Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Invalshoek 3 bij Matteüs 16:13-23: Gemeente-zijn en leiderschap

Door je te verdiepen in hoe in Matteüs en het Nieuwe Testament zich een nieuwe gemeenschap rondom Jezus vormt, kun je in een preek ingaan op vragen als:

  • Wat is bepalend voor de identiteit van onze gemeenschap?
  • Wie hoort er wel/niet bij en waarom?
  • Wat zijn voor ons spannende vragen en hoe nemen wij daarin beslissingen?
  • Wat is daarin de balans tussen (goddelijke) ingeving en ratio, tussen enkelingen en de gemeenschap als geheel?

De gemeente in Matteüs

Matteüs is de enige evangelist die het woord ekklēsia gebruikt, voor de gemeenschap die zich rond de messias vormt. In onze passage gebruikt hij het voor de kerk in universele zin, de gemeenschap van alle gelovigen samen (vgl. Kol. 1:18), elders voor de plaatselijke gemeente (Mat. 18:17, vgl. Hand. 11:22). Het woord klinkt hier in Matteüs 16 op het moment dat Jezus zich steeds verder uit Israël terugtrekt. Voor Matteüs is dit het moment dat de gemeenschap van getrouwen ontstaat.

Het criterium voor deze gemeenschap rond Jezus is of je de wil van de Vader doet. Dat opent de deur voor mensen uit andere volken, en daar loopt het Evangelie volgens Matteüs ook op uit. Tegelijkertijd schrijft Matteüs met name voor een typisch Joodse, lerende gemeente. Zijn lezers lijken soms nog volledig Joods (bijvoorbeeld in Mat. 5:17-19) en soms min of meer los van de Joodse gemeenschap (bijvoorbeeld in Mat. 28:15).

Het Griekse woord ekklēsia en zijn Hebreeuwse en Aramese equivalenten hebben een voorgeschiedenis in het Oude Testament en de Joodse literatuur. Het woord wordt gebruikt voor het vergaderde Israël tijdens de bevrijding uit Egypte en ten tijde van Nehemia (bijvoorbeeld Deut. 4:10; 9:10; 18:16; 31:30; Neh. 13:1; vgl. Hand. 7:38). Sommige uitleggers menen dat deze term voor ‘vergadering’, ‘gemeente’ of ‘kerk’ continuïteit uitdrukt met ‘de verzamelde Israëlieten’ en zelfs een verwijzing naar het bevrijde volk van God zou kunnen zijn. Volgens een andere visie is de term begonnen als een gewoon woord voor een bijeenkomst van christenen. Vervolgens is men de term gaan gebruiken voor groepen van christenen, en daarna voor de wereldwijde verzameling van christenen.

Kenmerkend voor de zich nieuw vormende christelijke gemeenschappen in het algemeen is:  

  • hun gemengde samenstelling van Joden en niet-Joden;  
  • hun belijdenis van ‘één God, de Vader […] en één Heer, Jezus Christus’ (1 Kor. 8:6). 

Deze zich nieuw vormende gemeenschap was kwetsbaar. Zo wordt in Handelingen 5:33-37 gesproken over hoe er diverse bewegingen rondom mogelijke messiasen opkwamen en snel weer verdwenen. In dat licht gezien klinkt Jezus’ belofte dat ‘de poorten van het dodenrijk’ de kerk niet zullen kunnen overweldigen (16:18) als een bemoediging dat deze nieuwe beweging niet zomaar zal verdwijnen, maar sterker zal zijn dan de dood, die namelijk symbool stond voor de sterkste macht op aarde (zie aantekening bij vers 18).

Motiefwoord ‘uitwijken’

Het motiefwoord ‘uitwijken’ is zowel voor de inleiding van Matteüs (vijf keer) als dit derde deel van het evangelie kenmerkend (12:15; 14:13; 15:21; vgl. 16:4). Jezus’ uitwijken vindt plaats in verhouding met drie verschillende groepen. De oorzaak van zijn terugtrekking is de toenemende vijandigheid van de Joodse leiders en Herodes Antipas. Het volk neemt een tussenpositie in: het blijft Hem volgen; Hij heeft medelijden met hen en geneest hun zieken. Maar ook hun (toekomstige) verwerping van Jezus wordt benoemd (13:10-17). Het is opvallend dat Matteüs duidelijk onderscheid maakt tussen de vijandige leiders en het volk. Dat staat enerzijds nog open voor Jezus, maar de lezers weten dat het volk uiteindelijk in meerderheid de kant van de leiders zal kiezen.

Doordat Jezus zich terugtrekt, krijgen de leerlingen steeds meer een eigen profiel. Jezus definieert hen als zijn familie, als degenen die de wil van zijn Vader doen (12:49). Ze krijgen extra onderwijs, dat ze ook begrijpen (13:36-52; 15:12-20; 16:5-12). Ze belijden Jezus als Gods Zoon (14:33) en worden tot ‘kerk’ (16:18). Zo blijken twee dingen fundamenteel voor de identiteit van de nieuwe, christelijke gemeenschap die zich vormt: het antwoord op de vraag naar wie Jezus is en dat wat uit dat antwoord volgt, het doen van wat Jezus leert.  

Beide blijken voor mensen niet vanzelfsprekend te zijn. Dat wat Jezus leert niet vanzelfsprekend is, blijkt met name uit de Bergrede (zie Mat. 5-7). Dat het niet vanzelfsprekend is Jezus te zien als de messias die moet lijden blijkt onder meer uit de reactie van Petrus op Jezus’ aankondiging dat hij zal moeten lijden.  

Sleutels en uitleg van de wet

Hoe weet je wat de wil van de Vader is? In de Joodse traditie volgt het weten wat de wil van de Vader is uit de uitleg van de wet. Maar over die uitleg kon discussie bestaan. Die discussies konden leiden tot partijvorming. In het Evangelie volgens Matteüs komen we verschillende van die partijen tegen: de farizeeën, de sadduceeën en de herodianen. Uit onderzoek naar de leefwereld van Jezus kennen we nog meer partijen, zoals de essenen, en ook partijen die zich afzetten tegen de leiders in Jeruzalem, zoals bepaalde gemeenschappen die we kennen uit de Dode Zee-rollen.  

Met de ‘sleutels’ geeft Jezus aan Petrus de bevoegdheid om beslissingen te nemen over hoe de wet uit te leggen. Deze verbinding kennen we uit Joodse literatuur en rabbijnse bronnen. In de Bijbel vind je de verbinding tussen ‘sleutels’ en kennis en autoriteit in Jesaja 22:22, Lucas 11:52 en Openbaring 3:7. Omdat de uitleg van de wet samenhangt met de identiteit van de groep, valt beslissen over hoe de wet uitgelegd moet worden samen met beslissen over wie (nog) wel en niet (meer) bij de nieuwe gemeenschap hoort. Dit soort beslissingen vormen dus het fundament, de rots, voor de zich net vormende gemeenschap.

Een voorbeeld van een beslissing die de vroege gemeente moest nemen is in hoeverre niet-Joden zich moesten houden aan de Joodse leefregels wanneer ze zich wilden aansluiten bij de gemeenschap. In Handelingen 10 wordt juist over Petrus vertelt hoe hij via een visioen tot het inzicht komt om de striktheid van de spijswetten los te laten. Toch wordt hierover niet door hem alleen besloten, maar in een gezamenlijk beraad in Jeruzalem (Hand. 15:13-29). In het leidinggeven aan de christelijke gemeenschap komt vaker dit patroon van goddelijke openbaring (zie aantekening bij vers 17)) aan de ene kant en onderling gesprek aan de andere kant terug (zie 1 Kor. 14). Er is ruimte voor charismatisch leiderschap en tegelijkertijd worden hier grenzen aan gesteld zodat niet één iemand zich kan verheffen boven de rest. In Matteüs 18:15-20 blijkt de bevoegdheid die Petrus ontvangt een bevoegdheid gedeeld in de hele gemeente te zijn (zie aantekening bij vers 19).

Artikelen

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.2
Volg ons