1Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zus. ‘Geef mij kinderen,’ zei ze tegen Jakob, ‘anders ga ik dood!’ 2Jakob werd kwaad en antwoordde: ‘Ik ben toch zeker God niet? Hij is het die jou geen kinderen geeft!’ 3‘Neem mijn slavin Bilha dan,’ zei ze, ‘en slaap met haar. Als zij kinderen baart, zal ik die op mijn knieën nemen; dan krijg ik door haar toch nakomelingen.’ 4Dus gaf ze hem haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob sliep met haar. 5Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. 6Toen zei Rachel: ‘God heeft mij recht gedaan: Hij heeft mij verhoord en mij een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan.