Johannes 16:16-24 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Johannes 16:16-24 gaat over de tijdelijke droefheid van de leerlingen door Jezus’ heengaan, die zal omslaan in blijvende vreugde door zijn opstanding en aanwezigheid. Jezus kondigt aan dat zij Hem kort niet zullen zien (zijn dood), maar daarna weer wel (opstanding), en gebruikt het beeld van een barende vrouw om te laten zien dat lijden noodzakelijk is, maar tot leven en vreugde leidt. Deze nieuwe vreugde kan niemand hun ontnemen. In de tijd na Pasen zullen de leerlingen bovendien in een nieuwe verhouding tot God leven: zij mogen de Vader rechtstreeks bidden in Jezus’ naam, en zo zal hun vreugde volkomen worden.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De leerlingen begrijpen niet wat Jezus bedoelt. Ze zijn verward en delen de vragen met elkaar. ‘Maar Jezus begreep dat ze Hem iets wilden vragen’ (Joh. 16:19); nog voor de leerlingen Jezus iets vragen, antwoordt Hij al. In het Johannes-evangelie komt het onbegrip van de leerlingen vaak terug: voor Jezus is dat juist een aanleiding om zijn leerlingen toe te spreken. Twijfel en onbegrip horen bij het christelijk geloof; hoe reageren wij daar in de kerk op? Is er ruimte in de gemeenschap en in de zondagse samenkomst?
- Jezus woorden hebben allereerst betrekking op zijn terugkomst bij de opstanding. Maar de verwoording is zo algemeen, dat ze door lezers ook op de eigen situatie in afwachting van Jezus’ definitieve komst gelezen kunnen worden. In deze passage lopen twee interpretaties van dezelfde gebeurtenissen naast elkaar: de wereld ziet reden tot vreugde, de leerlingen tot verdriet. Dat verwijst naar Jezus’ dood. Toch zal het verdriet van de leerlingen veranderen in vreugde (Joh. 16:20). Er is ruimte voor verdriet en klagen. Toch is er die belofte dat het zal veranderen in blijdschap. Durven wij nog te geloven dat er een nieuwe wereld komt: ‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’ Te midden van een brandende wereld, waarin verdriet en droefheid de boventoon voert, kan de kerk een ander geluid laten horen. Een hoopvol geluid, want wij hebben Jezus gezien.
- Jezus belooft zijn leerlingen dat ze slechts hoeven te vragen en ze het zullen ontvangen. Maar de geloofservaring is vaak anders. Bidden in Jezus’ naam is geen garantie op vervulling van onze wensen. Het gaat om bidden binnen een vernieuwde relatie na Pasen, waarin het diepste geschenk niet altijd verandering van omstandigheden is, maar vreugde die blijft ondanks omstandigheden. De tekst nodigt uit om niet langer ‘waarom gebeurt dit niet?’ te vragen, maar ‘wat betekent het dat ik bid in zijn naam, midden in mijn wachten?’
Context van Johannes 16:16-24
Het boek Johannes als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Johannes vind je in deze inleiding op het Evangelie volgens Johannes
Het Johannes-evangelie is op veel plekken heel anders dan Matteüs, Marcus en Lucas. Zo zijn veel verhalen uit Johannes niet te vinden in de andere evangeliën. Johannes 16:16-24 ook niet. Voor meer informatie over de relatie met de synoptische evangeliën: www.debijbel.nl/wereld-van-de-bijbel/kennis-achtergronden/canon/johannes-en-de-synoptici
Plek van deze passage in het geheel
Johannes 1:19-12:50 wordt gezien als het eerste deel van het Johannes-evangelie: het boek van de tekenen (sēmeia). Johannes 13-21 wordt gezien als het boek van heerlijkheid (doxa). In het eerste boek worden zeven tekenen verteld om de heerlijkheid van Jezus te laten zien. Johannes 16:16-24 is onderdeel van de zogenoemde laatste ontmoetingen met de zijnen (dit wordt vaak de afscheidsrede genoemd) waarin Jezus zijn leerlingen voorbereidt op zijn weggaan én op hun leven als zijn gemeenschap na Pasen (eenzelfde onderwerp vinden we in Joh. 14:1-14
Opbouw en kern van de passage
Jezus gebruikt allereerst een paradoxale formulering (‘een korte tijd […] kort daarna’), die bewust verwarring oproept en zo de spanning van de situatie voelbaar maakt (vs. 16-18). Het onbegrip van de leerlingen is de opstap naar Jezus’ uitleg – een vorm van didactiek die Johannes veelvuldig gebruikt. Johannes maakt ook hier gebruik van tegenstellingen: zien/niet-zien, verdriet/vreugde, wereld/leerlingen. Centraal staat de beeldspraak van de barende vrouw (vs. 21), waarin noodzakelijkheid, overgang en omkering samenkomen. Het thema ‘vreugde’ (vs. 20, 22, 24) is een belangrijk sleutelwoord.
De kern van Johannes 16:16-24 is dat het tijdelijke verdriet van Jezus’ afwezigheid door zijn dood zal omslaan in niet te verliezen vreugde door zijn opstanding en de nieuwe, door Hem mogelijk gemaakte toegang tot de Vader in gebed. De verwoording hiervan is echter zo algemeen dat de lezer het ook kan betrekken op de afwezigheid van Jezus tot zijn definitieve komst.
Aantekeningen per vers
Bij vers 16
- korte tijd: Letterlijk ‘een kleine’. Het is een oudtestamentische uitdrukking om aan te duiden hoe kort het nog duurt voordat Gods redding zal aanbreken (bijv. Jes. 10:25; Jer. 51:33). Ook wordt hier gezinspeeld op LXX Jesaja 26:17-21, in het beeld van de barende vrouw – zie vers 21 hieronder – want daar staat ook dat Gods woede ‘een korte’ tijd duurt (vs. 20).
- jullie zien Mij niet meer: Ditzelfde thema vinden we terug in Johannes 14:1-14.
- zien: Sommige uitleggers geven een spirituele betekenis aan theoreō (beschouwen, doorzien), tegenover horaō (kijken, zien) dat hier gebruikt wordt, maar in dit gedeelte worden de werkwoorden door elkaar gebruikt. Het ‘zien’ gaat hier om de opgestane Heer die de leerlingen zullen zien (zie ook het ‘wij hebben de Heer gezien’ in Joh. 20:18, 25).
Bij vers 17-18
- Wat bedoelt Hij toch?: De herhaling van de vraag en de vragen die de paar leerlingen elkaar stellen laten duidelijk het onbegrip van de leerlingen zien. Als lezer weten we wat er gaat gebeuren: de leerlingen zien Hem niet meer omdat Hij wordt weggevoerd, gekruisigd en begraven. Maar Hij zal na een ‘korte’ tijd weer te zien zijn, wanneer Hij is opgewekt uit de dood. De leerlingen konden het ook niet weten want Jezus had niet gezegd dat Hij zou sterven (zie ook Joh. 14:19) – anders dan in de synoptische evangeliën waar Jezus zijn dood voorzegt – maar ook daar begrijpen de leerlingen niet wat Jezus bedoelt.
Bij vers 19
- Jezus begreep dat ze Hem iets wilden vragen: Of het Griekse ginōskō, ‘begrijpen/weten’, in de andere evangeliën een soort alwetendheid inhoudt, is niet altijd duidelijk. In dit evangelie beschikt Jezus als Zoon van God en het eeuwige Woord over goddelijke kennis, zodat Hij alles doorziet en weet. Dat dit hier ook het geval is, is op te maken uit het enthousiaste reageren van de leerlingen in vers 30.
- wat Ik bedoelde met (…): In het Johannes-evangelie vinden we veel herhalingen. Hier evenzo. Door hun woorden te herhalen laat Jezus zien dat Hij hun onbegrip volledig doorziet, nog vóór zij Hem iets vragen; dat benadrukt zijn kenmerkende johanneïsche alwetendheid (vgl. 2:25; 6:6). Tegelijk vormt de herhaling een overgang van onbegrepenherhaling (de leerlingen herhalen zonder inzicht) naar gezaghebbende uitleg (Jezus herhaalt mét interpretatie).
Bij vers 20
- huilen en weeklagen: Deze reactie was publiek, open en luid, zoals de gewoonte was bij een sterfgeval. Zie ook Jeremia 22:10, waar ‘treuren’ en ‘weeklagen’ wordt gebruikt om de reactie bij een sterfgeval te beschrijven.
- terwijl de wereld blij zal zijn: De wereld staat voor de mensheid in haar verzet tegen Gods openbaring, vooral zichtbaar in de religieuze en politieke machten die Jezus verwerpen. Het gaat om de schijnbare overwinning op Jezus: zijn arrestatie, veroordeling en dood. Die worden ervaren als bevrijding van een bedreigende waarheid (vgl. Joh. 7:7; 15:18-19).
- maar je verdriet zal in vreugde veranderen: De transformatie zal plaatsvinden. Er zal vreugde voor de leerlingen komen, want Jezus zal opstaan uit de dood, en ze zullen één met Hem zijn (zie Joh. 17
).
Bij vers 21
- Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is: Het voorbeeld van een vrouw in barensnood vinden we veelvuldig in de Hebreeuwse Bijbel. In de profetische traditie is het een beeld van moeite en pijn die de verlossing van Gods volk met zich meebrengt (bijvoorbeeld Jes. 26:17; Jer. 30:5-9; Micha 5:2-4).
- heeft het zwaar: Letterlijk ‘heeft verdriet’. Dit doet denken aan Genesis 3:16 (LXX): ‘U zult in droefheid (lupē) kinderen baren (tiktō).’ Sommige uitleggers menen dat het Adam-en-Eva-motief in Johannes een rol op de achtergrond speelt.
- maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen: Sinds vrouwen meer te zeggen hebben in de uitleg van de Bijbel, is er kritiek op dit beeld. Inderdaad zijn geboorte-ervaringen veel complexer dan het beeld suggereert. Jezus gebruikt geen nieuw beeld, maar een bekende beeldspraak, die allang was afgesleten en daarom enigszins losstaat van ervaringen in de echte wereld. Het gebruik ervan is dus geen medische uitspraak over hoe vrouwen pijn ervaren of herinneren. De pointe is dat pijn haar beslissende gewicht verliest door de vreugde van het nieuwe leven.
- mens: Dat er een mens ter wereld is gekomen is logisch; men zou kind verwachten, zoals eerder in het vers. Maar in het voorbeeld zou het kunnen dat hier wordt verwezen naar Eva die zegt: ‘Met de hulp van de HEER heb ik het leven geschonken aan een man!’, waar ‘man’ in het Grieks ook vertaald kan worden met ‘mens’. Deze verbinding wordt al door Johannes Chrysostomus gelegd (349-407 n.Chr.).
Bij vers 23
- Dan: Letterlijk ‘op die dag’, wat in het Oude Testament de betekenis heeft van Gods uiteindelijke ingrijpen in de wereld. Bij Johannes wordt dit betrokken op het christelijke bestaan dat door Jezus’ ‘uur’ mogelijk is gemaakt. Dat wil zeggen zijn dood en opstanding.
- niets meer te vragen: Dit gaat er niet om dat we geen vragen hebben, maar hier gaat het om de vragen zoals in de verzen 17-19: vragen vanuit onbegrip. Dat heeft ermee te maken dat het ook gaat om de pleitbezorger (Parakleet), de heilige Geest, die zal de leerlingen alles leren (14:26).
- wat je de Vader ook vraagt: Opvallend is dat waar de leerlingen wordt aangeleerd dat ze de Vader kunnen vragen, in hoofdstuk 14
het juist andersom is. Daar kunnen de leerlingen Jezus vragen en Hij zal het doen. Voor Johannes maakt het niet zo’n verschil, aangezien de Vader en de Zoon één zijn (zie Joh. 17 ).
Bij vers 24
- vraag het en je zult het ontvangen: We vinden hier een herhaling van vers 23 en Johannes 14:13-14. Vragen in Jezus’ naam komt op verschillende plekken voor in het Johannes-evangelie en in het bijzonder in hoofdstuk 14-16 (14:13, 14; 15:7, 16; 16:23, 24, 26). We vinden zulke uitspraken ook in de synoptische evangeliën (bijvoorbeeld in Mat. 7:7, 8; 18:19; 21:22). Het ‘in mijn naam’ heeft parallellen in het Oude Testament (‘in de naam van de HEER’; Deut. 18:5, 7, 20-22; 2 Kron. 33:18; Ezra 5:1; Jer. 11:21; 26:9, etc.). In het Nieuwe Testament zien we dat ‘in Jezus’ naam’ wordt gedoopt, genezen, demonen worden uitgedreven en het Woord van God verkondigd wordt. Deze beloften van Jezus roepen bij gelovigen vaak spanning op omdat de belofte (‘alles wat jullie vragen in mijn naam, zal Ik doen’) botst met de ervaring dat gelovige en oprechte gebeden toch vaak onbeantwoord lijken, waardoor schuldgevoel, twijfel aan eigen geloof of aan Gods trouw kunnen ontstaan. Uitleggers wijzen erop dat ‘bidden in Jezus’ naam’ in Johannes niet magisch of onbeperkt is, maar betekent: bidden in verbondenheid met Jezus’ persoon, missie en openbaring van de Vader, ingebed in de context van zijn weg naar het kruis en het doel ‘zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt’ (14:13). De belofte wordt daarom theologisch verstaan binnen het grotere johanneïsche kader van blijven in Christus, doen van zijn woorden en liefde, niet als algemene garantie op vervulling van menselijke wensen.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
