12O morgenster, zoon van de dageraad,
hoe diep ben je uit de hemel gevallen.
Overwinnaar van alle volken,
hoe lig je daar ter aarde neergeworpen.
13Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel,
boven Gods sterren plaats ik mijn troon.
Ik zetel op de toppen van de Safon,
de berg waar de goden bijeenkomen.
14Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste.
15Nee! Je daalt af in het dodenrijk,
in de allerdiepste put.
16Ze zien je, ze kijken naar je
en kijken nog eens goed naar je:
“Is dit de man die de aarde deed beven
en koninkrijken deed sidderen?
17Die het land tot verval bracht en steden verwoestte?
Die zijn gevangenen nooit liet gaan?”
18Andere koningen worden eervol begraven,
ieder in een eigen praalgraf.
19Maar jij bent, ver van je graf,
weggegooid als een afgekeurde twijg;
je ligt bedolven onder de lijken
van hen die door het zwaard zijn doorboord,
die zijn afgedaald in de put en met stenen bedekt zijn;
je bent vertrapt als een kadaver.
20Jij wordt niet bij vorsten te ruste gelegd,
want jij hebt je land verwoest en je volk vermoord.
Over het nageslacht van een schurk als jij
zal niemand ooit nog spreken.’
21Leid zijn zonen naar de slachtbank
om wat hun voorvaders hebben misdaan.
Nooit meer zullen zij de wereld veroveren,
noch de aarde bedekken met hun steden.
22Want Ik zal me tegen hen keren
– spreekt de HEER van de hemelse machten.
Babels naam zal Ik doen vergeten,
wie er nog over zijn, roei Ik uit met wortel en tak
– zo spreekt de HEER.
23Ik maak van Babel een groot moeras,
roerdompen nemen het in bezit.
Ik veeg het weg met een bezem van vernietiging
– spreekt de HEER van de hemelse machten.
24De HEER van de hemelse machten heeft gezworen:
‘Voorwaar, het zal gaan zoals Ik heb bepaald,
het zal gebeuren zoals Ik heb besloten.
25Ik breek de Assyrische heerschappij over mijn land,
Ik verbrijzel Assyrië op mijn bergen.
Mijn volk wordt van zijn juk bevrijd,
zijn last wordt van hun schouders genomen.’