Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Ruth en Boaz

Over lossing en zwagerhuwelijk

Er moest veel geregeld worden voordat Ruth met Boaz kon trouwen en moeder worden van een zoon, die de grootvader werd van koning David. Om de gebeurtenissen uit dit Bijbelboek beter te begrijpen is inzicht in de toen heersende sociale omstandigheden en rechtsgewoonten nodig.

Samenvatting
Voor een goed begrip van het boek Ruth is kennis van de toenmalige sociale omstandigheden en rechtsgewoonten onmisbaar. Dit achtergrondartikel reikt die historische inzichten aan. Het gaat in op symbolische handelingen in de rechtspraktijk (het uittrekken van de sandaal in Ruth 4), op de rechten van vreemdelingen, op de rol van de losser in het Oude Testament, het zwagerhuwelijk, en de onverwachte combinatie van die twee rollen in het boek Ruth. Het werkt toe naar een antwoord op de vraag wat er precies gebeurt in Ruth 4: wiens land wordt verkocht en hoe hangt het ‘verwerven’ van Ruth samen met de koop van het land? Dankzij deze historische informatie komt het verhaal tot leven.

Webinarserie over Ruth

Tussen 9 mei en 13 juni 2022 organiseerde het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap een wekelijks online webinar voor voorgangers en theologen met als thema Met Ruth op weg naar Pinksteren. Bekijk hier de webinars en bijbehorende materialen.

Omdat David in circa 1000 v.Chr. koning werd, moet het verhaal zich hebben afgespeeld in de eerste helft van de elfde eeuw v.Chr., het einde van de tijd van de Rechters (vgl. Ruth 1:1). Israël was destijds een tribale samenleving en het decor van het verhaal was het stadje Betlehem – het had een stadspoort en stadsoudsten, zie 4:1-2 – met een bevolking van overwegend boeren.

Symbolische handelingen in de rechtspraktijk

De onbekende schrijver van Ruth leefde blijkens Ruth 4:7-8 (veel) later. Daar wordt uitgelegd dat de verkoop van onroerend goed vroeger bezegeld werd doordat de verkoper zijn sandaal uittrok en die aan de nieuwe eigenaar gaf. Het is een voorbeeld van de symbolische handelingen die oudtijds bij juridische transacties de gesproken woorden vergezelden. De lezers van Ruth wisten dat blijkbaar niet meer en dat geldt ook voor ons, omdat Israëls wetten hier geen melding van maken en we uit het oude Israël geen rechtsoorkonden bezitten. Zulke symbolische handelingen worden in oude Babylonische contracten wel vermeld. Zo werd bij de vrijlating van een slaaf zijn voorhoofd gezalfd, als bewijs van zijn nieuwe status, en kon bij onterving van een zoon een ‘kluit aarde’ gebroken worden, zijn rechten werden tenietgedaan. Bij echtscheiding werden de zomen van de gewaden van man en vrouw aan elkaar geknoopt en werd de knoop voor getuigen doorgesneden. Soms is de symbolische betekenis van zulke handelingen niet erg duidelijk, zoals het breken van een pot bij de vrijlating van een slaaf, en dat geldt ook van het ‘uittrekken van de sandaal’ in Ruth 4:7-8.

Een sandaal komt ook voor in Deuteronomium 25:9, als een man de plicht om de weduwe van zijn overleden broer te huwen niet wil nakomen. Dan trekt die weduwe hem zijn sandaal uit, spuwt hem in het gezicht en onteert hem daardoor. Maar dat is een heel andere situatie dan in Ruth. Daar staat de sandaal wellicht voor de voet, die iemand kan zetten op de grond die van hem is en die hij daarom uittrekt als hij zijn bezitsrecht opgeeft. Dat wordt gesuggereerd door de zegswijze ‘zijn voet optillen van’ en ‘zijn voet neerzetten op’ een akker, die vinden we in oorkonden uit Nuzi, een stad in Mesopotamië. Daar gebeurt het bij de overdracht van het eigendom van onroerend familiebezit, en in Babylonische oorkonden wordt gezegd dat de schuldeiser ‘gaat staan op de grond’ die aan hem verpand wordt.

Emigratie en vreemdelingen

Elimelech was met zijn gezin vanwege een hongersnood uitgeweken naar het naburige Moab. Dat gebeurde vaker in Kanaän, ook Abraham week volgens Genesis 12:10 om die reden uit naar Egypte. De landbouw in Kanaän was vrijwel volledig afhankelijk van de regenval en het uitblijven ervan was desastreus. Emigreren of asiel zoeken in een buurland was dan de enige oplossing, zoals ook de profeet Elisa een weduwe in 2 Koningen 8:1 adviseerde. Dat was in een buurland als Moab niet moeilijk; ook Davids ouders weken iets later, toen Saul hem steeds meer in het nauw bracht, daarheen uit (1 Samuel 22:3-4). Elimelech en zijn familie kregen in Moab wellicht dezelfde status als vreemdelingen in Israël (gēr genoemd), die weliswaar minder rechten hadden, maar hun uitbuiting werd veroordeeld (Exodus 22:20; Deuteronomium 1:16). Ze zijn in Moab ingeburgerd, want hun zonen huwen Moabitische meisjes. In de grensgebieden van het vroege Israël zijn vaker ‘gemengde huwelijken’ gesloten, bijvoorbeeld dat van Simson met een Filistijnse (Rechters 14:1-2). Het gebod dat een Ammoniet of Moabiet ‘nooit of te nimmer tot de gemeenschap van de HEER zal worden toegelaten’ (Deuteronomium 23:4-5), dat doelt op deelname aan de eredienst, dateert van later tijd.

‘Aren lezen’

Als arme weduwe bij het begin van de gersteoogst in Betlehem beland, besluit Ruth aren te gaan lezen om in haar levensonderhoud te voorzien. Het recht om dat te doen wordt later gestipuleerd in Leviticus 19:9-10 = 23:22: ‘Ga bij het binnenhalen van de oogst niet tot aan de rand van de akker en raap niet wat blijft liggen bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen’ (‘bijeenrapen’ is hier hetzelfde werkwoord als ‘(aren) lezen’). En al eerder had Deuteronomium 24:19 bepaald: ‘Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen.’ Het was een oud gewoonterecht, dat Ruth wellicht al uit Moab kende. Zorg voor en bescherming van de haast per definitie arme weduwen was in het Nabije Oosten van oudsher een bewijs van sociale gerechtigheid. Al rond 2400 v.Chr. zwoer een koning in Mesopotamië een plechtige eed dat hij ‘wees en weduwe niet aan de machtige zou prijsgeven’. Psalm 68:6 prijst God als ‘vader van wezen en beschermer van weduwen’ en de echo ervan vindt men in Exodus 22:21: ‘Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten.’ Deuteronomium vermeldt het herhaaldelijk, het thema keert terug bij de profeten en Elisa helpt zo’n bedreigde weduwe in 2 Koningen 4:1-7.

Ruth komt op de akker van de vriendelijke Boaz terecht en Naomi onthult (Ruth 2:20) dat ‘hij een naaste verwant van ons is; de man is een van onze lossers’. ‘Losser’ (Hebr. goël) wordt nu een kernwoord van het verhaal dat draait om de toekomst van Ruth en het bezit van Elimelechs land. Begrijpen wat er precies gebeurde is niet eenvoudig, omdat de tekst soms laconiek en taalkundig onduidelijk is en de rechtshandelingen vragen oproepen. Dat heeft tot een groot aantal publicaties, met soms tegenstrijdige oplossingen geleid. Ik moet mij hier tot de hoofdzaken beperken en presenteer wat mij de beste oplossingen lijken, al blijven er vragen over.

‘Lossen’

‘Lossen’ (gā’al in het Hebreeuws) is een ruim begrip. Het wordt gebruikt naast en gepreciseerd door ‘loskopen’, ‘redden’ en ‘helpen’ (in Jesaja 41:14) en kan de rechtshulp aanduiden die aan een familielid verleend wordt.

‘Lossen’ is een goede vertaling omdat het vaak gaat om het bevrijden van dreigende verplichtingen die rusten op personen en zaken. In Leviticus 27:15 wordt het zelfs gebruikt voor het loskopen van een huis dat als geschenk aan God gewijd is. De losser behartigt ook de belangen van een dood familielid. Volgens Numeri 5:8 wordt het ‘zoengeld’ voor een misdaad, waardoor een familielid is omgekomen, aan hem uitgekeerd. En in Deuteronomium 19:6 en 12 en Numeri 35:12 is sprake van ‘de losser van het bloed’, die namens de familie de bloedwraak moet voltrekken. De losser treedt vooral op bij economische problemen, die vaak ook de familie raken; Jeremia 32:7 spreekt van ‘de rechtsregel inzake lossing’. De losser koopt in Leviticus 25:25 de grond los die een verarmd familielid heeft moeten verpanden, om te voorkomen dat die voor de familie verloren gaat. En in vers 48-49 koopt hij een familielid los dat zich wegens schulden aan een vreemdeling heeft moeten verkopen. Daar wordt gezegd dat hij ‘één van zijn broers, een oom of een neef of een andere naaste bloedverwant’ kan zijn, iemand ‘vanuit de familie’ (mišpāḥā), de clan.

Boaz is zo’n ‘naaste verwant’ van Naomi, een van degenen die Leviticus 25:49 als lossers noemt. Daarom komt hij straks in actie in verband met de verkoop van het land van Elimelech. En omdat een losser familieleden in nood te hulp komt, verbaast het niet dat de kinderloze weduwe Ruth een beroep op hem doet. Maar de wetten bepalen niet dat een ‘losser’ zo’n weduwe moet huwen, of, met andere woorden, een leviraatsverplichting heeft.

Het leviraat of zwagerhuwelijk

Het leviraat of zwagerhuwelijk wordt beschreven in Deuteronomium 25:5-6: ‘Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, zal zijn weduwe niet de vrouw van iemand van buiten de familie, van een vreemde worden. Haar zwager zal “tot haar komen” en haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht jegens haar vervullen. De eerste zoon die zij baart zal op naam staan van zijn overleden broer, opdat diens naam niet uit het volk Israël wordt uitgewist.’

De praktijk van een zwagerhuwelijk vinden we in Genesis 38, waar het Juda’s dochter Tamar betreft, wier echtgenoot Er sterft zonder een zoon te hebben. Diens broer Onan weigert de hem door zijn vader opgelegde zwagerplicht te vervullen, omdat ‘zo’n kind niet als zijn nageslacht zou gelden’. Als Juda in gebreke blijft zijn derde zoon die taak te laten verrichten verleidt zij haar schoonvader als hoer en baart een tweeling.

Het leviraat vindt men ook in de wetten van de Assyriërs en de Hettieten, beide uit de periode van ca. 1500-1200 v.Chr. In § 192-193 van de Hettitische Wetten wordt eerst gestipuleerd dat het huwelijk van een man met de zuster van de overleden echtgenote geen incest is. Daarna dat een man de kinderloze weduwe van zijn broer tot vrouw zal nemen en, als ook die broer sterft, diens vader (dus haar schoonvader), en als die sterft zelfs diens broer. De soms erg gedetailleerde Middelassyrische Wetten bepalen in § 30 dat een vader zijn zoon, hoewel die al verloofd is, laat huwen met de weduwe van zijn overleden broer die in het huis van haar vader verblijft. En volgens § 43 bepaalt haar schoonvader aan wie van zijn zonen, die ten minste tien jaar oud moeten zijn, hij de vrouw van een overleden of verdwenen zoon zal geven. Maar de vader van de bruid kan het huwelijk ook afblazen, waarbij hij de giften die hij ontving volledig teruggeeft.

In andere regio’s en perioden (waaruit we geen wetten bezitten) zijn ook sporen en vormen van het leviraat gevonden, ook onder de bedoeïenen en Arabische stammen in het Midden-Oosten. Het leviraat is een instelling die de kinderloze weduwe toekomstperspectief geeft. Maar er wordt in de literatuur terecht op gewezen dat hierbij vooral het belang van de familie vooropstaat. De weduwe mag niet met een ‘vreemde’, buiten de familie trouwen, want dan zou haar bezit voor de familie verloren gaan. Ook speelt een rol dat de vader van de overleden zoon door het betalen van een bruidsprijs en door kosten te maken voor het huwelijksfeest een ‘investering’ heeft gedaan, waarmee hij een jonge vrouw verworven heeft, die de familie kan ‘bouwen’. Die investering moet ‘productief ’ gemaakt worden door haar aan een andere zoon uit te huwelijken. Het meer ideële, in Deuteronomium 25 geformuleerde doel – voorkomen dat de naam van de overledene uit het volk Israël wordt uitgewist – vindt men elders niet.

Een heikel punt is ook het lot van wat de kinderloos overleden broer normaliter geërfd zou hebben. Is er geen leviraat, dan verdelen de overige broers zijn erfdeel, en als die er niet zijn, verdere erfgenamen. Dat is wellicht de reden waarom Onan in Genesis 38:9 de leviraatsplicht niet wil vervullen en waarom de anonieme losser in Ruth 4:5-6 afhaakt.

De losser als levir?

In alle bronnen is het zwagerhuwelijk een zaak binnen het gezin, ‘als broers samen wonen’, dat wil zeggen: niet gehuwd zijn en nog geen eigen gezin gesticht hebben. De Middelassyrische Wetten spreken van ‘broers die de erfenis niet hebben verdeeld’; ze voeren een gezamenlijke huishouding. Naomi heeft het (zonder het leviraat te noemen!) ook over haar gezin als ze haar schoondochters wil bewegen niet met haar mee te gaan: ‘Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen zouden kunnen worden?’ Alleen in de Hettitische Wetten (§ 193) vinden we ook de schoonvader in die rol, maar hij behoort in feite ook tot het gezin. Een verdere verwant, zoals Boaz, blijft in de wetgeving als mogelijke levir buiten beeld.

En dus rijst de vraag hoe we Ruths nachtelijke bezoek aan Boaz op de dorsvloer moeten duiden. Naomi had Boaz gewoon op zijn plicht als losser van Elimelechs land kunnen aanspreken. Maar als zij meende dat de losser bij het ontbreken van zonen toch de taak van levir op zich kon nemen, is haar plan begrijpelijk. Het doel is wel Boaz tot een huwelijk met Ruth te bewegen, waarop haar voorbereiding, zich baden en zalven, en Naomi’s woorden, ‘zal ik niet een thuis voor je zoeken?’ (Ruth 3:1), wijzen. Want een ‘thuis’ (Hebr. mānoah, letterlijk ‘rustplaats’) is voor een huwbare vrouw een eigen huis met een echtgenoot; dat moesten haar schoondochters volgens Naomi in hun eigen land vinden (Ruth 1:9). Wat Ruth doet, ‘het dek van Boaz voeteneinde opslaan en daar gaan liggen’ en haar verzoek ‘Spreid uw mantel over uw dienares uit, want u bent losser’, bevestigen dat.

Dit suggereert dat een losser, als er in het gezin geen broers en schoonvader van de jonge weduwe meer zijn, ook de leviraatsplicht kon hebben. Men heeft vermoed dat we hier te maken hebben met een rechtsgewoonte in een tribale samenleving, waarin niet het (nucleaire) gezin, maar de grotere familie, de clan de norm was. Boaz bevestigt dat hij losser is (NBV21, te vaag, ‘ik kan jullie helpen’), maar zegt dat er een andere losser is, die een nadere verwant is en dus voorgaat. Men kan daarbij denken aan de prioriteitsvolgorde van Leviticus 25:49: na de broer een oom, neef, en een andere verwant. Maar Boaz rept niet van een huwelijk.

De koop van Elimelechs land

In de stadspoort, waar met de stadsoudsten als getuigen rechtszaken werden gedaan (vgl. Genesis 23:10), confronteert Boaz de andere losser met zijn plicht of recht het stuk land ‘van onze broeder Elimelech’ te kopen, waarop deze verklaart dat te zullen doen.

De moeilijke vraag is waar het bij deze koop (hetzelfde werkwoord als in Jeremia 32:7 en Jesaja 43:24) om gaat. Er zijn twee scenario’s denkbaar:

  1. 1.De akker kopen van een familielid die het door economische malaise te gelde moet maken, om te voorkomen dat het voor de familie verloren gaat; en
  2. 2.De akker, die al verkocht is, van de nieuwe eigenaar terug- of loskopen.

Wat hier het geval is, is omstreden. Het Hebreeuws kan betekenen dat Naomi de akker heeft verkocht, waarbij het om scenario 2 zou gaan. Dat is moeilijk, omdat weduwen niet erven en dus niet kunnen verkopen. Maar Naomi zou de akker na de dood van haar zonen in bezit kunnen hebben gehouden (en dat is wat anders dan in eigendom!), met vruchtgebruik. Vreemd is dan dat Ruth aren gaat lezen, terwijl er een eigen akker beschikbaar is, die verpacht had kunnen worden. Men zou eerder verwachten dat Elimelech zijn land verkocht heeft toen hij moest uitwijken naar Moab. Dan zou ‘het land van onze broeder Elimelech’ losgekocht moeten worden om eigendom te worden van wie het geërfd zou hebben, dus Machlons zoon. En daarom moet de loskoop gekoppeld worden aan het huwen van Ruth, die die zoon moet baren. Dat zou, al is loskoop na meer dan tien jaar (Ruth 1:4) opmerkelijk, een begrijpelijke gang van zaken zijn, conform het gewoonterecht. Maar het past niet, omdat tweemaal (Ruth 4:5 en 9) uitdrukkelijk vermeld wordt dat de losser het koopt ‘uit de hand van Naomi’ en niet van de nieuwe eigenaar. Daarom vertalen velen en ook de NBV21 in vers 3, dat het land ‘door Naomi verkocht wordt’. Maar dan is het vreemd dat de losser die met Ruth gaat trouwen en dus Naomi’s nieuwe schoonzoon wordt, het land van haar moet kopen. Want erfenis van Machlon zou via de losser-levir zonder meer op naam van diens zoon komen te staan.

In vers 5 vertaalt de NBV21 dat het land wordt gekocht ‘van Naomi … en ook van Ruth’. Het Hebreeuws gebruikt hier twee verschillende voorzetsels, ‘uit de hand van Naomi’ en ‘van Ruth’, wat vreemd is. Bovendien zegt Boaz in vers 9 dat hij ‘het bezit van Elimelech en dat van Kiljon en Machlon uit de hand van Naomi koopt’; hij zwijgt over Ruth. Kopen ‘uit de hand van Naomi’ is al moeilijk, maar ‘kopen van Ruth’ past helemaal niet. Zo’n koop zou bewerken (vers 5) ‘dat de naam van haar overleden man op zijn land zal voortleven’ (de terminologie van het leviraatshuwelijk, vgl. Deuteronomium 25:6). Maar dat is geen automatisme, daarvoor is een huwelijk van Ruth met de losser nodig. Dat wordt in de Hebreeuwse tekst niet gezegd, maar de andere losser begrijpt het meteen en weigert daarom te lossen. Onan wilde dat in Genesis 38:9 ook niet met Tamar doen, omdat hij wist dat zo’n zoon ‘niet als zijn geslacht zou gelden’. De weigerachtige losser verduidelijkt dit in vers 6: ‘Het zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit’. De koop zou hem geld kosten, terwijl het gekochte eigendom zou worden van de zoon die op naam van Machlon zou staan.

De losser verwerft Ruth als vrouw

Het zwijgen over het (leviraats)huwelijk kan verholpen worden door in plaats van ‘u koopt (het) ook van Ruth’ in vers 5, met verandering van één medeklinker te lezen: ‘dan verwerft u tevens Ruth’, zoals dat ook in vers 10 gezegd wordt. De losser verwerft het land niet van, maar samen met Ruth. De koop is verbonden met het huwelijk met Ruth en dat wordt bij deze lezing nu ook duidelijk gezegd. Daarbij moet opnieuw van de consonantentekst worden afgeweken. Die zegt in vers 5 ‘ik koop’ en dat betekent dat Boaz tegen de andere losser zegt: ‘Als jij de akker van Naomi koopt, dan verwerf ik Ruth als echtgenote.’ Die interpretatie kiest Sasson in zijn boek, maar de door de Masoreten voorgestelde interpretatie, die ook de Septuaginta volgt, is mijns inziens beter: ‘Als jij de akker koopt verwerf jij tegelijkertijd Ruth’. Die combinatie is voor de losser niet acceptabel en dit spoort ook met Boaz’ slotwoord, vers 9-10. Hij zal twee dingen doen: Elimelechs land kopen van Naomi en Ruth tot vrouw nemen.

Zo huwt hij Ruth en verwekt bij haar Obed, ‘om de naam van haar overleden man op zijn erfland te laten voortleven, zodat die naam niet verloren gaat bij zijn verwanten en in de poort [d.w.z. in het publieke leven] van de stad’. De rol van Ruth wordt ook duidelijk, maar de koop ‘uit de hand van Naomi’ blijft een probleem. Het is ook een schoonheidsfout, dat in het volgende geslachtsregister (Ruth 4:21) Ruths zoon Obed verschijnt als zoon van Boaz en dat zijn vader naar de leviraatswet, Machlon, verdwenen is. Maar het verhaal van Ruth heeft ervoor gezorgd dat zijn naam bleef voortleven.

Prof. dr. K.R. Veenhof is assyrioloog. Hij was hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam en vanaf 1982 tot zijn emeritaat aan de Universiteit Leiden.

Bronvermelding

Klaas R. Veenhof, ‘Ruth en Boaz. Over lossing en zwagerhuwelijk’ in: Met Andere Woorden 41/1 (2022), 34-45.

Geraadpleegde literatuur

  • G. Braulich, ‘The Book of Ruth as Intra-Biblical Critique on the Deuteronomic Law’ in: Acta Theologica 19 (1999), 1-20.
  • M. David, Het huwelijk van Ruth, Leiden 1941.
  • P. Joüon, Ruth. Commentaire philologique et exégétique, Rome 1953.
  • Marjo Korpel en Heleen Zorgdrager, ‘Ruth in de NBV21’ in: Met Andere Woorden 40/2 (2021), 28-33.
  • M. Malul, Studies in Mesopotamian Legal Symbolism (Alter Orient und Altes Testament 221), Neukirchen-Vluyn 1988.
  • E. Neufeld, Ancient Hebrew Marriage Laws, with special reference to General Semitic Laws and Customs, London 1944.
  • R. Patai, Sex and Family in the Bible and the Middle East, New York 1959.
  • H. Ringgren, ‘gā’al, gō’ēl, ge’ullāh’ in: Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament, dl. 1, Stuttgart 1973, 883-890.
  • M. Roth, Law Collections from Mesopotamia and Asia Minor, SBL Writings from the Ancient World 6, Atlanta 1995.
  • J.M. Sasson, Ruth. A New Translation with a Philological Commentary and a Formative-Folkloristic Interpretation, Baltimore-London 1979.
  • J. Schipper, Ruth. A New Translaton with Introduction and Commentary, Anchor Yale Bible, New Haven-London 2016.
  • M. Stol, Vrouwen van Babylon. Prinsessen, priesteressen, prostituees in de bakermat van de cultuur, Utrecht 2012.
  • R. de Vaux, Hoe het oude Israël leefde, dl. 1, 3e druk, Utrecht 1978.
  • K.R. Veenhof, ‘Vreemdelingen in de wereld van de Bijbel’ in: R. Buitenwerf & C. Verheul (red.), Ballingen, buren en buitenlanders. De vreemdeling in de Bijbel, Heerenveen 2007, 9-27.
  • R. Westbrook, Property and Family in Biblical Law, JSOT Supplement Series 113, Sheffield 1991.
  • R. Westbrook (red.), A History of Ancient Near Eastern Law, I-II (Handbuch der Orientalistik, afd. 1 dl. 71-72), Leiden/Boston 2003.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons