Genesis 11:1-9 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Het verhaal van de toren van Babel wordt gekenmerkt door menselijke hoogmoed. Door het bouwen van een verstevigde stad en een toren, vertrouwen de mensen voor geborgenheid op hun eigen kunnen en hopen ze zoals God te worden. Echter, deze hoogmoed wordt niet op prijs gesteld door God, die ervoor zorgt dat ze niet meer met elkaar kunnen communiceren en hen vervolgens ook over de aarde verspreidt.
De passage nodigt ons uit om ons eigen menselijke kunnen in perspectief te plaatsen. Als dusdanig functioneert het verhaal als een blauwdruk voor ons leven.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Genesis 11:1-9 leert ons dat er grenzen zijn aan het menselijke kunnen. Op eigen houtje trachten de mensen een toren te bouwen die zelfs tot in de hemel reikt. Op die manier proberen de mensen als God te worden. Ook vandaag stellen mensen hun vertrouwen vaak enkel in het menselijke kunnen zonder na te gaan of bepaalde zaken wel wenselijk zijn. Denk in dit verband aan de verschillende technologische innovaties die gezien worden als veruitwendigen van het menselijke intellect, maar die soms ongunstige gevolgen in zich kunnen dragen. Met welk doel gebruiken of misbruiken we technologische innovaties?
- De mensen in Babel menen dat ze hun eigen veiligheid kunnen garanderen zonder op God te hoeven vertrouwen. Dit uit zich in de bouw van een sterke stad. Echter, hun vertrouwen is misplaatst. Enkel God kan hun de nodige bescherming geven. Vertrouwen wij enkel op ons eigen kunnen of durven we onze veiligheid in Gods handen te leggen?
Context van Genesis 11:1-9
Het boek Genesis als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Genesis vind je in deze Inleiding bij het boek Genesis
Plek van deze passage in het geheel
Genesis 11:1-9 volgt op het verhaal van de zondvloed (Gen. 6-9) en de geslachtslijst van de zonen van Noach (Gen. 10). Het verhaal speelt zich af in de periode van Peleg, een afstammeling van Sem (zie Gen. 10:25). Echter, de nakomelingen van Peleg worden in hoofdstuk 10 niet vermeld. De geslachtslijst in Genesis 10 gaat verder met het nageslacht van zijn broer Joktan.
Na het verhaal van Babel volgt nogmaals de geslachtslijst van Sem, waarbij er ingezoomd wordt op Peleg in plaats van Joktan. Nadien volgt de geslachtslijst van Terach, die afsluit met Abram. In Genesis 12 vangt de verhaalcyclus van Abram aan.
In verschillende opzichten wijst Genesis 11:1-9 terug naar de eerdere verhalen uit Genesis 1-11. Zo grijpt het motiefwoord ‘verspreiden’ (11:4, 8, 9) terug op Gods opdracht aan de mensen om de aarde te bevolken (Gen. 1:28; 9:1, 7). Bovendien lijkt Genesis 11:6-8 sterk op Genesis 3:22-23: God overlegt bij zichzelf wat de mens gedaan heeft en wat dat tot gevolg heeft, Hij stelt vast wat Hij wil voorkomen, en neemt maatregelen om de mens te begrenzen.
Er is ook een connectie met het hoofdstuk dat volgt. Terwijl de mensen in de grote stad zelf hun ‘naam’ willen vestigen (Gen. 11:4), is het in het volgende hoofdstuk God die belooft om Abrams ‘naam’ aanzien te geven (Gen. 12:2).
Opbouw en kern van de passage
De verzen 1-4 schetsen de context van het verhaal. Het speelt zich af op een vlakte te Sinear, waar de mensen zich vestigen. Ze spreken één taal. Vervolgens besluiten ze een stad te bouwen met een toren die tot in de hemel reikt, zodat ze een reputatie opbouwen en niet over de aarde verspreid worden (vs. 3-4). Echter, de hoogmoed van de mensen zint God niet. Om die reden besluit Hij verwarring in hun taal te zaaien en hen over de aarde te verspreiden (vs. 5-8). Het laatste vers verklaart de naam van de stad Babel (vs. 9).
Het verhaal gaat over de grenzen van de menselijke hoogmoed. Door het bouwen van de toren trachtten de inwoners van Babel dichter bij God te komen en zelfs zoals God te zijn. Ook dachten ze hun eigen veiligheid te kunnen garanderen zonder tussenkomst van God. Echter, deze uitingen van hoogmoed komen hun zuur te staan. God zorgt ervoor dat ze niet meer dezelfde taal spreken waardoor ze hun bouwwerken moeten stopzetten. Daarnaast verspreidt Hij hen over de aarde waardoor ze niet meer de bescherming genieten van een verstevigde stad maar opnieuw op God moeten leren vertrouwen.
Babel speelt in de Bijbel een belangrijke rol en staat vaak symbool voor menselijke macht die ingaat tegen God. Sommige onderzoekers hebben erop gewezen dat de Assyrische koningen een bewuste politiek van bevolkingstransplantatie voerden. De Assyrische koning Sargon II liet aan het einde van de achtste eeuw een nieuwe hoofdstad bouwen, Khorsabad (de oorspronkelijke naam was Dur-Sharrukin, ‘stad van Sargon’). In een van zijn inscripties staat: ‘Mensen uit alle vier de windstreken, met vreemde talen, talen zonder enige overeenstemming, (…) die ik op bevel van Assur, mijn heer, onderworpen had, maakte ik eensgezind (letterlijk: één van mond) en liet ik daar wonen.’ Tegen de achtergrond van de ambities van koningen als Sargon om alle onderworpen volken tot één te maken, tot glorie van Assyrië, krijgt Genesis 11:1-9 een bijzondere scherpte.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
De toren van Babel
- één enkele taal: Letterlijk: één taal en dezelfde woorden.
Bij vers 2
- in oostelijke richting: De verhaallijnen van Genesis 1-11 spelen zich vaak af in het oosten. Zo wordt, onder andere, gesteld dat de tuin van Eden zich in het oosten bevond (Gen. 2:8) en zal Kaïn zich vestigen in Nod, wat zich ten oosten van Eden bevindt (Gen. 4:16).
- Sinear: Deze naam staat hier voor Babylonië; vergelijk Genesis 10:10, Jesaja 11:11 en Daniël 1:2.
Bron: Willibrordvertaling 2012, aangepast
Bij vers 4
- een stad: Het gaat hier over een versterkte stad met stevige stadsmuren die, zoals aangegeven is in vers 3, van stevig materiaal gemaakt zijn. Een versterkte stad zou de inwoners ook bescherming hebben geboden, wat niet het geval geweest zou zijn moesten ze dit niet gebouwd hebben. Aangezien ze zich vestigden in een vlakte (zie vs. 2) was het bouwen van een stad noodzakelijk om zich te kunnen beschermen tegen vijanden.
- toren: Migdāl in het Hebreeuws. Deze term is gerelateerd aan het Hebreeuwse woord voor groot, namelijk gādôl. In Jesaja wordt het woord gebruikt als symbool voor macht en trots, zie Jesaja 2:15, 30:25 en 33:18. Sommige geleerden menen dat de toren uit Genesis 11 verwijst naar de zogenaamde Babylonische ziggoerat, dat is een tempeltoren uit het oude Mesopotamië in de vorm van een terrasvormige piramide.
- tot in de hemel reikt: Hier is al een eerste indicatie van de hoogmoed van de bouwmeesters van de toren van Babel. Ze willen een toren bouwen die aan de plaats reikt waar God vertoeft. In zekere zin doet dit tevens denken aan het tweede scheppingsverhaal, waar de mens zoals God wilde zijn. Ook in Genesis 11 willen de mensen zoals God zijn door een toren te bouwen die uitkomt in de verblijfplaats van God. Zie ook de opmerkelijke parallel in Jeremia 51:53, waar ook sprake is van Babel dat tot aan de hemel reikt.
- Zo vestigen we onze naam: Letterlijk: naam maken. Het gaat hier over het opbouwen van een reputatie. In het Oude Testament is het enkel God die zijn naam kan vestigen (zie, o.a., Jes. 63:12; 63:14; Jer. 32:20; Neh. 9:10). Dat de inwoners van Babel dit voor zichzelf wilden doen, getuigt van hun hoogmoed. In de NBV stond hier ‘Dat zal ons beroemd maken’. Dat is inhoudelijk juist, maar om de parallel met Genesis 12:2 zichtbaar te maken, is het beter om het motiefwoord ‘naam’ hier expliciet te vertalen.
- dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken: Dit druist in tegen het gebod dat God de mens meegaf toen Hij hen geschapen had, in Genesis 1:28: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde.’ Dit wordt nogmaals herhaald na de zondvloed (Gen. 9:1, 7). Door zich te settelen op één plaats, geven de inwoners van Babel hier geen gehoor aan.
Bij vers 5
- toen daalde de HEER af: Al trachten de inwoners van Babel een toren te bouwen die tot aan de hemel reikt, ze slagen niet in hun opzet. God moet zelfs neerdalen om ook maar iets te zien van het bouwwerk. Dit zou goed een bewust ironisch element in het verhaal kunnen zijn.
Bij vers 6
- Alles (…) binnen hun bereik: Ook hier is er een parallel met het tweede scheppingsverhaal. Wanneer de mens gegeten had van de boom van kennis van goed en kwaad, zou de volgende stap het eten van de vrucht van de boom van leven kunnen zijn geweest. Ook hier zou het bouwen van een stad en toren die tot in de hemel reikt, kunnen leiden tot andere misstappen of uitingen van hoogmoed. Het vers heeft ook een parallel met Job 42:2, waar dezelfde woorden gebruikt worden of een afgeleide ervan, bāṣar (afsnijden, ontoegankelijk maken) en zāmam (plannen, mǝzimmâ [plan] in Job). Daar wordt aangegeven dat enkel voor God niets onmogelijk is en geen enkel plan onuitvoerbaar. Dit staat in contrast met de mogelijkheden van de mens.
Bij vers 7
- Laten Wij naar hen toe gaan: De meervoudsvorm die hier gebruikt wordt, vinden we ook terug in andere teksten (zie Gen. 1:26; 3:22; 1 Kon. 22:19; Job 1:6; Job 38:4-7; Ps. 82:1 en Jes. 6:8). De gangbaarste opvatting is dat het hier verwijst naar Gods hemelse hofhouding. Sommige geleerden vatten het op als een pluralis majestatis.
- verwarring brengen (…) verstaan: God kiest ervoor om verwarring te zaaien in hun taal in plaats van de toren omver te werpen. Wanneer Hij de toren vernietigd had, zouden de mensen weer in staat geweest zijn om een nieuwe toren te bouwen. Door verwarring te brengen in hun taal, ontneemt Hij hun de mogelijkheid om een nieuwe toren te bouwen. Tevens functioneert dit verhaal als een etiologie die het bestaan van verschillende talen tracht te verklaren.
Bij vers 8
- verspreidde hen (…) over de hele aarde: Niet enkel wordt hun de eenduidige taal ontnomen, ook worden ze verspreid over de aarde. Terwijl ze probeerden hun eigen veiligheid te garanderen door het bouwen van een (versterkte) stad, vertrouwden ze er niet op dat God hun bescherming zou geven. Ook dit is een teken van de menselijke hoogmoed die hier in het verhaal centraal staat. In dit vers gebeurt wat God steeds voor ogen had: de verspreiding over de aarde (Gen. 9:1, 7).
Bij vers 9
- Babel (…) verwarring: Babel werd door tijdgenoten afgeleid van het Akkadische bab-ili, ‘poort van de goden’, een eervolle naam (al betreft dit een achteraf verzonnen etymologie voor een al veel oudere naam, waarvan de betekenis onbekend is). In Genesis 11:1-9 wordt juist de spot gedreven met de naam Babel, door deze naam te verbinden met het werkwoord balal, ‘verwarring brengen’. Op die manier, en aan de hand van het verhaal, tracht de auteur een etymologische verklaring te geven van de naam Babel of Babylon. Sommige geleerden, die aannemen dat het verhaal geschreven zou zijn ten tijde van de Babylonische ballingschap, zien hier ook een sneer in naar het Babylonische rijk.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
