Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Context en aantekeningen bij Matteüs 16:13-23

Hier vind je exegetische achtergrondinformatie bij Matteüs 16:13-23, zoals de context van de passage en toelichtende aantekeningen bij de tekst.

Over het Evangelie volgens Matteüs

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs

Plek van deze sleutelpassage in het geheel

Matteüs 16:13-28 vormt het middelpunt van het Evangelie volgens Matteüs. De zes delen van dit evangelie zijn met elkaar verbonden door middel van scharnierteksten, waarin steeds een beslissende omslag (zie ook de aantekening bij vers 21) plaatsvindt. In totaal zijn er vijf van zulke scharnierteksten, met 16:13-28 als centrum:

1:1-4:11(deel 1) Opening: een inleiding voor de lezer op wie Jezus is en wat zijn taak gaat zijn
4:12-17 scharniertekst 1: Jezus wijkt uit naar Kafarnaüm in Galilea
4:18-11:1(deel 2) Start van Jezus’ werkzaamheden in Galilea en omgeving
11:2-30  scharniertekst 2: tussentijdse balans, is Jezus echt de messias?
12:1-16:12(deel 3) Jezus en de zijnen trekken zich steeds meer terug uit Israël
16:13-28 scharniertekst 3: Jezus is de Zoon van God en een lijdende messias
17:1-20:34 (deel 4) Jezus gaat vrijwillig op weg naar Jeruzalem en onderwijst onderweg zijn leerlingen
21:1-17 scharniertekst 4: aankomst in Jeruzalem en eerste confrontaties in de tempel
21:18-25:46 (deel 5) Beslissende confrontatie in Jeruzalem
26:1-16  scharniertekst 5: Jezus wordt gezalfd en uitgeleverd
26:17-28:20(deel 6) Finale: Jezus’ lijden, dood en opstanding
hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

De plaats van 16:13-20 binnen het geheel is veelzeggend. Het geeft antwoord op de belangrijkste vraag die in het evangelie wordt gesteld: wie is Jezus? Het is ook het hoogtepunt van het derde deel van dit evangelie. 

De passage zelf heeft een gespiegelde opbouw, met aan weerszijden van de spiegellijn het verbod aan de leerlingen en de lijdensaankondiging aan de leerlingen (16:20, 21). Petrus’ rol is ook gespiegeld: eerst wordt hij zalig gesproken, maar dan is hij ‘Satan’ (16:16-19; 22-23). De overgang van het derde naar het vierde deel van het evangelie vormt zo een samenhangend scharnierstuk.  

  • A 16:13-15 Onderwijs aan leerlingen over de Mensenzoon
  • B 16:16-19 Gesprek en zaligspreking Petrus  
  • C 16:20 Zwijggebod aan leerlingen over messias  
  • C’ 16:21 Lijdensaankondiging  
  • B’ 16:22-23 Gesprek en vermaning Petrus  
  • A’ 16:24-28 Onderwijs en belofte aan leerlingen over de Mensenzoon 

Eigen accenten Matteüs, in vergelijking met Marcus en Lucas

Deze passage komt ook voor bij de andere synoptische evangeliën (Marc. 8:27-33, Luc. 9:18-22), waarbij in elk eigen accenten gelegd worden.

  • In Marcus en Lucas is de vraag die Jezus stelt ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Alleen bij Matteüs staat als vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ en legt Jezus pas in vers 15 de verbinding met zichzelf. Matteüs laat, door de term vanuit 16:21 naar voren te halen naar 16:13, de titel ‘Mensenzoon’ nu heel Jezus’ weg omvatten, van zijn huidige optreden, via dood en opstanding, naar zijn komst om te oordelen. Bovendien is de belijdenis van Jezus als ‘de messias, de Zoon van de levende God’ nu ingebed in de weg van de Mensenzoon. Het antwoord dat Petrus geeft verschilt daarom in Matteüs subtiel van Marcus (‘U bent de messias’) en Lucas (‘De door God gezonden messias’).
  • Alleen Matteüs vermeldt Jezus’ aanduiding van Petrus als rots van de kerk en het geven van de sleutels van het koninkrijk. Dit past bij hoe Matteüs veel aandacht geeft aan hoe zich een nieuwe gemeenschap vormt rondom Jezus en de belangrijke rol die Petrus hierin speelt. 
  • Alleen Matteüs vermeldt de woorden waarmee Petrus Jezus terecht wil wijzen en hoe Jezus hem terechtwijst en hem een ‘valstrik’ noemt. Marcus vermeldt wel dat Petrus Jezus terecht wil wijzen, maar heeft alleen spreektekst voor Jezus; Lucas vermeldt deze uitwisseling in het geheel niet. Matteüs geeft met deze uitwisseling tussen Petrus en Jezus aan welke grenzen er zijn aan Petrus’ bevoegdheid

Aantekeningen bij de verzen

Bij vers 13:

  • Caeserea Filippi was een overwegend niet-Joodse stad gelegen iets meer dan 30 km ten noorden van het Meer van Galilea, in het brongebied van de Jordaan. Caesarea Filippis is een andere stad dan Caesarea gelegen aan de Middellandse Zee, dat voluit Caesarea Maritima heette.

Bij vers 14:

  • Over de profeet Elia wordt verteld dat hij aan het einde van zijn opdracht naar de hemel wordt gevoerd (2 Kon. 2:11). Er leefde de verwachting dat hij vlak voor de komst van de messias terug zou komen (vgl. Mal. 3:23). Johannes de Doper werd gezien als deze teruggekeerde Elia (Mat. 11:14; 17:11-12). Jezus werd ook gezien als een profeet (zie 21:11, 46; Luc. 7:16; Joh. 9:17), vanwege zijn boodschap van inkeer en oordeel (11:21-24), zijn manier van onderwijzen, zijn gelijkenissen en zijn wonderen. Hij wees deze titel niet af, maar gaf tegelijk aan dat Hij meer is dan een profeet (vgl. vs. 16).

Bij vers 15:

  • Uit de manier waarop Jezus de vraag stelt in vers 15, blijkt dat hij de leerlingen plaatst tegenover ‘de mensen’ in vers 13. Er is om die reden in de NBV21 gekozen die vraag met iets meer nadruk te formuleren: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ (vergelijk NBV: ‘En wie ben ik volgens jullie?’).

Bij vers 17:

  • Vgl. Matteüs 11:25-27, waar Jezus God looft om wat Hij aan ‘eenvoudige mensen’ bekend maakt. In het Oude Testament kan spottend gesproken worden over zogenaamde wijzen die menen de wijsheid in pacht te hebben, maar eigenlijk dwaas zijn (Job 12:2; Jes. 19:11-13; Jer. 8:8-9; Ezech. 28:3-10).

Bij vers 18:

  • In het Grieks is er een woordspel tussen het woord petra, ‘steen’ of ‘rotsblok’, en de naam Petrus. Deze uitspraak combineert drie dingen: de associatie bij de naam Petrus: steen/rots, de voorstelling van de kerk als ‘bouwwerk’ (net als de tempel) en de voorstelling, ontstaan in de laatste decennia van de eerste eeuw, om de apostelen als ‘fundament’ van de kerk te zien (vgl. Gal. 2:9). In de NBV wordt Petrus zelf heel direct geïdentificeerd als de rots, maar het Grieks zegt het iets indirecter. Dat zie je terug in de NBV21. Dit laat zo iets meer ruimte voor verschillende interpretaties.
  • De uitleg van Jezus’ belofte aan Petrus is omstreden. Lange tijd was er exegetisch getouwtrek tussen de protestantse uitleggers die Petrus’ belijdenis zien als de rots en de katholieke uitleggers die Petrus zélf als die rots beschouwen. Recente uitleggers denken dat dit tweede het meest waarschijnlijk is (maar ze koppelen de exegese los van de latere, katholieke toepassing ervan).
  • ‘Poorten van het dodenrijk’ (de Hades) is een vaste aanduiding voor ‘de dood’. De kerk zal dus sterker zijn dan de dood, die gold als sterkste macht (vgl. Hoogl. 8:6). Andere mogelijke interpretaties zijn: de kerk zal tot de voltooiing van deze wereld blijven bestaan omdat ze niet wordt uitgeleverd aan ‘de poorten van het dodenrijk’ waardoor iedereen moet gaan. Of: de machten van het dodenrijk zullen in de eindstrijd de kerk niet kunnen overweldigen.

Bij vers 19:

  • Vergelijk Johannes 20:23 waar de leerlingen van Jezus de volmacht ontvangen om zonden te vergeven.

Bij vers 20:

  • Messias betekent ‘gezalfde’. Priesters (bijvoorbeeld Aäron, zie Ex. 29:7), koningen en profeten (bijvoorbeeld Elisa, zie 1 Kon. 19:16) konden 'gezalfde' heten omdat ze gezalfd werden met heilige olie. In Jesaja en Jeremia wordt gesproken over een koning, een zoon van David, als gezalfde bij uitstek, een messias die het volk zou verlossen (Jes. 11:1-5; Jer. 33:15-16). Zacharia ziet een gezalfde koning en een priester samenwerken om het volk te herstellen (Zach. 6:12-13). In een Psalm wordt de koning zelf getekend als priester (Ps. 110:1-4). Het Grieks voor messias is christos, waar de naam Christus van is afgeleid.

Bij vers 21:

  • vanaf die tijd: vergelijk 4:17, waar deze formulering het publieke optreden van Jezus inleidt; hier markeren deze woorden een belangrijke wending in het verslag. Waar Jezus eerst zich wegbewogen heeft van Jeruzalem, zal Hij nu daarnaartoe gaan om er verworpen te worden en te sterven. Op weg naar Jeruzalem spreekt Jezus vervolgens drie keer over zijn lijden, sterven en opstaan: zie 17:22-23, 20:17-19 en 26:2.
  • Met de oudsten, hogepriester en schriftgeleerden worden de leiders van het Joodse volk aangeduid, met name het Sanhedrin in Jeruzalem.

Bij vers 22:

  • Petrus treedt hier buiten zijn rol van leerling. Hij wil het onderwijs van de meester corrigeren. Marcus tekent nog iets scherper hoe Petrus de rol van Jezus wil overnemen, door zowel bij Jezus als Petrus hetzelfde werkwoord voor 'terechtwijzen’ te gebruiken (zie Marc. 8:30-33). In Matteüs 19:13-14 doen alle leerlingen iets dat vergelijkbaar is met de actie van Petrus, wanneer ze mensen ‘berispend’ verbieden hun kinderen bij Jezus te brengen.

Bij vers 23:

  • Het Griekse strapheis, ‘zich draaiend’, is in de NBG-vertaling 1951 en in de Groot Nieuws Bijbel vertaald met ‘hij keerde zich om’. In de NBV21 is het vanuit de situatie vertaald: Jezus draait zich weg van Petrus die Hem apart genomen heeft. De woorden die Jezus daarbij spreekt, waarin Hij Petrus achter zich wijst, sluiten hier goed bij aan, evenals het toespreken van de leerlingen in Matteüs 16:24. Jezus wijst Petrus zijn plaats: hij moet terug naar de andere leerlingen en net als zij Jezus volgen, achter Hem aan.
  • Petrus wordt door Jezus letterlijk ‘een aanstoot’ (skandalon) genoemd. Skandalon kan vertaald worden als: ‘valstrik’ of ‘struikelblok’, maar ook als ‘sta-in-de-weg’ of ‘ergernis’. De NBV21 is hier krachtiger dan de NBV (‘Je zou me nog van de goede weg afbrengen’). Het motief van de ‘val(strik)’ is zichtbaarder geworden (zie ook Mat. 5:29-30; 13:41; 18:8-9).
  • De scherpte van Jezus’ berisping komt beter over met een woordvolgorde die in het Nederlands gebruikelijker is: de aanspreekvorm (Satan) volgt in de NBV21 meteen na de eerste gebiedende wijs (Ga terug!).
  • In het Grieks staat het bepaald lidwoord hoi anthrôpoi, ‘de mensen’. Maar het Grieks lidwoord heeft een andere functie dan het Nederlandse. (N.B. ook bij God staat in het Grieks het bepaald lidwoord, ho theos). Als God en mensen tegenover elkaar worden gezet, zoals hier, dan gaat het om mensen in een algemene betekenis. In het Nederlands komt dat het beste naar voren door juist geen lidwoord te gebruiken.

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen

Verdieping bij thema’s

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons