omdat de belofte (‘alles wat jullie vragen in mijn naam, zal Ik doen’) botst met de ervaring dat gelovige en oprechte gebeden toch vaak onbeantwoord lijken, waardoor schuldgevoel, twijfel aan eigen geloof of aan Gods trouw kunnen ontstaan. Uitleggers wijzen erop dat ‘bidden in Jezus’ naam’ in Johannes niet magisch of onbeperkt is, maar betekent: bidden in verbondenheid met Jezus’ persoon, missie en openbaring van de Vader, ingebed in de context van zijn weg naar het kruis en het doel ‘zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt’ (vs. 13). De belofte wordt daarom theologisch verstaan binnen het grotere johanneïsche kader van blijven in Christus, het uitvoeren van zijn woorden en het beoefenen van liefde. De belofte is niet bedoeld als algemene garantie op vervulling van menselijke wensen.
Achtergrondinformatie
Verdieping bij thema’s
