Matteüs 13:1-9 en 18-23 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
In Matteüs 13:1-9 en 18-23 vertelt Jezus de gelijkenis van de zaaier. Niet iedereen reageert hetzelfde op de boodschap van het koninkrijk; het verschil zit in de gesteldheid van het hart (de verschillende bodems). Daarom is het misschien beter om te spreken over de gelijkenis van de vier bodemtypen.
Klik om Matteüs 13:1-9 te lezen in de NBV21
Gelijkenissen over het koninkrijk van de hemel
Klik om Matteüs 13:18-23 te lezen in de NBV21
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De gelijkenis van de zaaier is een bekende gelijkenis en we weten waar het over gaat: ontvankelijkheid van de hoorder. Maar, er zit ook een vreemde kant aan. Want Jezus legt de gelijkenis alleen uit aan zijn leerlingen. En in het tussenstuk van vers 10-17 laat Jezus zien dat niet alle uitleg voor iedereen bestemd is. De grote massa wil het ook niet begrijpen en wil niet gered worden. Hoe werkt dat vandaag? Elders in Matteüs zegt Jezus: ‘Gooi je parels niet voor de zwijnen’ (Mat. 7:6). Zijn er zaken die alleen voor onze medeleerlingen bestemd zijn? In het gedeelte is dat de precieze duiding van de gelijkenis. De beeldspraak van de gelijkenis is iets voor iedereen. Kunnen we daar wellicht iets van leren?
- Jezus laat zien dat sommigen het woord van God enthousiast zullen aannemen, maar wanneer er moeite en vervolging is, en lijden, dan gaan ze te gronde. Hoe zorgen wij in de kerk ervoor dat nieuwe christenen wél goed kunnen wortelen en niet door de zon, door het leven, worden verschroeid? Hebben we manieren om hen toe te rusten voor het leven met God? Hoe geven wij zelf eigenlijk een plek aan lijden en vervolging in ons leven? En wat kunnen wij leren van het enthousiasme van nieuwe christenen?
- Misschien herkennen westerse hoorders zich wel het meest in ‘de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom’, waardoor het leven volgens Gods koninkrijk in de knel komt. Wat wil het zeggen dat Jezus rijkdom en bezit als de mammon beschouwt, een soort afgod, en stelt dat Hem volgen niet samengaat met het streven naar en koesteren van rijkdom? Wat betekent dat voor de houding van leerlingen van Jezus in een kapitalistische maatschappij?
- Wat in het Matteüs-evangelie steeds opvalt, is dat begrijpen, gehoorzamen en leerling zijn – het volgen van Jezus – sterk gekoppeld is aan het doen van het goede. Sterker nog, ‘begrijpen’ blijkt pas in de praktijk. Het gaat om handelen, om de juiste ethiek. Hoe zorgen wij ervoor dat ons geloof handen en voeten krijgt, naast de boodschap die we ’s zondags te horen krijgen? Hoe handelen wij in de praktijk en dragen wij vrucht?
Context van Matteüs 13:1-9 en 18-23
Het Evangelie volgens Matteüs als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding op het Evangelie volgens Matteüs
Plek van deze passage in het geheel
Deze passage staat in Matteüs 13, de derde van de vijf grote toespraken van Jezus. Deze toespraak onderscheidt zich van de andere doordat er ook onderbrekingen zijn waarin het verhaal verdergaat. De directe context bestaat uit groeiende weerstand en onbegrip (o.a. in hoofdstuk 11-12), waarna Jezus begint te spreken in gelijkenissen over het koninkrijk van de hemel (hoofdstuk 13). De gelijkenis van de zaaier fungeert als een soort inleiding op alle andere gelijkenissen in dit hoofdstuk (tot en met vers 53), omdat ze uitlegt waarom mensen verschillend reageren op Jezus’ boodschap en waarom niet iedereen het koninkrijk begrijpt of aanneemt. De gelijkenis van de heer des huizes (vs. 52) vormt het slotstuk. Binnen het Matteüs-evangelie als geheel werpt deze passage licht op het centrale thema van de reacties op Jezus: zoals al eerder zichtbaar in het evangelie reageren mensen uiteenlopend (van geloof tot afwijzing). Het hoofdstuk eindigt dan ook met de woorden: ‘En Hij verrichtte daar niet veel wonderen, vanwege hun ongeloof.’
Opbouw en kern van Matteüs 13:1-9 en 18-23
Deze passage is driedelig en logisch opgebouwd: eerst (vs. 1-2) de inleiding op de parabels; de locatie en de omstandigheden van het onderwijs. Dan vertelt Jezus een beeldende gelijkenis over een zaaier en vier soorten bodem, zonder direct uitleg te geven, waardoor de hoorder wordt uitgedaagd om na te denken over de betekenis (vs. 3-9). In het tussenstuk (vs. 10-17) zegt Jezus dat Hij in gelijkenissen spreekt omdat alleen wie ervoor openstaat de waarheid werkelijk zal begrijpen, terwijl anderen blijven zien en horen zonder inzicht. Daarna (vs. 18-23) volgt een uitleggend gedeelte waarin Jezus de symboliek van elk element verduidelijkt (het zaad als het woord, de grond als verschillende soorten mensen), waarbij elk type bodem wordt gekoppeld aan een specifieke reactie op die boodschap, en het geheel uitmondt in het positieve voorbeeld van de goede grond als ideaal.
De kern van de passage is dat er verschillende reacties zijn op de boodschap van het koninkrijk. Alleen wie er echt voor openstaat om het woord te ontvangen en volhoudt, zal vrucht dragen.
Eigen accenten van Matteüs, in vergelijking met Marcus en Lucas
De gelijkenis van de zaaier komt voor hier in Matteüs 13:1-9, 18-23 en in Marcus 4:1-9, 13-20 en Lucas 8:4-8, 11-15. De kern is hetzelfde, maar er zijn enkele belangrijke verschillen:
Gelijkenissen over het koninkrijk van God
- Marcus is het meest uitgebreid en levendig in de beschrijving én de uitleg. Matteüs is iets compacter en meer didactisch gestructureerd. Lucas is het kortst en het meest samengevat.
- Matteüs noemt drie opbrengsten: 100-, 60- en 30-voudig; Marcus heeft een oplopende volgorde; Lucas alleen een 100-voudige opbrengst.
- Matteüs: spreekt over ‘de boze’ (NBV21: ‘hij die het kwaad zelf is’) die het woord wegneemt; Marcus noemt expliciet Satan; Lucas zegt ‘de duivel’.
- Matteüs legt sterk de nadruk op horen én begrijpen als sleutel (intellectuele/innerlijke verwerking). Marcus benadrukt het aannemen/ontvangen van het woord en Lucas legt nadruk op vasthouden en volharding (‘het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen’).
- Matteüs benadrukt verdrukking en vervolging als oorzaak van afvallen. Marcus ook, maar hij heeft een detail over het ontbreken van wortels. Lucas spreekt algemener over tijd van beproeving.
- Matteüs heeft als uitleg van de doornen zorgen en verleiding van rijkdom. Marcus heeft iets extra’s: ‘verlangens naar allerlei andere dingen’. Lucas noemt zorgen, rijkdom en genietingen van het leven (breder levensbeeld).
Aantekeningen per vers
Bij vers 1-2
Gelijkenissen over het koninkrijk van de hemel
- Die dag: Matteüs creëert met deze tijdsbepaling continuïteit met het vorige hoofdstuk. In hoofdstuk 12
werd de confrontatie tussen Jezus en het ongeloof van Israël toegespitst. Nu vertelt Hij een gelijkenis die zich richt op de reactie op Gods woord. - daarom ging Hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef: Jezus en zijn leerlingen gaan in de boot zitten, wat niet alleen een praktische overweging geweest zal zijn door de aanwezige menigte, maar het laat ook de afstand zien tussen de menigte en de leerlingen; een aspect dat in heel Matteüs steeds naar voren komt. De leerlingen onderscheiden zich van de menigte, want zij krijgen ook privéonderwijs: zij ontvangen de uitleg (evenals de Bergrede, die specifiek aan hen werd onderwezen).
Bij vers 3
- Hij sprak in allerlei gelijkenissen tot hen: Dit is niet de eerste keer dat Jezus met gelijkenissen onderwijst, maar wel de eerste keer dat hij het woord parabolē gebruikt. Dat woord is niet alleen een ‘gelijkenis’ in de klassieke zin, maar kan ook verwijzen naar spreuken, fabels, raadsels en epigrammen. Zo worden in de Septuaginta de spreuken van Salomo weergegeven met parabolai (1 Kon. 5:12). Bij een gelijkenis is de betekenis wat verborgen; de hoorder moet meedoen in het interpretatieproces om tot een juist verstaan te komen.
Bij vers 4-7
- Het eerste zaad ontkiemt niet eens; het tweede wel, maar houdt niet vol door gebrek aan wortelgroei; en het derde kan wel groeien, maar krijgt onvoldoende ruimte en blijft daardoor vruchteloos.
- Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg: Ook mogelijk is de vertaling ‘naast/aan/bij het pad’. De NBV21 kiest voor de duidelijkste mogelijkheid. Vanaf de akker gezien gaat het er in elk geval om dat het zaad op platgetreden bodem terechtkomt, waar het niet kan wortelschieten en de vogels het opeten.
Bij vers 8-9
- Maar er viel ook zaad in goede grond: De rest van het zaad valt in goede grond – hopelijk het merendeel, anders is de zaaier incompetent; maar de gelijkenis richt zich op de reactie in de bodem en zegt niets over de verdeling van het zaad. Ook bij het zaad in goede grond is er variatie te zien: het zaad draagt vrucht, maar niet altijd evenveel. Over hoe de ‘vrucht’ in honderd-, zestig- en dertigvoud precies geduid moet worden, zijn uitleggers het niet eens. Als het om de hoeveelheid tarwekorrels per zaad gaat, dan is dertig korrels opbrengst per zaadje niet veel. Honderd is goed, maar niet uitzonderlijk.
- Laat wie oren heeft goed luisteren: Deze formule vinden we in Matteüs 11:15, in onze passage en in 13:43. Net als in Lucas 14:35 en Openbaring 2:7 roept ze op om moeite te doen: alleen wie echt luistert en ervoor openstaat, zal de betekenis en de openbaring begrijpen.
Bij verzen 10-17
- In vers 10-17 vragen de leerlingen aan Jezus waarom Hij in gelijkenissen spreekt. Jezus antwoordt dat de betekenis van het koninkrijk van God alleen wordt onthuld aan wie ervoor openstaat, terwijl anderen het niet begrijpen, omdat hun hart gesloten is. Hij verwijst naar een profetie van Jesaja: mensen horen en zien wel, maar begrijpen het niet echt. Tegelijk zegt Jezus dat zijn leerlingen gelukkig zijn, omdat zij wél zien en begrijpen wat velen vóór hen verlangden te begrijpen, maar niet kregen. In dit deel van Matteüs krijgt de groep leerlingen steeds meer een eigen profiel ten opzichte van Israël, totdat Jezus in Matteüs 16:18 Petrus als de rots betitelt waarop Hij zijn kerk zal bouwen. Als verklaring voor de kloof met het grootste deel van Israël stelt Jezus dat God hen wel wil genezen, maar ze dat niet willen.
Bij vers 18
- Hoor en begrijp dan nu: Het zijn de leerlingen die de uitleg krijgen van Jezus; niet de menigte. We zien dat de gelijkenis over de bevoorrechte positie gaat, over degenen bij wie Jezus’ woorden in goede aarde vallen. Jezus’ leerlingen, de bevoorrechten, krijgen de uitleg terwijl de menigte het zelf moet uitzoeken.
Bij vers 19
- het woord van het koninkrijk: Dat verwijst naar het koninkrijk van de hemel, dat Jezus sinds 4:17 verkondigt en waar verschillende reacties op zijn geweest, getuige hoofdstukken 11
en 12 . - hij die het kwaad zelf is: Hier wordt verwezen naar Satan (zo heeft Marcus) of de duivel (zo heeft Lucas). De duivel is de oorzaak van het onbegrip.
Bij vers 20-21
- dat zijn zij die het woord horen en het meteen met vreugde aannemen: De rotsachtige grond vertegenwoordigt de ontvankelijkheid waarmee de boodschap met vreugde wordt ontvangen. Dit doet denken aan de menigte die Jezus sinds 4:24-25 volgt. Hun enthousiasme heeft geen wortels, en sommige uitleggers merken wrang op dat er van deze enthousiaste menigte niets meer over is als Jezus in Jeruzalem moet lijden. Een uitlegger zegt het zo: ‘The scorching sun represents the fact that following Jesus will not always be fun.’ Jezus verwijst naar verdrukking en vervolging: niet iedereen kan het volhouden (zie ook 5:11; 10:16-42; 24:9-13).
Bij vers 22
- bij wie de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken: Rijkdom wordt expliciet verbonden met ‘de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom’ die het woord verstikken, zodat het geen vrucht draagt. Rijkdom werkt hier als een macht die aandacht, verlangen en loyaliteit opeist. Dit komt al eerder in het evangelie naar voren, in Matteüs 6:19‑33, waar Jezus waarschuwt om geen schatten op aarde te verzamelen, maar in de hemel. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn; rijkdom verdringt de aandacht van Gods koninkrijk. Jezus zegt dat men geen twee heren kan dienen: God en de mammon. Rijkdom krijgt daarmee de status van een afgod. Rijkdom brengt daarbij ook allerlei zorgen met zich mee (6:25‑34), wat het vertrouwen op Gods voorzienigheid vervangt door angst en proberen zichzelf te redden.
Bij vers 23
- Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen: ‘Begrijpen’ gaat in het Matteüs-evangelie niet alleen om cognitief weten of snappen. ‘Begrijpen’ betekent ook dat je het woord toepast in een leven volgens de waarden van het koninkrijk – anders heb je het niet begrepen. Begrijpen is volgens Matteüs dus ook doen, handelen. Alleen horen is slechts het eerste deel van begrijpen. Jezus zegt niet voor niets dat men aan de boom de vruchten kent: ‘Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo brengt elke goede boom goede vruchten voort, maar een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen, evenmin als een slechte boom goede vruchten’ (Mat. 7:16-18).
- Zij zijn het die vrucht dragen, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig: De opbrengst is niet altijd hetzelfde, er zit variatie in. Zo is het met Jezus’ leerlingen: ze brengen vrucht, maar niet altijd evenveel. De aandacht moet uitgaan naar dát er vrucht wordt gedragen, niet naar hoevéél.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
