Ruth 2:1-23 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Het is ‘bij toeval’ dat Ruth op het land van Boaz terechtkomt (vs. 3). Zo voelde het misschien voor Ruth, maar de lezer weet beter: zij moesten elkaar treffen. De eerste ontmoeting is meteen een bijzondere. Waar wij spreken van liefde op het eerste gezicht, zijn we hier getuige van respect op het eerste gezicht. Ruth betuigt Boaz haar diepe respect, maar Boaz keert het om: juist Ruth verdient het om met het grootste respect te worden behandeld om wat ze voor haar schoonmoeder gedaan heeft. En Boaz voegt de daad bij het woord. Elke ontmoeting waarbij mensen elkaar echt zien en erkennen, en daarnaar handelen, is een Bijbels moment.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De regel dat je achtergebleven korenaren moet laten liggen en de randen van je akker niet mag maaien, garandeert een bestaansminimum voor de allerarmsten: zij mogen de resten van de akkers rapen. Ook onze samenleving kent een vangnet en garanties voor de minima. Maar hoe gaan we daarmee om? Halfhartig en met achterdocht, uit angst voor misbruik? Of ruimhartig zoals Boaz, die Ruth niet alleen toestemming geeft om op zijn land de restjes te verzamelen, maar haar ook te eten en te drinken geeft?
- Hoe kijken wij naar vreemdelingen die ons land betreden? Wanneer is iemand welkom? Wat maakt dat Boaz Ruth niet als vreemde benadert (‘mijn dochter’)? Dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn nobele karakter, maar er is ook iets in Ruth dat dit oproept. Voor Boaz is niet Ruths herkomst bepalend (‘de Moabitische vrouw’), maar haar daden van ḥesed, trouw (‘meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan’). Hoe kijken wij naar mensen die van elders komen? Waarop baseren wij ons oordeel over hen? Is het hun plek op de sociale ladder die bepaalt hoe we naar ze kijken of zijn we bereid om verder te kijken?
- Leven in harmonie: Ruth 2 geeft, net als het boek Handelingen (bijv. Hand. 2:43-47; 4:32-36), een ideaalbeeld van de gemeenschap. Samen delen en samen eten, niemand lijdt gebrek, eensgezindheid, gezamenlijke lofprijzing aan God, solidariteit tussen arm en rijk en tussen man en vrouw, harmonie tussen mensen onderling en met God. Dit is een beeld van Gods nieuwe wereld, zowel een toekomstbeeld als een richtsnoer voor het leven van vandaag. Zijn er raakvlakken met ons leven als (kerkelijke) gemeenschap vandaag?
Context van Ruth 2:1-23
Het boek Ruth als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Ruth vind je in NBV’s Inleiding op Ruth
Opbouw en kern van de passage
De tweede scène van het verhaal speelt zich af op het land van Boaz. Hij is een familielid van Elimelech (vs. 1). Bij toeval komt Ruth op zijn land om aren te lezen. De armen (weduwen, wezen, vreemdelingen) hadden het recht om de aren te verzamelen die na de oogst waren achtergebleven. Eerst kwamen de maaiers, daarna de vrouwen die het koren samenbonden en verzamelden. Wat zij lieten liggen, was voor de armen die kwamen ‘aren lezen’. Het woord ‘aren lezen’ is het centrale woord in Ruth 2. Het wordt twaalf keer gebruikt in dit hoofdstuk en is speciaal verbonden met Ruth.
De hoofdscène beschrijft de lange eerste werkdag van Ruth, waarbij zij Boaz ontmoet. De scène is mooi opgebouwd:
Vers 2-3: Ruth gaat naar het land om aren te lezen
Vers 4-7: Boaz spreekt met de voorman over Ruth
Vers 8-13: Gesprek Boaz en Ruth
Vers 14: Boaz laat zien dat Ruth erbij hoort
Vers 15-16: Boaz spreekt met de maaiers over Ruth
Vers 17-18: Ruth aan het werk op het land
Terwijl voedsel centraal staat in dit hoofdstuk, gaat het tegelijk ook over de identiteit van Ruth. Boaz’ eerste vraag over Ruth is: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw’ (vs. 5). Het feitelijke antwoord van de voorman, ‘dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is’, impliceert dat Ruth er niet echt bij hoort. Zo presenteert Ruth ook zichzelf tegenover Boaz: een vreemdeling (vs. 10). Maar Boaz ziet het anders. Hij kent de familieomstandigheden. Hij verwijst naar de dood van haar man (vs. 11), hij noemt haar ‘mijn dochter’ (vs. 8, net als Naomi in vs. 2). Hij erkent haar als deel van de familie. En dat zet hij om in daden: bij de maaltijd haalt hij Ruth in de kring en laat zien dat hij haar beschouwt als iemand die voor hem werkt. Hoewel ze aren raapt voor haarzelf en Naomi, behandelt Boaz haar niet als iemand die gedoogd wordt, maar als iemand die daar hoort.
Daarmee gaat Boaz veel verder dan de regels voor het aren lezen voorschrijven. Waarom doet hij dat? De sleutel ligt in 2:11-12, de climax van dit hoofdstuk. Ruth is haar schoonmoeder trouw gebleven na de dood van haar man. Ze heeft alles achtergelaten en is meegekomen om voor Naomi te zorgen. De keuze om mee te gaan naar Israël en bescherming te zoeken onder Gods vleugels, verdient volgens Boaz diep respect. Moge God je daarvoor rijkelijk belonen, zegt hij. En hij voegt zelf de daad bij het woord. Zo wordt ‘overvloed’ een motief in het verhaal. Overvloed is er bij de maaltijd op het land (vs. 14) en nog meer als Ruth thuiskomt met een efa gerst, zo’n 45 liter (vs. 17). Naomi is met stomheid geslagen.
Hier had het verhaal kunnen eindigen: Ruth, de vrouw uit Moab, die trouw betoonde aan Naomi, krijgt erkenning, wordt door Boaz opgenomen in de kring en deelt rijkelijk in het eten dat God zijn volk geeft. Maar er hangt nog een tweede kwestie in de lucht (nageslacht) en ook met Boaz is meer aan de hand, zoals blijkt aan begin en eind van dit hoofdstuk: hij is familie van Elimelech (vs. 1, 20), hij is moedig (vs. 1) en hij kan als losser optreden (vs. 20).
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
- een moedig en invloedrijk man: In het Hebreeuws ʾîš gibbôr ḥayīl. In Ruth 3:11 noemt Boaz Ruth een ʾēšet ḥayīl, ‘een moedige vrouw’. Met het woord ḥayīl, ‘moedig, krachtig’, worden dus zowel Ruth als Boaz geypeerd. Het is veelzeggend dat Boaz en Ruth met hetzelfde woord worden omschreven. Ze lijken op een bepaalde manier op elkaar. Wel is er ook een verschil. Bij Boaz staat er hier een extra woord bij, gibbôr, dat in de NBV21 met ‘invloedrijk’ is vertaald. In veel vertalingen zie je deze overeenkomst tussen Boaz en Ruth niet goed terug (HSV noemt Boaz ‘een zeer vermogend man’ en Ruth ‘een deugdelijke vrouw’).
- Boaz: De naam Boaz betekent ‘in hem is kracht’ (verwijzend naar God: ‘In Hem is kracht’). Die naam vormt een contrast met die van Machlon (‘de zieke’) en Kiljon (‘de zwakke’).
Bij vers 2
- aren te lezen: Dit woord (in het Hebreeuws lāqaṭ) is de centrale term van Ruth 2. Het woord komt in dit hoofdstuk twaalf keer voor, steeds verbonden met Ruth. Aren lezen was een recht van de armen, zoals weduwen, wezen en vreemdelingen; zie Leviticus 19:9-10, 23:22 en Deuteronomium 24:19-22. Het gaat om de aren die na het maaien en verzamelen zijn achtergebleven: restanten waarmee de allerarmsten kunnen overleven. Uit Ruth 2 blijkt indirect ook hoe kwetsbaar degenen waren die van aren lezen afhankelijk waren.
Bij vers 4
- De HEER zij met jullie (…) De HEER zegene u: Uit de manier waarop Boaz en de maaiers elkaar begroeten kun je afleiden dat dit verhaal een ideaalbeeld beschrijft van de manier waarop Israël als Gods volk leeft.
Bij vers 5
- bij wie hoort die jonge vrouw daar: Boaz vraagt niet ‘wie is die jonge vrouw?’, maar ‘bij wie hoort zij?’ Een vrouw viel onder de verantwoordelijkheid van haar vader (als ze ongehuwd was) of onder het gezag van haar man. Ruths situatie is bijzonder: zij heeft zich verbonden aan Naomi. Uit het antwoord van de voorman van de maaiers blijkt dat Ruth moeilijk te plaatsen is: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is.’
Bij vers 7
- ze heeft maar even gezeten: Hier is het Hebreeuws onduidelijk. Een letterlijke vertaling luidt ‘haar zitten in het huis is weinig’. Het slaat op het doorzettingsvermogen van Ruth. In de NBG-vertaling 1951 werd het als een algemene eigenschap van Ruth opgevat (het is iemand die weinig thuis zit), de NBV21 betrekt het op de specifieke situatie van het aren lezen: zij heeft slechts even gezeten.
Bij vers 10
- U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben: In het Hebreeuws is er een woordspeling tussen ‘goed behandelen’ en ‘vreemdeling’. Ditzelfde werkwoord komt in vers 19 terug (‘Gezegend de man die jou zo goed heeft behandeld!’)
- een vreemdeling: Ruth typeert zichzelf hier als ‘vreemdeling’. Ze gebruikt daarvoor een Hebreeuws woord, nākəriyyâ, dat vaak een negatieve bijklank heeft (‘buitenlander’). Het is een ander woord dan in Ruth 1:1 wordt gebruikt (Hebreeuws gûr, ‘ergens als vreemdeling verblijven’). Terwijl een gēr iemand is die zich ergens tijdelijk als vreemdeling vestigt en een zekere erkenning en rechtsbescherming heeft, had een nākərî (vrouwelijke vorm: nākəriyyâ) dat vaak niet.
Bij vers 11
- dat je je vader en moeder (…) verlaten: de enige andere tekst die spreekt van ‘(je) vader en moeder verlaten’ is Genesis 2:24. Dat Ruths trouw aan Naomi op die manier wordt beschreven, zagen we ook al in Ruth 1:14 (zie aantekening daar). Het draait om Ruths trouw aan de familieband.
- je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was: Dit is het Abraham-motief dat hier op Ruth wordt toegepast.
Bij vers 12
- de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen: Het beeld is dat van een jonge vogel die schuilt onder de vleugels van zijn moeder (vergelijk Ps. 36:8; 57:2; 91:4; Mat. 23:37). De vleugels zijn een beeld van Gods bescherming. In Ruth 3:9 komt het beeld van de vleugels terug, als Ruth tegen Boaz zegt (in letterlijke vertaling) ‘spreid uw vleugel(s) uit over uw dienares’. Gods bescherming wordt daar concreet in de bescherming die Boaz kan bieden.
Bij vers 17
- en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had: Gewoonlijk gebruikte men dieren voor het dorsen van koren (Deut. 25:4; Hos. 10:11), maar als het om een kleine hoeveelheid ging, dorste men het met een vlegel (vgl. Recht. 6:11).
- een efa gerst: De efa was een inhoudsmaat voor droge waren van ongeveer 45 liter. Dat komt overeen met bijna 40 kilo gerst. Dat is een enorme hoeveelheid om mee te brengen van een dag werken op het land. Het is een onvoorstelbare hoeveelheid voor iemand die ‘aren leest’.
Bij vers 19
- die jou zo goed heeft behandeld: Zie de aantekening bij vers 10.
Bij vers 20
- Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden: Deze zin kan ook anders worden vertaald, waarbij het God zelf is die trouw heeft bewezen: ‘Moge de HEER, die trouw heeft bewezen aan de levenden en aan de doden, hem zegenen.’ De keuze van de NBV21 ligt voor de hand, omdat ḥesed, trouw, op die manier zowel met Boaz als met Ruth (3:10) verbonden is – en we zien steeds een spiegeling tussen deze twee hoofdpersonen in de tekst. Toch is deze zin in het Hebreeuws waarschijnlijk bewust zo geformuleerd dat ‘trouw bewijzen aan de levenden en de doden’ grammaticaal zowel met God als met Boaz verbonden kan worden. Want Boaz (wiens naam, ‘in Hem is kracht’, ook naar God verwijst) is in het verhaal een instrument van God. De term ḥesed, trouw, is een belangrijk themawoord in het boek Ruth (zie 1:8; 2:20; 3:10).
- Losser: Dit woord zal in het vervolg een grote rol spelen. In Ruth 4 is dit het centrale themawoord. In totaal komt dit werkwoord (Hebreeuws: gāʾal) 22 keer voor in het boek Ruth. Een losser was een mannelijk familielid dat in bepaalde gevallen kon of moest ingrijpen. In de Bijbel worden drie situaties genoemd. Allereerst trad de losser op als bloedwreker als iemand uit de familie gedood was (Num. 35:19). Daarnaast kon de losser ingrijpen als een familielid door omstandigheden gedwongen zijn land moest verkopen; de losser had dan het recht van eerste koop of van terugkoop, zodat het land in de familie bleef (Lev. 25:23-25; Deut. 25:10; Ruth 4; Jer. 32:7-9). In de derde plaats had de losser het recht om familieleden vrij te kopen die in schuldslavernij waren geraak (Lev. 25:47-55). Hetzelfde Hebreeuwse werkwoord wordt echter ook gebruikt om aan te geven hoe God zijn volk verlost uit Egypte en later uit ballingschap (bijvoorbeeld Jes. 41:14; 43:14; 44:6). De Nederlandse vertalingen maken onderscheid tussen ‘lossen’ (door mensen) en ‘verlossen’ (door God), maar in de Hebreeuwse tekst is het steeds hetzelfde woord.
Bij vers 23
- tot het einde van de gerste- en de tarweoogst: De tarweoogst is bijna twee maanden na het begin van de gersteoogst (zie bij 1:22) in de maand juni, de tijd van het Wekenfeest. Het Wekenfeest wordt zeven weken na Pasen gevierd. In de synagoge wordt dan het boek Ruth gelezen.
