Johannes 9:1-13(14-25)26-39 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
In Johannes 9 wordt zichtbaar hoe Jezus ogen opent – letterlijk en geestelijk – en hoe mensen daarop reageren: sommigen komen tot geloof en ‘zien’, terwijl anderen, vooral de religieuze leiders, in hun weigering juist hun geestelijke blindheid laten zien. Het hoofdstuk draait dus om de vraag: wie ziet Jezus werkelijk, en wie blijft (willens en wetens) blind?
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De leerlingen beginnen met een vraag over de relatie tussen oorzaak en gevolg (‘Wie heeft gezondigd?’), maar Jezus weigert mee te gaan in een verklarende houding die lijden herleidt tot schuld. Hij opent een andere manier om de situatie uit te leggen: niet ‘waarom?’, maar ‘waartoe?’ – opdat Gods werken zichtbaar worden. Waar zijn wij in ons leven geneigd om naar de oorzaak of schuld te zoeken, in plaats van naar de mens die voor ons staat om te zien? Welke situaties of personen zou Jezus ons leren zien, voordat we er iets van vinden?
- Jezus’ komst brengt niet alleen heling, maar ook een ontmaskering van wat zich verzet tegen het licht. Het ‘oordeel’ dat ontstaat is relationeel: mensen positioneren zich tegenover Jezus’ openbaring, en daarmee wordt zichtbaar wat in hen leeft. Wat komt in ons leven aan het licht als Jezus dichtbij komt? Zijn er plekken waar wij liever niet ‘gezien’ worden, omdat we vast willen houden aan ons eigen gelijk?
- De genezen man groeit uit tot een belijder: ‘Ik geloof, Heer’ – en hij aanbidt Jezus. Geloof mondt uit in relatie (het aanspreken van Jezus als Heer) en in lichaamstaal (aanbidding). Daartegenover staat het sociale risico: wie Jezus volgt, kan uit de synagoge gezet worden. Hoe ziet onze aanbidding eruit, buiten de zondag? Waar buigen wij met ons leven voor Christus?
Context van Johannes 9:1-13(14-25)26-39
Het boek Johannes als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Johannes vind je in deze inleiding op het Evangelie volgens Johannes
Het Johannes-evangelie is op veel plekken heel anders dan Matteüs, Marcus en Lucas. Zo zijn veel verhalen uit Johannes niet te vinden in de andere evangeliën. Johannes 9:1-13(14-25)26-39 ook niet. Lees hier meer informatie over de relatie met de synoptische evangeliën
Plek van deze passage in het geheel
Johannes 1:19-12:50 wordt gezien als het eerste deel van het Johannes-evangelie: het boek van de tekenen (sēmeia). Johannes 13-21 wordt gezien als het boek van heerlijkheid (doxa). In het eerste boek worden zeven tekenen verteld om de heerlijkheid (luister, majesteit) van Jezus te laten zien. De genezing in Johannes 9 fungeert als het zesde teken. Het vormt een scharnierpunt binnen het Evangelie volgens Johannes. Johannes 7-10 vertelt over de bezoeken van Jezus aan feesten in Jeruzalem: het Loofhuttenfeest, en in de tweede helft van hoofdstuk 10 het feest van de Tempelwijding. In de controverse met de religieuze leiders die tijdens het Loofhuttenfeest ontstaat, komt het verzet van de leiders tegen Jezus’ identiteit als licht voor de wereld tot een hoogtepunt. In het hoofdstuk komen centrale motieven van het evangelie aan de orde: de openbaring van Jezus door zijn daden, de groei van geloof bij de genezen man, en de toenemende geestelijke blindheid van de leiders, die het licht juist afwijzen. In de NBV21 zijn Johannes 9 en 10 aan elkaar gekoppeld, zodat zichtbaar wordt dat Jezus zichzelf tegenover deze blinde leiders presenteert als de goede herder die ziet en redt.
Opbouw en kern van de passage
Johannes 9 is zorgvuldig opgebouwd. Stap voor stap onthult het de groei van het inzicht bij de blindgeborene en de toenemende verblinding van de religieuze leiders. Het hoofdstuk opent met een inleidende scène (vs. 1-7) waarin Jezus de blindgeborene ontmoet en verklaart dat zijn genezing bedoeld is om ‘Gods werk (…) zichtbaar [te laten] worden’. (Opvallend is dat de man niet om genezing vraagt; zijn herstel is volledig geïnitieerd door Jezus.) Daarna volgt een reeks ondervragingen (vs. 8-34): eerst door de buren (vs. 8-12), dan tweemaal door de farizeeën (vs. 13-17; vs. 24-34), met daartussen een ondervraging van de ouders (vs. 18-23). Deze scènes vertonen sterke parallellen: elke ronde brengt meer scherpte in de belijdenis van de genezen man (‘de man Jezus’ → ‘een profeet’ → ‘van God’ → impliciet een leerling), terwijl ook elke ronde de weerstand van de leiders sterker wordt; Johannes gebruikt herhaling, ironie en crescendo om de tegenstelling tussen zien en blindheid te dramatiseren. In het taalgebruik valt op dat de werkwoorden ‘zien’, ‘weten’ en ‘zondigen’ herhaaldelijk terugkeren. Maar wie ziet, weet en zondigt, verschuift steeds: de zienden zijn namelijk blind en de blinde ziet. Het hoofdstuk eindigt met een epiloog en openbaringsmoment (vs. 35-41): Jezus zoekt de man op nadat hij uit de synagoge is geworpen, leidt hem tot expliciet geloof (‘Ik geloof, Heer’), en formuleert vervolgens de theologische conclusie van het hele verhaal – het licht voor de wereld brengt oordeel door zichtbaar te maken wie werkelijk ziet en wie blind blijft.
De kern van Johannes 9 in één zin is dat Jezus als het licht voor de wereld zichtbaar maakt wie werkelijk ziet door tot geloof te komen en wie, ondanks alle religieuze kennis, in geestelijke blindheid blijft.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
Genezing van een blinde
- In het voorbijgaan: Er is geen duidelijke plaats of tijd. Voorafgaand ontsnapt Jezus aan de dood, maar verder is er geen informatie. Het lijkt erop dat het verhaal zich wel in Jeruzalem afspeelt.
- zag Jezus iemand: De persoon om wie het in dit hele verhaal gaat, is zonder naam. Het is ‘iemand’. In eerste instantie doet Jezus niets dan hem zien en voorbijgaan.
- die al vanaf zijn geboorte blind was: Volgens oude Joodse en bredere oud-oosterse opvattingen gold blindheid als een van de ernstigste lichamelijke beperkingen, die vaak aan morele of geestelijke zwakte gekoppeld werd.
Bij vers 2
- Rabbi: Dit is de aanspreekvorm die in de eerste eeuw in gebruik raakt. De evangeliën zijn de oudste bewaard gebleven teksten waarin de term ‘rabbi’ wordt gebruikt. Oude rabbijnse bronnen spreken wel over rabbi’s in de tijd van na Jezus, maar die teksten komen uit ongeveer de tweede eeuw.
- Hoe komt het (…) zelf gezondigd of zijn ouders?: De leerlingen geven blijk van een, voor die tijd, gebruikelijke visie waarin er verband wordt gelegd tussen ziekte en zonde (zie ook Jezus in Joh. 5:14). De vraag is of hijzelf als baby voor de blindheid heeft gezorgd, of zijn ouders. De vraag of een baby kon zondigen was een die we ook vinden in latere rabbijnse literatuur: een foetus kon aan afgoderij doen als de moeder een tempel van een afgod betrad. Dat kinderen de gevolgen van de zonde konden dragen was een wijdverspreide gedachte (Ex. 20:5; Deut. 5:9; 2 Kon. 5:27; Jer. 31:29).
Bij vers 3
- Hij niet en zijn ouders ook niet: Jezus’ antwoord ontkent de relatie tussen zonde en ziekte niet, maar Hij verschuift de aandacht.
- maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden: Jezus maakt duidelijk dat de man niet blind was geboren om tot duisternis veroordeeld te zijn (vgl. Joh. 11:4). Jezus wordt gevraagd naar de oorzaak van de blindheid; Jezus antwoordt met het doel.
Bij vers 4
- moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft: Het gaat niet alleen om Jezus’ eigen werk, maar om het werk dat Hij eerder typeerde als ‘Gods werk’ (Joh. 6:29). Dat is een goddelijk moeten, waarbij ook de leerlingen worden ingeschakeld. Hier ligt ook een verschil met de HSV, waar de gebruikte brontekst ‘ik’ in plaats van ‘wij’ heeft. Dat is een latere aanpassing om de uniciteit van Jezus te benadrukken.
- nacht: De tegenstelling dag en nacht in dit vers past goed bij de tegenstellingen die Johannes vaker gebruikt: licht en donker, blind en zien, geloof en ongeloof. De nacht staat voor het beslissende moment en kan op meerdere manieren uitgelegd worden: als verwijzing naar Jezus’ dood (zie ook Joh. 13:30), maar ook als geestelijke blindheid (in het donker kun je niet zien), of als een tijd waarin Gods reddende werk wordt afgesloten. Johannes lijkt met alle drie te spelen. De aankondiging heeft iets urgents, want de nacht komt.
Bij vers 5
- Zolang: Jezus spreekt als iemand die aan tijd gebonden is. Daarmee ontstaat er onderscheid tussen Jezus in zijn aardse bestaan en als geïncarneerde en opgestane Heer (vgl. 1:5).
- ben Ik het licht voor de wereld: Hoewel er dus een scheiding is, wordt Jezus niet het licht voor de wereld, maar is Hij het al.
Bij vers 6
- spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde: Aan speeksel werd een medicinale werking toegeschreven. Keizer Vespasianus zou iemand hebben genezen door de blinde in zijn ogen te tuffen. In Jezus’ en Johannes’ tijd was dit geen vreemde gang van zaken (zie ook Marc. 7:33; 8:23). Sommige vroegchristelijke schrijvers zagen in de modder een verwijzing naar Genesis 2:7. Dit wonder zou dan staan voor nieuwe schepping.
Bij vers 7
- Ga u wassen in het badhuis van Siloam: Het badhuis was zeer groot (waarschijnlijk wel 200 meter lang) en functioneerde als een ritueel badhuis (mikwe). Het was ook het eindpunt van de tunnel die koning Hizkia had aangelegd om Jeruzalem van water te voorzien.
- gezondene: Johannes’ interpretatie komt waarschijnlijk van het Hebreeuwse werkwoord sjalach, dat ‘zenden’ betekent. Elders in Joodse literatuur is deze interpretatie niet te vinden. Maar het past natuurlijk uitzonderlijk goed in de typering van Jezus als ‘gezondene van God’, evenals dat Jezus de blinde man ‘wegzendt’.
- en toen hij terugkwam kon hij zien: Het wonder zelf wordt, evenals het wonder in Kana, niet benoemd. De man komt terug en kan zien. Er is geen spektakel.
Bron: Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, aangepast
Bij vers 8-9
- Zijn buren (…) er wel op: Jezus’ handelen verdeelt (zie ook Joh. 7:40-42). Hun onkunde om de man te herkennen weerspiegelt de onkunde om Jezus’ ware identiteit te zien door de tekenen die hij doet (zie ook Joh. 4:54; 6:14).
- bedelaar: Wat impliciet is, de lage sociale status van de blinde, wordt nu expliciet gemaakt. Een deel van de aanwezigen kende de man als een bedelaar door zijn blindheid.
- Ik ben het echt: De man moet zijn identiteit bevestigen, dat doet hij met de woorden egō eimi – dezelfde woorden van de ‘Ik ben’-uitspraken. De ironie is dat ook aan Jezus’ identiteit als Zoon van de Vader wordt getwijfeld.
Bij vers 10-11
- Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’: De buren vragen naar het hoe, met als resultaat dat de man het verhaal vertelt. De man verhaalt niet dat Jezus met speeksel modder maakt.
- Iemand die Jezus heet: De man heeft verder geen idee wie Jezus is.
Bij vers 12
- Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij: De man wist niet hoe Jezus eruitzag. Hij was na zijn genezing blijkbaar naar huis gegaan zonder langs Jezus te gaan (vandaar de verwijzing naar buren). Hij is Jezus uit het oog verloren. Voor hem is het belangrijker dat hij genezen is dan door wie.
Bij vers 13
- Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de farizeeën: Vers 14 laat zien dat het sabbat was. De buren weten niet wat ze met de situatie aan moeten. Ze doorzien het niet, maar vermoeden wel dat er iets meer dan gewoons aan de hand is. Ze denken dat de farizeeën licht op de zaak kunnen werpen.
- In Johannes 9:14‑25 bespreken de farizeeën het feit dat Jezus op sabbat de blindgeboren man heeft genezen, wat volgens hen de regels schendt. Ze ondervragen eerst de man zelf, die eenvoudig volhoudt dat Jezus zijn ogen geopend heeft. Daarna roepen ze zijn ouders, maar die willen geen uitspraak doen uit angst voor de Joodse leiders en verwijzen terug naar hun zoon. Ten slotte wordt de man opnieuw ondervraagd, maar hij blijft bij zijn getuigenis: dat hij eerst blind was en nu ziet, en dat dit onmiskenbaar door Jezus is gebeurd.
Bij vers 26
- Ze drongen aan: Wederom vragen de farizeeën hoe Jezus het teken heeft gedaan. Dat wijst erop dat ze denken dat zijn gedrag problematisch voor de sabbatsregels is.
Bij vers 27
- maar u luistert niet: De man wordt ongeduldig. Hij heeft immers al verteld wat er met hem is gebeurd. Op een hoger niveau in het verhaal is dit ook de houding tegenover Jezus; mensen luisteren niet naar Hem.
- Wilt u soms leerling van Hem worden: Deze vraag is ironisch bedoeld; de man verwacht niet dat ze Jezus’ leerling worden. Het Grieks heeft ‘ook’; ‘wilt u ook leerling van Hem worden?’
Bij vers 28
- Wij zijn leerlingen van Mozes: De farizeeën zien zichzelf als degenen die gelijk hebben. Je kunt niet leerling van beiden zijn; het is of Jezus, of Mozes. Maar ironisch genoeg is in het Johannes-evangelie Mozes de getuige van Jezus. Dus een echte leerling van Mozes wordt leerling van Jezus (Joh. 5:45-46).
Bij vers 29
- Van Mozes weten we: De interpretatie van de wet en de oorsprong van Mozes’ woorden zijn duidelijk: die komen van God vandaan. God heeft gesproken op de Sinai.
- maar van deze man weten we niet waar Hij vandaan komt: De autoriteit van Jezus staat ter discussie. Iemands oorsprong is belangrijk. De lezer weet dat Jezus door God gezonden is en zelfs het Woord van God dat bij God was. De farizeeën zien dat niet en blijven daardoor blind, volgens Johannes. ‘Deze man’ wordt ook neerbuigend gebruikt. Elders in het Johannes-evangelie wordt er ook gehint op de onbekende afkomst van Jezus (Joh. 8:33).
Bij vers 30-33
- De man antwoordde: Met het antwoord duidt de man op de blindheid van zijn gesprekspartners. Als iemand zo’n teken kan doen, moet die toch wel van God komen? Jezus moet een rechtvaardige zijn en geen zondaar, want God luistert niet naar zondaren.
Bij vers 34
- Toen riepen ze: De toehoorders kunnen het niet aanhoren dat aan hen, de kenners van de wet van Mozes, de les wordt gelezen. Ze beschuldigen de man van zonde vanaf zijn geboorte (denk aan Joh. 9:2) en diskwalificeren hem voor het gesprek.
- En ze joegen hem weg: Het is niet duidelijk waarvan ze hem wegjoegen, maar het is een voorafschaduwing van ‘uit de synagoge zetten’. Dat is een thema dat ook in Johannes 12:42 en 16:2 te vinden is. In 9:22 wordt het woord aposynagogos gebruikt, wat buiten het Evangelie volgens Johannes niet voorkomt in het Nieuwe Testament of in de klassieke Griekse literatuur. De term wordt gebruikt voor iemand die uit de synagoge is gezet of verbannen. Het zou kunnen gaan om een eenmalige uitsluiting uit een dienst of een samenkomst, maar over het algemeen wordt het uitgelegd als verbanning uit de Joodse gemeenschap. Sommige uitleggers beweren dat het evangelie met behulp van deze term indirect een ervaring beschrijft van het oorspronkelijke publiek. Ze zouden namelijk de traumatische ervaring hebben dat ze werden uitgesloten uit de synagoge omwille van het geloof in Jezus als de messias en de Zoon van God. Hoewel deze interpretatie mogelijk is, wordt die niet ondersteund door bewijs buiten het evangelie. Andere uitleggers beschouwen het gebruik van de term als retorisch middel om angst voor de Joden te creëren bij het lezerspubliek. Door op die manier een wig te drijven tussen de Joden die Jezus belijden als de messias en de meerderheid van de Joden die dat niet doen, zou het belangrijkste standpunt van het evangelie versterkt worden, namelijk dat alleen degenen die in Jezus geloven in een verbondsrelatie met God kunnen staan.
Bij vers 35
- Jezus hoorde dat en zocht hem op: Johannes vertelt niet hoe Jezus het hoorde of na hoelang Jezus de man opzocht (‘vond’), maar Jezus doet dat.
- Gelooft u in de Mensenzoon?: Sommige handschriften hebben ‘Zoon van God’ in plaats van ‘Zoon van de Mens’ (bijvoorbeeld de teksttraditie van de HSV), maar ‘Mensenzoon’ is ouder. Voor het begrip Mensenzoon, zie deze pagina.
Bij vers 36
- Als ik wist wie het was, heer, zou ik in Hem geloven: De man vraagt zich af wie dan de Mensenzoon is. In het Aramees kon bar enasj ook gebruikt worden als aanduiding van een man. Maar hier is het natuurlijk de titel voor de messias, de titel uit Daniël 7
. Hij lijkt nog steeds blind, ook al is hij weer ziende. - heer: De aanspreekvorm kyrie heeft hier waarschijnlijk de vorm van ‘meneer’, niet die als de Godsaanduiding; die erkenning komt later.
Bij vers 37
- U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem: In het Johannes-evangelie is het openbaar worden van Jezus als Zoon van God belangrijk. En hier openbaart Jezus zich als de Mensenzoon. Kijken heeft hier natuurlijk een dubbele functie: de man is genezen van zijn blindheid én kan de Mensenzoon zien.
Bij vers 38
- Ik geloof, Heer: Deze belijdenis vormt het hoogtepunt van de ontwikkeling van de blindgeborene in Johannes 9. Waar hij Jezus eerder slechts ‘de man’ noemt (vs. 9) en later ‘een profeet’ (vs. 17), mondt zijn groeiend inzicht uit in expliciet geloof in Jezus als de Mensenzoon. ‘Heer’, direct gevolgd door aanbidding – het krijgt onmiskenbaar een hoge theologische toon.
- en hij wierp zich voor Jezus neer: In het Johannes-evangelie is dit de enige plek waar Jezus aanbeden wordt. Het werkwoord proskuneō wordt enkele keren gebruikt voor de aanbidding van God (hoofdstuk 4
en 12:20).
Bij vers 39
- Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen: Hoewel het Johannes-evangelie elders benadrukt dat Jezus niet gekomen is om te oordelen (3:17; 12:47), maakt dit vers duidelijk dat zijn komst onvermijdelijk een scheiding aan het licht brengt. Het ‘oordeel’ (krima) voltrekt zich niet als een actieve veroordeling, maar als een openbaringsmoment waarin ware gezindheid zichtbaar wordt. Overigens vinden we in Johannes 5:22, 27 dat Jezus de macht heeft gekregen om een oordeel te vellen.
- Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden: Dit is het hart van de passage. Wie in zijn ‘blindheid’ openstaat voor Jezus (zoals de genezen man), ontvangt inzicht; wie meent te ‘zien’ – de zelfverzekerde religieuze leiders – sluit zich juist af en raakt in geestelijke duisternis. De thematiek van zien en blindheid fungeert zo als symboliek voor openbaring en antwoord: Jezus’ licht werkt tegelijk verhelderend en ontmaskerend. Het brengt daarmee een existentieel oordeel teweeg dat in het vervolg (9:40-41) expliciet op de farizeeën wordt betrokken.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
