6De oerzee bedekte haar als een kleed,
tot boven de bergen stonden de wateren.
7Toen U dreigde, vluchtten zij weg,
toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:
8naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,
naar de plaatsen die U had bepaald.
9U stelde een grens die zij niet overschrijden,
nooit weer zullen zij de aarde bedekken.
10U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
11Het drenkt alles wat leeft in het veld,
wilde ezels lessen er hun dorst.
12Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.
13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,
door uw daden raakt de aarde verzadigd.
14Gras laat U groeien voor het vee
en gewassen die de mens moet verbouwen.
Zo zal hij brood winnen uit de aarde