33Ze werd opnieuw zwanger en bracht nog een zoon ter wereld. ‘De HEER heeft gehoord hoe weinig mijn man van me houdt; daarom heeft Hij mij er nog een zoon bij gegeven,’ zei ze, en ze noemde hem Simeon.
25Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met Hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden:
29‘Nu laat U, Heer, uw dienaar in vrede heengaan,
zoals U hebt beloofd.
30Want met eigen ogen heb ik de redding gezien
31die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken:
32een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen
en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’
33Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over Hem werd gezegd. 34Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël vanwege Hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat weersproken wordt, 35en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’