Het boek Ruth als knooppunt van Bijbelse tradities en als pinksterverhaal
In het boek Ruth komen allerlei lijnen samen, vanuit alle kanten van het Oude Testament. Als je ziet hoe bestaande Bijbelse thema’s en tradities in het boek Ruth verwerkt worden, krijgt het verhaal een diepere en rijkere betekenis. In dit artikel lopen we die lijnen langs. Daarnaast kijken we hoe Ruth verbonden kan worden met het christelijke pinksterfeest en hoe het verbonden is met Sjavoeot, het joodse pinksterfeest.
1. De familieverhalen uit Genesis
Het verhaal van Ruth trekt allereerst de lijn van Genesis door: de verhalen over Abraham, Rebekka, Rachel en Lea, Juda en Tamar.
Ruth 1:1 verwijst met ‘hongersnood’ en ‘ergens als vreemdeling gaan wonen’ naar de verhalen over Abram (Gen. 12:10) en Jakob en zijn zonen (Gen. 47:4).
Aan het slot, in Ruth 4, verwijzen de oudsten in de poort in hun gelukwens voor Boaz expliciet naar Rachel en Lea (Gen. 29-30) en naar Juda, Tamar en Peres (Gen. 38). Deze verwijzingen zijn veelzeggend. Net als bij Ruth (4:12) wordt over Lea en Rachel verteld dat God hun zwangerschap mogelijk maakte. En Boaz en Ruth sluiten net zo’n huwelijk (nl. een zwagerhuwelijk) als waarover Genesis 38 gaat – al zijn de verhalen elkaars tegengestelden.
Peres, de oudste zoon van de tweeling van Tamar en Juda, staat aan het begin van de geslachtslijn die via Boaz naar David loopt (Ruth 4:18-22). Zo gaat het verhaal van Ruth verder op het punt waar Genesis stopt! De draad wordt opgepakt en verder gesponnen tot aan David. De manier waarop de geslachtslijn wordt aangeduid in Ruth 4, volgt bovendien de terminologie van de geslachtsregisters van Genesis.
Dat het verhaal van Ruth op deze manier aansluit bij de Genesis-verhalen over de oorsprong van Israël, is bewust. Ruth wordt vergeleken met Abraham. Net als hij verliet zij haar geboorteland en haar familie om te gaan wonen in een land dat haar onbekend was. En net als Abraham was zij trouw aan Israëls God.
Er zijn ook veel parallellen tussen Ruth en Genesis 24. Dat verhaal vertelt over Rebekka, die door Abrahams knecht wordt gevonden, en die bereid is om mee te gaan naar een ander land om de vrouw van Isaak te worden. Genesis 24 vertelt het zo dat Rebekka als het ware in de voetsporen van Abram treedt. En op een vergelijkbare manier wordt Ruth getypeerd.
De gedachte achter de lijn vanuit Genesis is: deze Moabitische vrouw hoort volledig thuis in Israël.
2. De schakel tussen de tijd van de Rechters en David
Het verhaal van Ruth legt ook een verbinding met de Rechters aan de ene kant en met David aan de andere. Het verbindt Rechters met 1 Samuel.
Terwijl de openingswoorden van het boek Ruth verwijzen naar de tijd dat de Rechters het volk leidden, noemen de slotwoorden David als de nakomeling van Obed, de zoon van Ruth en Boaz. Zo bouwt het verhaal van Ruth een brug tussen de tijd van de Rechters en die van de koningen.
Dat de familie over wie het verhaal gaat iets met David te maken heeft, kan de goede verstaander al in Ruth 1:2 opmerken. Elimelech en zijn gezin heten daar ‘Efratieten uit Betlehem in Juda’. Dit verwijst naar 1 Samuel 17:12 (letterlijk vertaald): ‘David was de zoon van die Efratiet uit Betlehem in Juda, die Isaï heette.’ Zo heeft het verhaal van Ruth vanaf het begin een koninklijk tintje.
Ook de Rechters in 1:1 zijn niet alleen een historisch decorstuk. In Ruth 2:1 wordt Boaz getypeerd in termen die zo uit het boek Rechters lijken te zijn gekomen: een ʾîš gibbôr ḥayīl (‘een dappere held’). Het doet denken aan de typeringen van Gideon en Jefta als dappere helden, of aan de dappere mannen en moedige krijgslieden die de verhalen van Rechters bevolken. Het mooie is: het boek Ruth zet daar een heel ander type moed en heldhaftigheid tegenover. De moed om trouw (ḥesed) te betonen, om meer te doen dan van je wordt verwacht en wat vereist is. De moed om goed te zijn voor anderen ongeacht de kosten – dát is de heldhaftigheid die het verhaal van Ruth naar voren brengt.
3. Wetsregels uit de tora
De derde lijn betreft alle wetsregels die in het boek Ruth op de voorgrond (het losserschap) of op de achtergrond (het aren lezen, het zwagerhuwelijk) een rol spelen.
A. Aren lezen
De regels van het aren lezen staan in Deuteronomium 24:19, Leviticus 19:9-10 en Leviticus 23:22. Deze teksten schrijven het volgende voor: laat de randen van je veld staan en laat de restjes liggen, voor de armen, de weduwen en de vreemdelingen. Ruth en Naomi horen bij deze groep die bescherming nodig heeft. Het is dit recht om aren te rapen van het land waarvan Ruth gebruikmaakt om samen met haar schoonmoeder te overleven.
Maar opvallend: wat Boaz doet (in hfst. 2) gaat veel verder dan wat hij verplicht is te doen. Hij biedt Ruth te drinken, hij biedt haar te eten, en geeft zijn mannen opdracht om extra koren voor haar op het land te laten liggen.
B. Zwagerhuwelijk
De regel wordt beschreven in Deuteronomium 25:5-10. Deze regel schrijft voor dat als een man sterft en hij geen kind heeft, zijn broer de verplichting heeft te trouwen met de weduwe om bij haar een kind te verwekken dat de naam van zijn overleden broer zal doen voortleven. De broer kan eventueel weigeren, al is dat een schande. Als hij weigert, is de weduwe vrij van haar verplichtingen ten opzichte van haar overleden man.
Het werkwoord yābām, ‘de zwagerplicht vervullen’, komt verder alleen voor in Genesis 38, het verhaal over Juda en Tamar. Dat verhaal gaat over onwil om de zwagerplicht te vervullen: eerst weigert Onan, daarna weigert Juda om zijn derde zoon, Sela, aan Tamar af te staan. Tot slot verleidt Tamar Juda zelf door een list. De oudste van de tweeling die ze van hem krijgt, Peres, is de stamvader van de lijn die via Boaz naar David loopt.
Ruth 4 legt een duidelijke link met Genesis 38. Maar ook in Ruth 1-3 vind je toespelingen op het zwagerhuwelijk. Eerst al in 1:11-13, waar Naomi ernaar verwijst zonder het expliciet te noemen. En vervolgens in Ruth 3: daar ligt de parallel met het verhaal van Tamar en Juda voor het grijpen, in beide gevallen een privé ontmoeting van een vrouw met een man die door list tot stand komt.
Als je de eerste verzen van Ruth 3 leest, denk je al snel aan een verleidingsscène. Zo is het vervolg van het verhaal, de ontmoeting op de dorsvloer, ook vaak uitgelegd. Toch is dat nu net niet de pointe van Ruth 3! Het loopt anders tijdens deze nachtelijke ontmoeting. Ruth doet een beroep op Boaz’ losserschap. Ze komt met een eigen vraag, die haar niet door Naomi is ingefluisterd. En Boaz legt haar beroep op hem uit als een blijk van ḥesed – een blijk van trouw aan haar schoonmoeder en overleden man.
In Genesis 38 draait het om onwil van de kant van de mannen, in Ruth 3 draait het om Ruths bereidwilligheid en trouw. Daarop antwoordt Boaz in Ruth 4 met zijn bereidwilligheid om als losser op te treden.
C. Losserschap
Deze regel staat beschreven in Leviticus 25, zie met name 25:25. Het losserschap wordt in het boek Ruth expliciet genoemd. Het begint in Ruth 2:20, als Ruth terug is van haar eerste dag op het land van Boaz. Naomi vertelt haar over Boaz dat hij een naaste verwant is, ‘een van onze lossers’. De tweede keer dat de term valt, is wanneer Ruth op de dorsvloer Boaz aanspreekt: ‘Laat mij bij u schuilen, want u bent de losser.’ Vanaf dat moment wordt ‘losser’ het kernwoord van het verhaal.
Wat doet een losser? Hij kan optreden als bloedwreker namens de familie. Ook kan hij verarmde familieleden vrijkopen die in schuldslavernij dreigen te vervallen. Ten derde kan hij de grond kopen (of terugkopen) die een verarmd familielid tijdelijk heeft moeten verkopen, om te voorkomen dat die voor de familie verloren gaat. Als losser kan een (mannelijk) familielid optreden: een broer, oom, neef of andere verwant. Zo iemand is Boaz dus ook.
Toch is er iets geks. Ruth vraagt Boaz met een beroep op het losserschap om haar tot vrouw te nemen. Maar in de Bijbelse wetten hebben losserschap en zwagerplicht niets met elkaar te maken. Het losserschap is iets van de brede familiekring (broers, ooms, neven). De zwagerplicht is een zaak van broers binnen een gezin. Toch gaat Boaz er positief op in. Hij prijst Ruth om dit voorstel en noemt het een toonbeeld van ḥesed. Het enige probleem is dat er een andere losser is, een nadere verwant die voorgaat.
In Ruth 4, in de stadspoort van Betlehem, volgt weer een verrassing: het gaat over een stuk land dat wordt verkocht. Dat klopt precies met de taak van de losser volgens Leviticus 25, maar in het verhaal van Ruth komt het land uit de lucht vallen. Boaz confronteert de andere losser met zijn recht om het stuk land ‘van onze broeder Elimelech’ te kopen. De man verklaart dat hij dat zal doen.
Vervolgens laat Boaz hem weten dat Ruth als het ware bij de koop zit inbegrepen. Het draait ook om haar en om haar overleden man. Het kind dat Ruth krijgt zal de naam van de overledene dragen en zal later het gekochte land erven.
Nadat de eerste losser afhaakt, verklaart Boaz wat hij zal doen: hij zal de akker kopen en trouwen met Ruth. Het doel is om via nageslacht de naam van de overledene levend te houden op zijn land. Zo worden in dit verhaal het losserschap en het zwagerhuwelijk op een unieke manier met elkaar verbonden. Nergens in de wetten gebeurt dat, en nergens elders in het Oude Testament.
Maar let op: het zijn niet zomaar twee wetten die hier toevallig verbonden worden. Het draait in Ruth 4 om het land (erfdeel) en om het nageslacht (naam). Het ene – landbezit, te eten hebben – wordt beschermd door het losserschap. Het andere – nageslacht, de doorgaande familielijn – wordt beschermd door het zwagerhuwelijk. Erfbezit en nageslacht zijn precies de twee componenten van Gods belofte aan Abraham. Zo verwijst het verhaal van Ruth naar de twee grote onderdelen van Gods belofte: landbezit en nageslacht. De wetten die dit moeten garanderen klinken mee in het verhaal én worden op een nieuwe manier met elkaar verbonden.
Het is Boaz die deze twee wetten met elkaar verbindt in hoofdstuk 4, in de stadspoort. Zo bezorgt hij de eerste losser de schrik van zijn leven. Toch is Boaz niet de eerste die deze verbinding legt. De eerste die dit doet is Ruth met haar beroep op Boaz: ‘Laat mij bij u schuilen, want u bent de losser’ (3:9). Dit is een huwelijksaanzoek met een beroep op het losserschap, en daarmee een vorm van zwagerhuwelijk. Het is dus Ruth, een Moabitische vrouw, die twee wetsregels met elkaar verbindt en daarmee de weg van ḥesed wijst!
4. Moabitische vrouwen als verleidsters
Teksten in het Oude Testament zijn over het algemeen niet positief over Moabitische vrouwen. Ook worden gemengde huwelijken vaak als probleem gezien. Dat diepen we hier verder uit.
In het boek Ruth gaat het tweemaal over een vreemdeling. In hoofdstuk 1 wordt verteld dat Elimelech samen met zijn gezin als gēr ging wonen in Moab. Een geer is een erkende vreemdeling met rechtsbescherming. Ruth noemt zich, in hoofdstuk 2, tegenover Boaz, een nākəriyyâ, een vreemdeling. Een nākərî (vrouwelijke vorm: nākəriyyâ) heeft die erkende status niet. Het is iemand die er niet bij hoort. Het is een term die in het Oude Testament vaak een negatieve bijklank heeft.
Het Oude Testament is veelal negatief over buitenlandse vrouwen. Het bekendste voorbeeld gaat over de vrouwen van koning Salomo (1 Kon. 11:1-8). Ook Moab wordt hier negatief genoemd. Het zijn de buitenlandse vrouwen, zoals die uit Moab, die ervoor zorgden dat Salomo vreemde goden ging vereren en God ontrouw werd.
Even negatief is wat we lezen in Ezra 10 en Nehemia 13, teksten die gaan over de situatie in Juda na de ballingschap. Veel Judeeërs trouwden met vrouwen van andere volken. Als Ezra daarachter komt, is hij woedend. Op last van Ezra worden alle buitenlandse vrouwen en hun kinderen weggestuurd. Nehemia trekt nog feller van leer (Neh. 13). Hier treedt Nehemia streng op tegen de situatie waarin Judese mannen met buitenlandse vrouwen, onder meer Moabitische vrouwen, zijn getrouwd.
Dan zijn er twee teksten in de tora die een negatieve visie op Moab, en specifiek op Moabitische vrouwen, ondersteunen. Deuteronomium 23:4-7 verordent dat Moabieten altijd buitenstaanders moeten blijven, want ze hebben in de woestijn Israël voedsel en water geweigerd. Bovendien hebben de Moabieten de ziener Bileam ingehuurd om Israël te vervloeken. En in Numeri 25:1-5 lees je dat wat Bileam niet lukte, de Moabitische vrouwen wél lukte: Israël in de problemen brengen. Zij verleidden Israëlitische mannen om een afgod te vereren en dat leidde tot een grote woede bij God tegen zijn eigen volk.
Tot slot is er de tekst over hoe Moab ontstond: uit incest. Lots dochters voerden hun vader dronken en hadden seks met hem. Daaruit kwamen twee kinderen: de stamvaders van de Ammonieten en van de Moabieten (Gen. 19:37).
Kortom: buitenlandse vrouwen, zeker die uit Moab, hebben een slechte reputatie: ze verleiden je tot zonde, tot afgodendienst. En Moabieten kunnen niet tot Israël als religieuze gemeenschap behoren.
Nu gaat het boek Ruth nergens op deze teksten in. Toch refereert het aan deze negatieve beelden, doordat Ruth consequent ‘de Moabitische’ wordt genoemd en doordat zij zichzelf omschrijft als nākəriyyâ, uitgerekend tegenover de man met wie ze later zal trouwen. Het boek Ruth geeft geen kritiek op de genoemde teksten, maar zet er een positief verhaal tegenover.
- De Moabieten weigerden Israël voedsel en water (Deut. 23), maar Elimelech en zijn gezin krijgen in Moab te eten en te drinken. En eenmaal in Betlehem zorgt de Moabitische vrouw voor eten voor haar Israëlitische schoonmoeder.
- Moabitische vrouwen verleiden je tot het vereren van afgoden. Maar deze Moabitische vrouw zweert trouw aan Israëls God nog voor ze het land Israël binnenkomt.
- Moabitische vrouwen brengen Gods vloek over je, maar Ruth wijst met haar ḥesed de weg van Gods zegen.
- Moabitische vrouwen lieten Salomo in de fout gaan. Maar zonder deze Moabitische vrouw was Salomo er nooit geweest!
Zo worden alle verwijten ten positieve gekeerd.
5. Toespelingen op het grote verhaal van God en Israël
A. Naomi als Sion
Het boek Ruth bevat allerlei toespelingen op het grote verhaal over God en Israël. Daarbij staan Naomi en Ruth voor twee kanten van Israël: Naomi representeert alles wat verloren is gegaan (door de ballingschap), Ruth representeert de ommekeer ten goede.
Het werkwoord šûb, ‘terugkeren’, is specifiek met Naomi verbonden. In het Oude Testament is dit het kernwoord voor de terugkeer van Gods volk uit ballingschap. Het gaat dan niet alleen over de concrete terugkeer naar het land, maar ook om een terugkeer naar God en herstel van de relatie. In de profetische literatuur wordt het volk daarbij vaak voorgesteld als een vrouw: vrouwe Sion. En de band tussen God en zijn volk wordt voorgesteld als die van een man met zijn vrouw.
Klaagliederen 1 tekent vrouwe Sion als een treurende weduwe, eenzaam achtergebleven nadat God haar alles heeft afgenomen. Het verhaal van Naomi en Ruth gebruikt precies dezelfde beeldtaal:
Klaagliederen 1 | Ruth |
bitter is haar lot (1:4) | mijn lot is te bitter voor jullie (1:13, 20) |
er is niemand die haar troost (1:2, 9, 17) | u biedt me troost (2:13) |
ze vindt geen rust (mānôaḥ, rustplaats) (1:3) | zal ik niet een thuis (mānôaḥ, rustplaats) voor je zoeken? (3:1) |
hij geeft me levenskracht (letterlijk: hij die mijn nepeš doet terugkeren) (1:16) | hij zal je levensvreugde teruggeven (letterlijk: hij die je nepeš doet terugkeren) (4:15) |
Naomi wordt in Ruth 1 getypeerd als de treurende vrouwe Sion, berooid en alleen achtergebleven. Ze keert weliswaar terug naar Betlehem, maar de diepere ommekeer moet nog gebeuren. Die ommekeer begint met Ruth in hoofdstuk 2 en 3 (troost, een rustplaats), en culmineert in Ruth 4, waar ook Naomi haar levensvreugde terugvindt.
Ruths woorden aan Boaz in 2:13, ‘U biedt me troost en spreekt me moed in’ (letterlijk: u spreekt tot mijn hart, dibbēr ʿal lēb), lijken sterk op de woorden van Jesaja 40:1-2: ‘Troost, troost mijn volk (...) spreek tot het hart van Jeruzalem’ (Korpel 2022).
Naomi en Ruth staan voor twee kanten van Israël. Naomi staat voor vrouwe Sion: berooid en zonder helper. Ruth symboliseert de ommekeer. Op het slot van het verhaal vloeien die twee figuren samen: Ruths zoon Obed is ook Naomi’s kind, en opent een nieuwe toekomst voor haar.
B. Boaz als losser en als beeld van God
In de profetische literatuur wordt de ballingschap als slavernij voorgesteld, waaruit God zijn volk redt door het vrij te kopen. Daarvoor gebruikt het Hebreeuws het woord gā'al (loskopen). Dat begint al bij de uittocht uit Egypte (Ex. 6:6; 15:13) en gaat door bij de terugkeer uit ballingschap (m.n. Jes. 40-66, bijv. 54:4-5 en 62:11-12). Hetzelfde woord wordt voor Boaz gebruikt in zijn rol als losser. Zoals God zijn volk lost uit ballingschap, zo lost Boaz Ruth en daarmee Naomi. Het lossen vormt het begin van een nieuwe toekomst.
Dat Boaz als losser verwijst naar God, blijkt uit allerlei elementen. (1) De naam Boaz, ‘in Hem is kracht’, is geen gewone eigennaam. (2) In 2:20 zit een dubbelzinnigheid: ‘Hij die zijn ḥesed jegens de levenden en de doden niet heeft verzaakt’ kan zowel op Boaz als op God slaan. (3) Ook de metafoor van de vleugels (2:11 en 3:9) verbindt Boaz’ rol met die van God. Bovendien is ‘spreid uw vleugel over mij’ te lezen als een huwelijksaanzoek: dezelfde uitdrukking keert terug in Ezechiël 16:8, over het huwelijk tussen God en zijn volk. Terwijl in Ezechiël 16 Israël wordt getypeerd als trouweloze, overspelige vrouw, is Ruth juist het toonbeeld van loyaliteit en trouw. (4) Boaz zegt in 3:10 tegen Ruth: ‘Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk.’ De Hebreeuwse uitdrukking hālak ʾaḥărê, letterlijk ‘achter … aan lopen’, wordt in de Bijbel ook gebruikt voor het bekende verwijt aan Israël dat ze ‘achter andere goden aan lopen’. (5) Boaz’ bevrijdende ingrijpen in Ruth 4 wordt uitgedrukt met twee werkwoorden: gā'al (lossen) en qānâ (verwerven). Deze combinatie komt slechts enkele malen voor in het Oude Testament, steeds met God als subject en Israël als object. Bijvoorbeeld in Psalm 74:2, ‘Denk aan het volk dat U ooit hebt verworven (qānâ), de stam die U hebt vrijgekocht (gā'al), uw eigen bezit, de Sionsberg waar U ging wonen.’
De laatste vermelding van gā'al in het boek gaat niet over Boaz, maar over de pasgeboren Obed. De vrouwen zeggen tegen Naomi (letterlijk vertaald): ‘Geprezen zij de HEER, die het jou vandaag niet laat ontbreken aan een gōʾēl (losser)’ (4:14). Een baby als losser, dat lijkt vreemd, zeker nu Boaz het losserwerk al gedaan heeft. Dit nodigt opnieuw uit tot een messiaanse duiding: het kind wijst vooruit naar de toekomstige redder. De naam Obed, ‘dienaar’, verwijst naar de dienaar van de HEER – de messiasfiguur uit de profetenboeken. Obed staat symbool voor de nieuwe David die Gods volk in de heilstijd zal leiden.
6. Het toetreden van de volken
Tot slot de lijn over het profetische ideaal van Israël dat open is voor ‘toetreders’ uit de volken. Het boek Ruth nodigt ons uit om Israël opener te beschouwen dan in bijvoorbeeld Ezra 10 en Nehemia 13 het geval is. Ruth staat daarin niet alleen. In het Oude Testament komen we in de Psalmen en in de profetenboeken het motief tegen van de volken die naar Sion trekken om Israëls God te vereren, zoals Psalm 22:28-29; 87:5-7; Jesaja 2:2-4; 56:6-8; Jeremia 3:17; Micha 4:1-3 en Zacharia 8:20-23. Deze ‘gang naar Sion’ is een kenmerk van de messiaanse tijd. Het boek Ruth is hiervan de verhalende tegenhanger. Ruth is iemand uit ‘de volken’ die toetreedt om Israëls God te dienen.
Een tekst die een vergelijkbaar beeld neerzet is Jesaja 56:1-8. Het gaat in deze tekst over de vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden. Een betere omschrijving voor Ruth vind je niet. Die vreemdeling moet niet zeggen: ik ben maar een buitenstaander. Nee, de vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden, hoort er helemaal bij, ook in religieus opzicht. God noemt zijn eigen tempel: ‘Huis van gebed voor alle volken’. En zie ook vers 8: ‘Ik breng er nog meer bijeen dan al bijeengebracht zijn.’ Dit betekent dat God ook mensen uit andere volken wil bijeenbrengen om bij Hem en bij zijn volk te horen.
Als je Ruth leest in het licht van Jesaja 56:1-8 is het verhaal een opmaat naar Pinksteren. Je kunt de lijn doortrekken naar Handelingen 2 en naar Handelingen 8:26-40, want naast de vreemdeling noemt Jesaja 56 ook de eunuch die deel uitmaakt van Gods volk. Buitenstaanders en afgewezen figuren mogen er nu volledig bij horen. Dat is een kenmerk van de messiaanse tijd.
Handelingen 2, over de komst van de heilige Geest, wordt vaak gecontrasteerd met Genesis 11, de torenbouw van Babel. Genesis 11 gaat over het menselijk streven naar absolute macht door eenheid te creëren. Dit verhaal weerspiegelt het imperialisme van de wereldrijken met honger naar oneindige macht en onsterfelijke roem. Daartegenover plaatst Handelingen 2 de nieuwe wereldorde van de Geest: beginnend in Jeruzalem, van daaruit de hele wereld over. De spraakverwarring van Babel wordt door de Geest opgeheven. Er kan weer eenheid zijn, maar nu op een nieuwe grondslag: in onderwerping aan Jezus Christus. Genesis 11 is echter niet los te zien van Genesis 12, de roeping van Abram. Waar het streven van de volken naar een blijvende naam mislukt, belooft God Abram een blijvende naam. Het machtsproject van de volken loopt spaak, maar God belooft Abram ‘in hem’ alle volken te zegenen. Die lijn wordt in het Nieuwe Testament verder uitgewerkt. Maar ook Ruth trad al in Abrahams voetsporen: haar keuze voor Naomi’s volk en God wijst vooruit naar de volken die zullen toetreden om te delen in de zegen.
Ook in een ander opzicht is er een overeenkomst tussen het boek Ruth en de situatie die beschreven wordt in Handelingen. In de messiaanse tijd leven mensen in vreugde samen; saamhorig, trouw, solidair en eensgezind. Zo wordt de gemeenschap van Jezus’ volgelingen in Handelingen getekend: een gemeenschap geleid door de Geest. Op een vergelijkbare manier wordt de gemeenschap van Betlehem beschreven, met Ruth en Boaz als lichtend voorbeeld van ḥesed. Beide teksten schilderen een aanstekelijk en inspirerend beeld van hoe het leven als mensen van God eruit kan zien.
7. Ruth en het joodse pinksterfeest
In de christelijke Bijbel staat Ruth na Rechters, bij de historische boeken. Op zichzelf een logische keuze: het boek verwijst naar de tijd van de Rechters en wijst vooruit naar David. In de joodse Bijbel behoort Ruth tot de Geschriften (ketoeviem). Dit gaat terug op de traditie dat Ruth zou zijn geschreven door Samuel. Het gaat daarom direct vooraf aan de Psalmen (van David) en Hooglied, Spreuken en Prediker (van Salomo). In latere eeuwen werd Ruth een van de vijf feestrollen (megilot) en werd het verhaal verbonden met Sjavoeot, het joodse pinksterfeest.
Het joodse pinksterfeest heeft twee gezichten, die beide verbonden kunnen worden met het boek Ruth. Sjavoeot was van oudsher een oogstfeest, vijftig dagen na het begin van de gerstoogst, aan het begin van de tarweoogst (Deut. 16:9-10). Ook de gebeurtenissen in Ruth spelen zich in de oogsttijd af, het seizoen van Sjavoeot. De tekst over Sjavoeot, het Wekenfeest, in Leviticus 23:15-22, eindigt met het voorschrift om de randen van de akker te laten staan voor armen en behoeftigen (Lev. 23:22). De regel waarvan Ruth gebruikmaakt op het land van Boaz, is in de Tora dus direct verbonden met het Wekenfeest. In Ruth speelt ‘oogst’ een grote rol: als ze werkt op het land, bij het graan dat Boaz aan haar meegeeft en in de tijdsaanduidingen die het verhaal structureren. Ook symbolisch speelt ‘oogst’ een rol: Naomi’s lege handen worden gevuld, met eten én met nageslacht.
In de joodse traditie kreeg Sjavoeot steeds meer een geestelijke invulling. Het feest werd gekoppeld aan Pesach en vijftig dagen erna gevierd (Lev. 23:15-16) op een vaste datum, 6 (en 7) sivan. Het feest werd verbonden met Gods gave van de Tora aan Israël op de Sinai. De gedachte was dat Israël vijftig dagen na Pesach bij de Sinai aankwam, waar God het verbond sloot en de Tora gaf. Ruths omarming van Israëls God staat symbool voor Israëls omarming van de Tora. Haar trouw en loyaliteit weerspiegelen de trouw die God van zijn volk vraagt. Tegelijk inspireert Ruth tot een levende Tora-toepassing: de weg van ḥesed, liefde en trouw. Bovendien wijst Ruth, als Moabitische die toetreedt tot Israël, naar de messiaanse tijd waarin de volken naar Sion zullen trekken. Die messiaanse tijd is het moment waarop de diepe wijsheid en waarheid van de Tora ten volle bekend zal worden.
Prof. dr. Matthijs J. de Jong is hoofd Vertalen & Exegese bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap en bijzonder hoogleraar Bijbelvertalen aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Bronvermelding
Matthijs de Jong, ‘Het boek Ruth als knooppunt van Bijbelse tradities en als pinksterverhaal’ in: Met Andere Woorden 45/online, debijbel.nl.
Geraadpleegde literatuur
- Klara Butting, ‘Die Bedeutung der Rolle Rut im Judentum: Dem Messias die Tür öffnen’, in: Bibel und Kirche 54 (3, 1999), 113-16.
- Irmtraud Fischer, Rut, Herders Theologischer Kommentar zum Alten Testament, Freiburg / Basel / Wenen 2001.
- Yoo-Ki Kim, ‘The Agent of hesed in Naomi’s Blessing (Ruth 2,20)’, in: Biblica 95/4 (2014), 589-601
- Arie van der Kooij, ‘De toren van Babel en de talen van de volken. Een exegetische schets van Genesis 11:1-9 met uitzicht op Pinksteren’, in: Met Andere Woorden 37/1 (2018), 58-62, https://debijbel.nl/bericht/de-toren-van-babel-en-de-talen-van-de-volken.
- Marjo C.A. Korpel, ‘Memories of Exile and Return in the Book of Ruth’, in: Marjo C.A. Korpel & Lester L. Grabbe (ed.), Open-Mindedness in the Bible and Beyond: A Volume of Studies in Honour of Bob Becking, London 2015, 151-164.
- Marjo Korpel, ‘De oorsprong van het boek Ruth’, in: Met Andere Woorden 41/1 (2022), 22-33 (zie www.bijbelgenootschap.nl/maw
). - Marjo Korpel en Heleen Zorgdrager, ‘Ruth in de NBV21’, in: Met Andere Woorden 40/2 (2021), 29-33 (https://debijbel.nl/bericht/ruth-in-de-nbv21
). - Jennifer M. Matheny, ‘Ruth in Recent Research’, in: Currents in Biblical Research 19/1 (2020), 8-35.
- Nico Riemersma, ‘De krachten gebundeld: Opbouw, motiefwoorden en theologie van het boek Ruth’, in: Interpretatie 20/3 (2012), 34-37 (idem: www.nicoriemersma.nl, blog 25 juli 2013).
- Nico Riemersma, ‘Het boek Ruth: Kanttekeningen en kerngedachten’, www.nicoriemersma.nl (blog 11 mei 2022).
- Jack M. Sasson, Ruth. A New Translation with a Philological Commentary and a Formalist-Folklorist Interpretation, Baltimore / Londen 1976.
- Jeremy Schipper, Ruth. A New Translation with Introduction and Commentary, The Anchor Yale Bible, New Haven / Londen 2016.
- Klaas A.D. Smelik, Ruth (Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel), Kampen 2000.
- Klaas R. Veenhof, ‘Ruth en Boaz Over lossing en zwagerhuwelijk’, in: Met Andere Woorden 41/1 (2022), 34-45 (zie www.bijbelgenootschap.nl/maw
). - Gerda de Villiers, ‘The Pentateuch and its Reception in the Book of Ruth: Constructing Israelite Identity’, in: Zeitschrift für Altorientalische und Biblische Rechtsgeschichte / Journal for Ancient Near Eastern and Biblical Law 24 (2018), 307-320.
- Anne-Mareike Wetter, ‘On Her Account’: Reconfiguring Israel in Ruth, Esther, and Judith, Library of Hebrew Bible/Old Testament Studies Londen, 2015.
- Anne-Mareike Wetter, ‘Ruth, a Born-Again Israelite? One Woman’s Journey Through Space and Time’, in: D. Edelman & E. Ben Zvi (eds.), Imagining the Other and Constructing Israelite Identity in the Early Second Temple Period, Londen & New York 2016, 144-162.
- Louis B. Wolfenson, ‘Implications of the Place of the Book of Ruth In Editions, Manuscripts, and Canon of the Old Testament’, in: Hebrew Union College Annual 1 (1924) 151-178.
Vakblad Met andere woorden
Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.
