Ruth 1 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Het verhaal van Ruth heeft een trieste aanloop. Nadat Naomi haar man en zonen in Moab heeft verloren, besluit ze terug te keren naar Betlehem. Haar twee schoondochters staan voor een keuze: waar ligt hun toekomst? Niet bij mij, waarschuwt Naomi. Wees verstandig, blijf op bekend terrein. Maar Ruths trouw is sterker dan Naomi’s bedenkingen. Ruth wijkt niet van Naomi’s zijde. Zij getuigt van hun onverbrekelijke band en gaat mee naar Betlehem. Het is vol bitterheid dat Naomi terugkeert in haar vaderstad. God heeft mij met lege handen terug doen komen, zegt ze. Maar ze vergist zich. Dat blijkt steeds duidelijker als het verhaal verdergaat. Bitterheid maakt ons blind voor het mooiste dat we in het leven ontvangen: de trouw en liefde van mensen om ons heen.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De thematiek van het boek Ruth is ‘omkering’. Zoals Naomi letterlijk omkeert en terugkeert (Ruth 1), zo wordt uiteindelijk alles omgekeerd, ten goede gekeerd. Maar het gebeurt op een onverwachtse manier. De bittere Naomi vindt haar levensvreugde terug en uiteindelijk blijkt Ruth degene die haar toekomst biedt. Dit hangt samen met Ruths plek. Als Ruth verschijnt in Betlehem kunnen de vrouwen haar niet plaatsen en wordt ze genegeerd (Ruth 1); Ruth treedt aan als vreemdeling, die omwille van haar trouw hulp en erkenning krijgt (Ruth 2); het is Ruth die de weg vooruitwijst om de familielijn te redden (Ruth 3); uiteindelijk krijgt ze grote waardering en maakt God haar tot stammoeder van David (Ruth 4).
- Terwijl terugkeer (uit ballingschap) een positief motief is in de Bijbel, is Naomi’s terugkeer bitter. God laat mij ‘leeg’ terugkeren, zegt ze, Hij heeft zich tegen mij gekeerd. Naomi komt terug in haar oude omgeving – berooid, zonder man en zonen. Zoiets kan voelen als vernedering en mislukking. Het bittere gevoel dat dat meebrengt, maakt haar blind voor wat ze wél heeft, of beter: voor wíé ze wel heeft, Ruth. Hoe houd je, als somberheid en bitterheid de boventoon voeren, oog voor de liefde en trouw van mensen om je heen?
- Ruth is vastbesloten mee te gaan met Naomi. Zij weet zich verbonden aan Naomi zoals een man zich bindt aan zijn vrouw (zie aantekeningen bij vs. 14). Ze zweert trouw aan Naomi, aan Naomi’s land en God. Waarom doet ze dat? Boaz interpreteert het als een daad van ḥesed, trouw (2:11-12). Ik hoor bij jou, dat is Ruths drijfveer om met Naomi mee te gaan. Ruth laat zich niet beïnvloeden door rationele bezwaren of een somber toekomstbeeld. Ze blijft trouw aan de familieband. Haar diepste drijfveer is om te doen wat goed is voor de ander met wie ze verbonden is en van wie ze houdt. In onze samenleving is het individu meer en meer centraal komen te staan. Toch roept Ruths trouw herkenning en bewondering op. Wat kunnen wij in onze omstandigheden van haar leren?
- Er is een parallel tussen Ruth en Abraham: de keuze voor God, het verlaten van je eigen land en je verwanten, en de zegen van de HEER. Bovendien keren de twee kernelementen van de zegen voor Abraham, nageslacht en landbezit, terug in Ruth. Ruth is een Moabitische vrouw die trouw blijft aan Naomi en daarmee ook aan haar volk en God. De profetische tekst van Jesaja 56:1-8 is van toepassing: wie zich verbindt met de HEER en zich daarnaar gedraagt, krijgt een plek in Israël. Op die manier gelezen, wijst het verhaal van Ruth vooruit naar Pinksteren. Zoals God Abraham gebruikt om te laten zien hoe Hij omgaat met zijn volk Israël, gebruikt Hij Ruth om te laten zien hoe Hij omgaat met de volken. Hoe kunnen we Ruth op deze wijze zien als een theologisch voorbeeld?
Redding ook voor buitenstaanders
Context van Ruth 1
Het boek Ruth als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Ruth vind je in NBV’s Inleiding op Ruth
Het verhaal van Ruth heeft vier hoofdscènes, die samenvallen met de vier hoofdstukken:
- Van Moab terug naar Betlehem
- Ruth op het land van Boaz
- Ruth en Boaz op de dorsvloer
- In de poort van Betlehem
Kenmerkend voor de opbouw van het verhaal is een spiegeling tussen de hoofdstukken. Het eerste en laatste hoofdstuk vormen elkaars spiegelbeeld, waarbij Naomi’s bitterheid en haar nieuwe levensvreugde tegenover elkaar staan. De twee hoofdstukken in het midden vormen eveneens een tweeluik.
Schematisch overzicht
H 1: Van Moab terug naar Betlehem | H 4: In de poort van Betlehem |
Voorgeschiedenis: de mannen sterven (1:1-5) |
|
H 2: Ontmoeting Ruth en Boaz op Boaz’ land | H 3: Ontmoeting Ruth en Boaz op Boaz’ dorsvloer |
Hoofdscène: | Hoofdscène: |
Thematiek
De gespiegelde opbouw van het boek raakt aan de thematiek van omkering. Zoals Naomi letterlijk omkeert, terugkeert in Ruth 1, zo wordt uiteindelijk alles omgekeerd, ten goede gekeerd, op een onverwachtse manier. De bittere Naomi vindt haar levensvreugde terug. Waar Naomi in Ruth 1 tegen Ruth zegt ‘ik heb je niets te bieden’, blijkt het uiteindelijk Ruth te zijn die Naomi toekomst biedt.
Terwijl ‘terugkeer’ (uit ballingschap) doorgaans een positief motief is in de Bijbel, is Naomi’s terugkeer bitter. God laat mij ‘leeg’ terugkeren, zegt ze, Hij heeft zich tegen mij gekeerd. Ze komt terug in haar oude omgeving – berooid, zonder man en zonen.
Ruth is vastbesloten trouw te blijven aan Naomi. Ze zweert trouw aan Naomi, haar land en haar God. We lezen niet expliciet waarom zij die keuze maakt. Boaz interpreteert het als een daad van trouw (ḥesed). Ruths trouw laat zich niet beïnvloeden door rationele bezwaren of een somber toekomstbeeld. Het is een diepe drijfveer om te doen wat goed is voor de ander, van wie je houdt.
Niet alleen Naomi maakt een ommekeer door, dat geldt ook voor Ruth. Als ze aankomt in Betlehem is ze anoniem, de vrouwen in de poort lijken haar te negeren. Op het veld van Boaz noemt ze zichzelf een vreemdeling, de buitenstaander, maar Boaz ziet haar als familie (‘mijn dochter’). Daar gaat Ruth op door, door Boaz met klem te vragen om het losserschap – de familieverplichting – ten opzichte van haar te vervullen.
Boaz beschouwt Ruths vraag als een bewijs van haar trouw, dat zelfs het eerste (bij Naomi blijven en voor haar zorgen) nog overtreft. En hij beantwoordt haar blijk van trouw met het zijne. De eerste losser is bereid het land te kopen, maar schrikt ervoor terug als hij te horen krijgt dat Ruth bij de koop is inbegrepen: het kind dat ze zullen krijgen, komt op naam van haar overleden man en erft het land. Dat kan ik me niet veroorloven, meent de eerste losser en hij treedt terug. Het offer dat de naamloze losser niet wil brengen, brengt Boaz wél. Trouw zijn heeft een prijs.
Als alles ten goede is gekeerd, moet er nog één ding terugkeren: de levensvreugde van Naomi. Leeg was Naomi teruggekeerd naar Betlehem: zonder man, zonder zoons, zonder vreugde. De zoon die God schenkt aan Ruth en Boaz zal, zo juichen de vrouwen van Betlehem, de levensvreugde doen terugkeren (4:15).
Opbouw en kern van Ruth 1
De tekst van Ruth 1 bestaat uit drie delen:
Vers 1-5: Inleiding
Vers 6-18: Hoofdscène
Vers 19-22: Epiloog
De inleiding op het verhaal (vs. 1-5) zit vol aanwijzingen. Het verhaal speelt in de tijd van de Rechters (zie vs. 1). De herkomst van de familie, Betlehem Efrata, doet meteen denken aan David. Het motief van hongersnood en ergens gaan wonen als vreemdeling roept de Genesis-verhalen tot leven. Maar de inleiding eindigt in trieste omstandigheden: de drie mannen gaan dood.
De hoofdscène begint met een daad van God. Naomi verneemt dat God zijn volk weer te eten heeft gegeven, de hongersnood is voorbij. Daarom besluit ze terug te keren. Omdat ze haar schoondochters niets meer te bieden heeft, drukt ze hun op het hart om in Moab te blijven. Orpa volgt haar raad, Ruth weigert.
Ruths getuigenis is de kern en climax van de tekst (vs. 16-17). Ruths woorden worden vaak uitgelegd als een bekeringsmoment: ‘uw volk is (vanaf nu) mijn volk en uw God is (vanaf nu) mijn God’. Hoe mooi dat ook klinkt, de oorspronkelijke betekenis van wat Ruth zegt is waarschijnlijk een andere. Ruth benadrukt tegenover Naomi dat de familieband tussen hen onverbrekelijk is: ‘uw volk is (immers) mijn volk en uw God is (immers) mijn God’. Ruth hóórt bij de familie van Elimelech, dus het ís haar volk en het ís haar God. Het centrale gegeven is de trouw van Ruth.
De epiloog van het eerste hoofdstuk brengt een moment van ironie in het verhaal. Wanneer ze Betlehem binnenkomen, hebben de vrouwen van de stad alleen oog voor Naomi. Ruth merken ze nauwelijks op. Ze kunnen haar niet plaatsen. Ook Naomi lijkt vergeten dat er iemand aan haar zijde meekomt, als ze bitter spreekt over haar ‘lege handen’. Maar juist degene die hier nog geen plaats heeft, zal de sleutel zijn tot het herstel voor Naomi.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
- rechters: Leiders van Israëlitische stammen in de periode voorafgaand aan de koningen.
- een hongersnood: Door zulke rampen werd men vaak gedwongen uit te wijken naar buurlanden die er niet door waren getroffen (Gen. 12:10; 26:1-2; 42-43
; 1 Kon. 17:8-16; 2 Kon. 8:1). Met dit motief wordt de lezer herinnerd aan de verhalen in Genesis. Zie achtergrondartikel ‘Het boek Ruth als knooppunt van Bijbelse tradities en als pinksterverhaal ’. - Betlehem: De Hebreeuwse naam betekent: ‘broodhuis’ of ‘huis van brood’. Hier klinkt ironie door, omdat Elimelech daar met zijn vrouw en zonen wegtrekt vanwege een hongersnood. Betlehem is ook de geboorteplaats van koning David (zie 4:22). In 1:6 wordt verteld dat God zijn volk weer ‘brood’ gaf (zie de aantekening bij vs. 6).
- om als vreemdeling te gaan wonen: Het Hebreeuwse woord gûr, ‘ergens verblijven als vreemdeling’, roept direct de verhalen van Genesis op. Het motief ‘als vreemdeling verblijven’ komt vaak voor in de aartsvaderverhalen. Bovendien komt het ook tweemaal voor in de context van hongersnood, net als in Ruth: Abram en Sara verblijven als vreemdeling in Egypte vanwege een hongersnood (Gen. 12:10), en Isaak en Rebekka in Gerar (Gen. 26:3).
- de vlakte van Moab: Het land Moab lag ten oosten van de Dode Zee. De Moabieten waren verwant aan de Israëlieten (Gen. 19:37). Het woord dat hier met ‘vlakte’ wordt vertaald, komt ook terug in Ruth 2
, voor ‘het land’ of ‘het veld’ van Boaz, waarop Ruth aren leest, en daarna nogmaals in Ruth 4 , voor het stuk ‘land’ van Naomi dat de losser koopt.
Abram en Sarai in Egypte
Isaak en Rebekka in Gerar
De vrouw uit Sunem krijgt haar bezittingen terug
Abram en Sarai in Egypte
Bij vers 2
- Elimelech: Betekent: ‘mijn God is koning’.
- Naomi: Betekent: ‘de gelukkige’ (zie ook de aantekening bij vs. 20). De NBV spelde de naam als Noömi. Dat was onderdeel van een poging om de Bijbelse namen op een consequente manier weer te geven in het Nederlands. Het lukte echter niet om deze aanpassing te laten inburgeren. Naomi is de standaard gebleven en daar sluit de NBV21 opnieuw bij aan.
- Machlon: Betekent: ‘de zieke’. In Ruth 1 staat niet wie met wie getrouwd was. Pas in Ruth 4:10 blijkt dat Ruth de vrouw van Machlon was.
- Kiljon: Betekent: ‘de zwakke’.
- Efratieten uit Betlehem in Juda: Efrata was de naam van het geslacht waartoe Elimelech behoorde. Het was ook de naam van het gebied rond Betlehem, dat soms ook ‘Betlehem Efrata’ wordt genoemd (zie 4:11). Behalve als de plaats waar Rachel begraven werd (Gen. 35:19), wordt deze plek specifiek in verband gebracht met David (1 Sam. 17:12; Micha 5:1). Het verband is zo duidelijk dat je kunt zeggen dat Davids naam vanaf het begin boven dit verhaal zweeft. In 1 Kronieken 2:19, 24, 50; 4:4 wordt de stammoeder Efrat genoemd, de vrouw van Kaleb (net als Boaz een afstammeling van Juda, Peres en Chestron). Een van haar (klein)zonen was de stichter van Betlehem.
Bij vers 4
- Moabitische vrouw: Huwelijken of andere betrekkingen met Moabitische vrouwen staan in het Oude Testament beslist niet positief bekend. In Numeri 25
wordt verteld hoe Moabitische vrouwen Israëlitische mannen verleidden tot afgodendienst, met vreselijke gevolgen. In 1 Koningen 11 gebeurt met Salomo hetzelfde. In Nehemia 13 verzet Nehemia zich hevig tegen zulke gemengde huwelijken. In het licht van deze Bijbelse tradities heeft vers 4 een ongunstige klank. Dat de Moabieten volgens Genesis 19:30-38 zijn ontstaan uit ontucht van de dochters van Lot met hun dronken vader droeg ongetwijfeld bij aan hun negatieve imago. Het boek Ruth als geheel biedt een krachtig tegenverhaal. - Orpa: De naam is waarschijnlijk afgeleid van het woord voor ‘nek’, ‘rug’: zij die zich omdraait.
- Ruth: Een veelgehoorde uitleg is dat de naam Ruth ‘vriendin’ betekent, maar het is de vraag of dat klopt. Anderen suggereren dat het komt van een woord dat ‘verkwikken’ betekent.
Bij vers 6
- dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken: Dat God zich het lot van zijn volk heeft aangetrokken is een veelzeggend Bijbels motief, waarmee ook het Exodus-verhaal begint (Ex. 2:25; 3:16; 4:31). Met dit motief wordt het ‘kleine’ verhaal van Ruth in het grote verhaal van Israël verankerd.
- en het weer brood had gegeven: Op twee plaatsen in het boek Ruth wordt Gods concrete handelen genoemd, in 1:6 aan het begin en in 4:13 aan het eind. (Los daarvan wordt God vaak aangehaald of genoemd in wat de mensen tegen elkaar zeggen in het verhaal.) In 1:6 geeft (Hebreeuws: nātan) God zijn volk weer brood. Dat is voor Naomi de aanleiding om terug te keren, het startpunt van het verhaal. In 4:13 zorgt God ervoor dat Ruth zwanger wordt (Hebreeuws: God geeft [nātan] haar zwangerschap): dat vormt de bekroning aan het eind van het verhaal. Gods handelen omsluit in het boek Ruth de verhalende gebeurtenissen. De NBV vertaalde deze frase als ‘en dat het weer te eten had’. De NBV21 legt terecht meer nadruk op Gods activiteit (‘had gegeven’) en kiest bewust voor ‘brood’, vanwege de connectie met de naam Betlehem, het broodhuis. Let op: het werkwoord ‘geven’ (nātan in het Hebreeuws) wordt in Ruth 1 en Ruth 4 steeds met God verbonden: 1:6, 9 (‘ervoor zorgen’ > geven); 4:11, 12, 14 (‘liet haar zwanger worden’ > gaf haar zwangerschap).
- terug te keren: Met een herhaald ‘terugkeren’ (Hebreeuws: šûb) wordt het motief van de terugkeer naar Betlehem vormgegeven. Dit is het centrale themawoord van Ruth 1. Dit woord is speciaal verbonden met Naomi. Het komt twaalf keer voor in Ruth 1 (in vs. 6, 7, 8, 10, 11, 12, 15, 16 en 22) en daarna nog enkele keren als er naar de gebeurtenis in hoofdstuk 1 wordt terugverwezen. In de NBV21 kom je in al deze verzen een werkwoord met ‘terug’ tegen. Zo is dit motief zichtbaar in de vertaling.
Bij vers 8
- het huis van je moeder: Deze uitdrukking verwijst naar het ouderlijk huis (Gen. 24:28, 67). Het is wel een opvallende woordkeuze want ‘het huis van je vader’ wordt in de Bijbel veel vaker gebruikt.
- goed voor jullie zijn: Het Hebreeuwse woord ḥesed wordt herhaald in 2:20 (trouw) en 3:10 (trouw). Dit is een belangrijk themawoord in het boek Ruth. Boaz betoont ‘trouw’ aan Naomi en Ruth (2:20) en Ruth betoont volgens Boaz dubbel trouw aan Naomi: eerst door met haar mee terug te keren en voor haar te zorgen (hfst. 2
) en daarna zelfs nog meer door haar bereidheid zich aan Boaz’ losserschap toe te vertrouwen waardoor de familielijn van Naomi niet uitsterft (hfst. 3 ). Naomi’s woorden in 1:8 drukken de bede uit dat God de trouw van mensen (zoals Ruth) beantwoordt met zijn eigen blijk van trouw.
Bij vers 11
- die jullie mannen kunnen worden: Volgens de wetten van het zwagerhuwelijk (Deut. 25:5-10) moet een man trouwen met de weduwe van zijn kinderloze broer. Hun eerste zoon geldt als kind van de gestorvene, zet diens naam voort en heeft recht op zijn erfdeel. Naomi past deze regel toe op Ruth en Orpa, maar benadrukt tegelijkertijd dat het praktisch onmogelijk is: zij is te oud om opnieuw te trouwen en kinderen te krijgen. Het bekendste verhaal over het zwagerhuwelijk is dat van Juda’s zonen, Er, Onan en Sela, en zijn schoondochter Tamar (Gen. 38
). Die familiegeschiedenis wordt aangehaald in Ruth 4:12.
Bij vers 13
- mijn lot is te bitter voor jullie: Vergelijk vers 20.
Bij vers 14
- week niet van haar zijde: De Hebreeuwse uitdrukking betekent ‘zich hechten aan’. Precies deze uitdrukking wordt ook gebruikt in Genesis 2:24 voor de huwelijksverbinding: een man ‘hecht zich aan’ zijn vrouw. Dit toont niet alleen Ruths vastbeslotenheid, maar vooral dat zij zich verbonden voelt met Naomi door een onverbrekelijke familieband. Zie ook de aantekeningen bij Ruth 2:11
.
Bij vers 15
- haar god: Kemos, de god van Moab.
Bij vers 16
- Waar u gaat, zal ik gaan: Het werkwoord ‘gaan’ (Hebreeuws: hālak) wordt in het verhaal een aantal keer gebruikt in verband met Ruth, om te laten zien dat zij de juiste weg gaat (1:16, 18; 2:2-3, 8-9, 11; 3:10).
- uw volk is mijn volk en uw God is mijn God: Het getuigenis van Ruth in vers 16-17 is de climax van deze eerste scène. Het heeft een tegenhanger in Boaz’ getuigenis in 4:9-10, dat de climax van de laatste scène vormt. Het gaat niet zozeer over de vraag in welke God Ruth gelooft (dat is een moderne vraag), maar bij welk volk en bij welke God ze hoort. Ruths punt is: ik hoor bij jou, bij jouw volk, bij jouw God en dus ga ik mee. Tegelijk laat Ruth met haar getuigenis ook zien dat we haar als Moabitische vrouw niet over één kam mogen scheren met de Moabitische vrouwen waarvoor andere teksten waarschuwen: vrouwen die je verleiden om vreemde goden te vereren (zie ook aantekening bij vs. 4).
Bij vers 17
- Alleen de dood zal mij van u scheiden: De verschillende uitdrukkingen in vers 16-17 benadrukken hoezeer Ruth aan haar schoonmoeder gehecht is. Dat is geen eigenbelang, want Naomi heeft haar niets te bieden. Het is een blijk van Ruths trouw aan de familieband.
- anders mag de HEER met mij doen wat Hij wil: Dit is een bekende eedformule met een zelfvervloeking in het geval de eed gebroken wordt. Ruth de Moabitische zweert trouw aan Naomi in de naam van de HEER, de God van Israël. Een krachtiger getuigenis was niet denkbaar.
Bij vers 19
- Hun aankomst (...): Midden in het vers begint een nieuwe alinea. Hier in vers 19 is er een verandering van plaats (van onderweg naar Betlehem) en van personages (de handeling speelt zich af tussen Naomi en de vrouwen van Betlehem).
- de vrouwen: In de brontekst staan de vrouwen niet expliciet genoemd, maar uit de vrouwelijke meervoudsvorm van het werkwoord blijkt dat de vrouwen in de stad aan het woord zijn. In de parallel-passage in Ruth 4 komen de vrouwen terug (4:14). Daar worden ze in de brontekst wel expliciet genoemd. De vrouwen hebben de rol van het ‘koor’ dat commentaar geeft. Opvallend genoeg merken ze in hoofdstuk 1 alleen Naomi op, Ruth blijft ongenoemd en ongezien. In hoofdstuk 4 is Ruth één van hen geworden: ze hoort er nu volledig bij.
Bij vers 20
- Mara: Mara kan worden vertaald als ‘de bittere’. Het is het tegendeel van Naomi, ‘de gelukkige’.
- de Ontzagwekkende: Met deze naam (Hebreeuws: El Sjaddai) maakte God zich ook bekend aan Abram (Gen. 17:1). Ook daar is El Sjaddai, de Ontzagwekkende, de God die in staat is een kind geboren te laten worden in een situatie waarin dat menselijkerwijs niet mogelijk is.
Verbond tussen God en Abram
Bij vers 21
- met lege handen: In 3:17 worden Ruths lege handen juist door Boaz gevuld.
Bij vers 22
- het begin van de gersteoogst: De oogst vond plaats in het voorjaar, in dezelfde periode als het Israëlitische pesachfeest (meestal in april). De tarweoogst (2:23) is zo’n twee maanden later, in de tijd van het Wekenfeest, zeven weken na Pesach (in mei of juni).
- Ruth, de Moabitische: De buitenlandse oorsprong van Ruth wordt geregeld benadrukt (2:2, 6, 10, 21; 4:5, 10). Het boek laat zien dat deze vrouw uit Moab een voorbeeld is van trouw (zie de aantekening bij vs. 4).
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
Webinarserie
‘Met Ruth op weg naar Pinksteren’ – een serie van zes webinars over het boek Ruth en het overkoepelende thema van Ruth in het licht van Pinksteren:
Webinar 1: Samenhang en thematiek van het boek Ruth
Webinar 2: Ruth in gesprek met het Oude Testament
Webinar 3: Ruth en het grote verhaal over God en Israël
Webinar 4: Handelingen 2
Webinar 5: Handelingen 8
Webinar 6: Ruth, een messiaanse lezing
