Genesis 4:1-16 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Het verhaal van Kaïn en Abel maakt indruk, hoe vaak je het ook leest. Kaïn vermoordt zijn broer Abel uit woede omdat God het offer van Abel beter gezind is. God straft Kaïn en stuurt hem weg. Kaïn is veroordeeld tot een dolend bestaan. Toch laat God hem niet los. Hij zorgt ervoor dat Kaïn bescherming geniet.
De passage nodigt ons uit om na te denken over hoe wij omgaan met mensen die een zonde begaan hebben. Laten we ze links liggen of gaan we samen met hen op weg? Zo kan deze passage een blauwdruk zijn voor onze omgang met mensen die gezondigd hebben.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- De verhalen in de eerste hoofdstukken van Genesis leren ons hoe de zonde in de wereld gekomen is en steeds de kop opsteekt. Het is moeilijk om er niet aan toe te geven. De zonde ligt steeds op de loer (vs. 7). Toch leren deze verhalen ons dat niet de zonde het laatste woord heeft, maar Gods barmhartigheid. God laat zelfs de grootste zondaar niet los (vs. 15).
- In onze maatschappij worden daders die een moord begaan, opgesloten en wordt er vaak niet meer naar hen omgekeken. De dader wordt vaak gelijkgesteld aan de daad, terwijl een mens altijd meer is dan zijn of haar daden. Het verhaal van Kaïn en Abel kan ons leren dat het ook anders kan. Al heeft Kaïn een ernstig misdrijf gepleegd, toch staat God hem bij (vs. 15). Op welke manier kunnen wij, vanuit ons geloof, daders van (ernstige) misdrijven bijstaan? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ook zij niet vergeten worden en, wanneer ze een eventuele straf uitgezeten hebben, opnieuw in de maatschappij geïntegreerd kunnen worden?
- Jaloezie onder broers of zussen komt vaak voor. Vaak komt dit doordat de ene meer aandacht krijgt dan de andere. Dat dit gevoelens van woede opwekt, zoals bij Kaïn het geval was, is een menselijke reactie. Echter, hoe gaan we om met gevoelens van jaloezie en woede? Geven we eraan toe of zoeken we andere manieren om ermee om te gaan? Kan ons geloof daarbij helpen?
Context van Genesis 4:1-16
Het boek Genesis als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Genesis vind je in deze Inleiding bij het boek Genesis
Plek van deze passage in het geheel
Genesis 4 volgt op het tweede scheppingsverhaal (Gen. 2:4-3:24), waarin Adam en Eva het gebod van God overtreden hebben en om die reden uit de tuin verbannen zijn. In Genesis 4 lezen we over de twee zonen van Adam en Eva, namelijk Kaïn en Abel. En we zien veel parallellen. In beide verhalen gaan mensen in de fout; in Genesis 4 wordt dat – voor het eerst in de Bijbel – als ‘zonde’ aangeduid. In beide gevallen spreekt God een vervloeking uit: in Genesis 3 over de slang en over de akker, in Genesis 4 over Kaïn. En waar Genesis 3 eindigt met de verdrijving van Adam en Eva uit de tuin, eindigt Genesis 4 met Kaïns verdrijving van de plek van de moord. Toch is dit niet het einde van het verhaal. Ook hier is God barmhartig en staat Hij Kaïn bij. Het thema van zonde en barmhartigheid loopt door in de verdere hoofdstukken van Genesis die over de oergeschiedenis verhalen.
Opbouw en kern van de passage
Genesis 4 start met de geboorte van Kaïn (vs. 1) en vervolgens Abel (vs. 2). Nadien wordt er gefocust op de offers die beide broers tot God brengen (vs. 3-4). Het offer van Abel wordt door God goed bevonden, terwijl het offer van Kaïn door God genegeerd wordt. Hierdoor wordt Kaïn woedend (vs. 5). Deze woede brengt Kaïn er uiteindelijk toe dat hij zijn broer doodt (vs. 8).
Vervolgens krijgt Kaïn een straf van God opgelegd voor de zonde die hij begaan heeft: hij zal de aarde niet meer kunnen bewerken en zal zijn hele leven op de dool zijn (vs. 10-14). Toch zal God Kaïn beschermen: niemand zal hem vermoorden wanneer hij ronddwaalt en zich vestigt in Nod (vs. 15-16).
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
Adams zonen
- Kaïn (…) het leven geschonken: In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Kaïn en het werkwoord qana, ‘het leven schenken aan’.
Bij vers 2
- Abel: De naam betekent ‘ademtocht’, ‘ijdelheid’, ‘waterdamp’. Deze naam voorspelt de korte duur van het leven dat hem geschonken is.
Bron: Studiebijbel in Perspectief, aangepast
Bij vers 4
- De HEER schonk aandacht: In Genesis komt vaker voor dat God de jongere broer uitkiest in plaats van de verwachte oudste. Denk in dit verband aan Isaak en Ismaël (Gen. 21
), Jakob en Esau (Gen. 25 ), Jozef in plaats van zijn oudere broers, Efraïm en Manasse (Gen. 48 ). In dit vers is duidelijk dat God Abel beter gezind is dan Kaïn.
Bij vers 5
- maar aan Kaïn en zijn offer niet: Er wordt niet gezegd waarom het offer van Kaïn God niet beviel of waarom het offer van Abel beter was dan dat van Kaïn. Daar moet de lezer naar gissen. Wellicht gaat het hier over de aard van het offer. Terwijl Abel de beste stukken vlees offert van zijn eerstgeboren dieren, offert Kaïn ‘slechts’ enkele producten van het land.
Bij vers 6
- ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?’: Opmerkelijk: God negeert het offer van Kaïn maar negeert zijn woede niet. Voor ‘waarom kijk je zo donker?’ staat er in het Hebreeuws letterlijk ‘waarom is je gezicht gevallen?’ (zie verder bij vs. 7).
Bij vers 7
- Hoe onduidelijk vers 7 is in het Hebreeuws kun je zien in deze letterlijke vertaling: ‘Is er niet, als je goed handelt, opheffen? Maar als je niet goed handelt, dan ligt de zonde bij de deur. Naar jou gaat zijn begeerte uit, maar jij zult over hem heersen.’ Elk zinsdeel brengt bepaalde moeilijkheden met zich mee.
- iedereen recht in de ogen kijken: Het ‘opheffen’ in de eerste zin van vers 7 lijkt onduidelijk, maar na vers 6 is het wel te begrijpen. Door Kaïns woede is zijn gezicht letterlijk ‘gevallen’. God zegt nu: Als je zelf het goede doet, kun je je gezicht opheffen – met opgeheven hoofd rondlopen, oftewel: iedereen recht in de ogen kijken.
- dan ligt de zonde op de loer: Dit is het lastigste deel van het vers: ‘zonde ligt bij de deur’. Vaak wordt gedacht dat de zonde hier wordt voorgesteld als een roofdier, dat klaarligt om Kaïn te belagen en te overmeesteren. Daar wordt soms als bezwaar tegen ingebracht dat zonde nergens in de Hebreeuwse Bijbel als een ‘wezen’ wordt voorgesteld. Een bijkomend bezwaar is dat het woord voor zonde in het Hebreeuws vrouwelijk is, terwijl het woord voor ‘liggen’ in een mannelijke vorm staat. Sommige uitleggers wijzen erop dat het woord voor ‘liggen’, rōbēṣ, sterk lijkt op het Akkadische woord rabiṣu, een demon. Dat zou het persoonachtige van de zonde hier goed verklaren, maar onduidelijk blijft dan wel hoe het zinnetje precies in elkaar zit. Er zijn ook allerlei andere verklaringen voorgesteld, maar geen ervan heeft veel navolging gekregen. De keuze van de NBV21 is daarom, ondanks alle onzekerheid, toch de best onderbouwde.
- begerig om jou in haar greep te krijgen: In het Hebreeuws lijkt dit zinnetje heel sterk op Genesis 3:16: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’ De betekenis is hier echter anders. Terwijl het in Genesis 3:16 gaat over een (relationeel of seksueel) verlangen dat de vrouw heeft ten opzichte van de man, gaat het in Genesis 4 over de zonde die ernaar verlangt om Kaïn in haar greep te krijgen.
Bij vers 8
- Laten we het veld in gaan: Deze woorden zijn toegevoegd vanuit de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta (LXX). We vinden deze extra woorden ook in de Samaritaanse Pentateuch (SamP). Dit zinsdeel ontbreekt echter in de Masoretische Tekst (MT). De meeste onderzoekers gaan ervan uit dat dit zinnetje later is toegevoegd (in de LXX-vertaling van Genesis en in de SamP) omdat er anders een vreemd hiaat zit in het verhaal.
Bij vers 9
- ‘Waar is Abel, je broer?’: Deze vraag doet denken aan Genesis 3:9, waarin God vraagt aan de mens waar hij is. In Genesis 4 vraagt God aan Kaïn waar zijn broer Abel is, aangezien hij nergens meer te bespeuren is. Zijn lichaam is dus ook niet meer zichtbaar, wat kan impliceren dat Kaïn zijn broer in alle haast begraven heeft. De vraag wordt door Kaïn negatief beantwoord, wat duidelijk een leugen is. Dit in tegenstelling tot de mens in Genesis 3:9-10, die een eerlijk antwoord op de vraag van God geeft.
- ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’: Nadat Kaïn tegen God heeft gelogen dat hij niet weet waar zijn broer is, vraagt hij of hij moet waken over zijn broer. Kaïn beseft, door de vraag van God, dat hij inderdaad over zijn broer moest waken in plaats van hem uit afgunst te doden. Genesis 4 geeft hier een instructie mee over de relatie tussen mens en medemens, meer specifiek tussen broers onderling. Een mens moet zorgen voor zijn broer (of zus) in plaats van hem (of haar) naar het leven te staan omwille van afgunst en jaloezie.
Bij vers 10
- ‘Hoor toch (…) naar Mij schreeuwt’: Ook al is Abel dood, hem wordt niet het zwijgen opgelegd. Zijn bloed schreeuwt uit naar God en vraagt om een antwoord voor het onrecht dat hem aangedaan is. Al is Abel dood voor Kaïn, hij is niet dood voor God. Dit is de eerste keer dat het woord dām, bloed, voorkomt in de Bijbel. Aan bloed wordt in de Bijbel levenskracht toegekend.
Bij verzen 11-12
- In deze verzen krijgen we de straf te horen die God aan Kaïn geeft. Kaïn, die landbouwer was (vs. 2), kan de aarde niet meer bewerken aangezien hij de aarde bevlekt heeft met het bloed van Abel. Hij verliest zijn professionele identiteit en levensonderhoud. Tevens zal hij over de aarde moeten dwalen. Op die manier verliest Kaïn niet enkel zijn beroep, maar ook zijn thuis, zijn voedsel en zijn God.
Bij vers 13
- Die straf is te zwaar: De Hebreeuwse zin kan worden vertaald als ‘die straf is te zwaar om te dragen’ én als ‘mijn schuld is te groot om vergeven te worden’.
Bij vers 14
- kan iedereen (…) mij doden: Aangezien Kaïn zo goed als alles verliest, heeft hij ook geen bescherming meer. Hij wordt een paria. De angst om gedood te worden, is dus terecht.
Bij vers 15
- zevenmaal (…) worden gewroken: Dit betekent niet dat degene die Kaïn zou doden letterlijk zevenmaal gedood zou worden. Het betreft waarschijnlijk ook geen vergelding die zou gelden voor het nageslacht van de moordenaar. Het zevenmaal wreken is een beeld voor een volledige, goddelijke vergelding.
- een teken: In de tekst wordt niet gezegd wat voor teken dit is. Sommige geleerden stellen dat het om een soort tattoo gaat. In een rabbijnse tekst wordt de suggestie gedaan dat het teken een hond is die Kaïn vergezelt. Wat het ook moge zijn, het teken is niet bedoeld om Kaïn te stigmatiseren als een moordenaar, maar om hem bescherming te geven.
Bij vers 16
- Nod: In het Hebreeuws is er een woordspel tussen de naam Nod en het woord voor ‘dwaling’. Hierdoor wordt er een link gelegd met de toestand waarin Kaïn zich bevindt: op de dool.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
