18‘God heeft mij beloond omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven,’ zei ze, en ze noemde het kind Issachar.
5Ammiël, de zesde, Issachar, de zevende, en Peülletai, de achtste – God had hem rijk gezegend.
14Issachar is een sterke ezel,
liggend tussen de manden.
15Hij zag hoe weldadig de rust was
en hoe bekoorlijk het land;
er werd hem zwaar werk opgelegd,
hij boog zich en droeg zijn last.