14U hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld,
hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn,
1Op die dag zal de HEER ingrijpen:
Hij trekt zijn groot en machtig zwaard
tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang,
en Hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.
25Kun jij Leviatan met een haak op de kant trekken
en met een koord zijn tong beteugelen?
26Kun jij een touw door zijn neus halen
en met een priem zijn kaak doorboren?
27Zou hij jou bidden en smeken
en vriendelijke woorden tot je richten?
28Zou hij een verbond sluiten met jou,
zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben?
29Kun je met hem spelen als met een vogel,
hem aan een touw houden, voor je dochters?
30Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen
en hem tussen de kooplieden verdelen?
31Kun jij speren in zijn huid planten
en een harpoen door zijn kop steken?
32Waag het eens hem aan te raken –
weet wel: het zou je laatste strijd zijn.
11Brandende fakkels komen uit zijn bek,
vonkenregens vliegen door de lucht.
12Zijn neusgaten walmen,
als een kokende ketel of rokend riet.
13Zijn adem laat kolen ontbranden,
uit zijn bek slaat een vlam.