Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Vertaalaantekeningen bij het oecumenisch leesrooster (7)

Elke nieuwe bijbelvertaling verschilt van haar voorgangers. De verschillen kunnen zijn ontstaan doordat het taalgebruik in de vertaling gemoderniseerd of aan een bepaald niveau aangepast is. De vertalers kunnen ook veranderde exegetische inzichten hebben verwerkt. Of ze gebruikten bij het vertaalwerk een methode die nog niet eerder werd toegepast. In de serie Vertaalaantekeningen bij het oecumenisch leesrooster worden vertaalbeslissingen in de NBV besproken vanuit de Bijbelwetenschap, de vertaalwetenschap en de neerlandistiek.

De behandelde teksten zijn ontleend aan het oecumenisch leesrooster van de Raad van Kerken in Nederland. In deze zevende aflevering komen allereerst vertaalaantekeningen bij verschillende passages in het boek Jesaja aan de orde. Die worden gelezen op 2 augustus, 16 augustus en 23 augustus 2009. Daarna volgen twee exegetische notities, bij de vertaling van Jesaja 42:1-12 (lezing van 2 augustus 2009) en bij de vertaling van Marcus 8:27-9:1 (lezing van 6 september 2009).

1. Vertaalaantekeningen

Jesaja 42:4 (2 augustus)

De vertaling van Jesaja 42:4a luidt in de NBV:

‘Ongebroken en vol vuur
zal hij het recht vestigen op aarde.’

In het Hebreeuws staan twee ontkennende zinnen: loo jichhèh weloo jaroets, ‘hij zal niet dof worden en hij zal niet gebroken worden.’ De masoretische vocalisatie van de tweede werkwoordsvorm, jaroets, is opmerkelijk. Jaroets betekent normaliter ‘hij zal rennen’ (zie de noot in de NBV), maar dat past niet in dit verband. De oplossing ligt in een andere vocalisatie: jerots, ‘hij zal gebroken / geknakt worden’. Dit is in overeenstemming met een aantal oude vertalingen, waaronder de Septuaginta. Die heeft: ‘Hij zal opvlammen (analampô) en niet in stukken breken (thrauô).’

De twee uitspraken in 42:4 vormen een woordspeling met twee elementen in 42:3. De zin ‘het geknakte riet breekt hij niet af’ heeft een echo in ‘hij zal niet gebroken worden’ (‘ongebroken’ in de NBV). De zin ‘de kwijnende vlam zal hij niet doven’ heeft een echo in ‘hij zal niet dof worden’ (‘vol vuur’ in de NBV). In de brontekst staan de beide elementen in 42:3 en 4 in een chiastisch verband met elkaar. De NBV heeft in 42:4 de volgorde omgedraaid, zodat het verband met het voorgaande nog beter zichtbaar wordt.

Met ‘ongebroken en vol vuur’ wordt in de NBV de dienaar van JHWH voorgesteld als een James Bond-figuur, een held die onvermoeibaar de eindoverwinning behaalt. Terwijl in de NBG-vertaling 1951 de dienaar van JHWH juist iemand lijkt die bijna ten onder gaat aan zijn opdracht: ‘Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot (Hebreeuws ‘ad) hij op aarde het recht zal hebben gebracht’. Deze nogal hebraïserende vertaling suggereert dat de dienaar wanneer hij zijn opdracht heeft voltooid, wél zal kwijnen en geknakt zal worden. In het Hebreeuws is het inleidende voegwoord van tijd (‘ad) echter gebruikt om de aandacht te richten op het tijdsverloop waarin de dienaar zich wijdt aan de uitvoering van zijn taak, niet op de tijd daarna. De NBV kiest voor een weergave in goed Nederlands waarbij de essentie van de Hebreeuwse constructie wordt weergegeven.

Jesaja 42:6 (2 augustus)

Jesaja 42:6 is in de NBV als volgt vertaald:

‘In gerechtigheid heb ik, de HEER, jou geroepen.
Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden,
ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen
en maak je tot een licht voor alle volken (…)’

In de NBG-vertaling 1951 is dit gedeelte van de tekst over de roeping van de dienaar van JHWH zo weergegeven:

‘Ik, de HERE, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën (…)’

De NBV en de NBG-vertaling 1951 wijken wat formulering betreft op twee punten duidelijk van elkaar af.

In de eerste plaats geven de NBV en de NBG-vertaling 1951 in Jesaja 42:6 de Hebreeuwse werkwoordsvormen we’achzeeq, we’ètstsorka en we’èttènka niet op dezelfde manier weer. In de NBV zijn ze gepresenteerd in de onvoltooid tegenwoordige en toekomende tijd, in de NBG-vertaling 1951 in de voltooid tegenwoordige tijd. De vertalers van de NBG-vertaling 1951 hebben de masoretische vocalisatie van de werkwoordsvormen niet overgenomen, maar licht gewijzigd. Daardoor konden ze gelezen worden als een imperfectum consecutivum, zoals ook in de Targum, de Pesjitta en de Vulgata is gedaan, en ook wordt voorgesteld in het kritisch apparaat van de Biblia Hebraica Stuttgartensia. Die wijziging is ingegeven door de opvatting dat de passage een roepingsorakel aanhaalt dat al eerder gedaan is. Deze opvatting van een vroeger roepingsorakel is echter zeer onzeker. De samenhang van 42:5-9 met 42:1-4 doet eerder denken aan een actueel roepingsorakel. Daarom heeft het zin de werkwoordsvormen met hun masoretische vocalisatie te handhaven en ze met een vertaling in een onvoltooide tijd in het heden of de toekomst te plaatsen.

In de tweede plaats heeft de NBV in tegenstelling tot de NBG-vertaling 1951 in Jesaja 42:6b met de vertaling ‘ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen (libriet ‘am)’ gekozen voor een universalistisch perspectief. De terminologie van de brontekst brengt een moeilijkheid met zich mee. Het voorzetsel le (‘aan, voor’) met beriet, ‘verbond’ wordt gevolgd door ‘am, ‘volk’. Is het enkelvoud ‘am hier als collectief op te vatten, zodat het parallel staat met gojim ‘volken’ in de volgende stiche? Of gaat het hier om het verbond met het ene volk (zie de NBG-vertaling 1951) dat duidelijk te onderscheiden zou zijn van het licht voor alle volken? Aangezien in vers 5 hetzelfde woord ‘am (enkelvoud) betrekking heeft op ‘de mensen’ op aarde in het algemeen, ligt het voor de hand om dat ook in Jesaja 42:6 zo te interpreteren en ‘am en gojim als synoniemen op te vatten. De aanduidingen ‘licht voor alle volken’ en ‘verbond met de mensen’ komen terug in Jesaja 49:6 en 8.

Geraadpleegde literatuur

  • U. Berges, Jesaja 40-48, Herders Theologischer Kommentar zum Alten Testament, Freiburg/Basel/Wien 2008, 235-237.
  • W.A.M. Beuken, Jesaja, deel IIA, De prediking van het Oude Testament, Nijkerk 1979, 122-127.
  • P. E. Bonnard, Le Second Isaïe. Son disciple et leurs éditeurs. Isaïe 40-66, Études Bibliques, Paris 1972, 117.
  • K. Elliger, Jesaja II, Biblischer Kommentar -Altes Testament 11.7, Neukirchen-Vluyn 1971, 232-235.
  • A.R. Hulst, Old Testament Translation Problems, Helps for Translators 1, Leiden 1960, 149.
  • J.L. Koole, Jesaja II, deel 1: Jesaja 40 tot en met 48, Commentaar op het Oude Testament, Kampen 1985, 157-161.

Jesaja 45:9 (16 augustus)

Het laatste woorden van Jesaja 45:9b oefo‘olka ’een jadajim loo zijn op verschillende manieren te interpreteren. Die verschillen komen terug in de bijbelvertalingen. Volgens de NBG-vertaling 1951 staat er in Jesaja 45:9b: ‘Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: Wat maakt gij? of uw werk: Hij heeft geen handen?’ Deze vertaling biedt een letterlijke weergave van de masoretische tekst. Daarin slaan de woorden ‘Hij heeft geen handen’ op de pottenbakker. Er wordt dan gezegd dat het onzinnig is wanneer de voltooide pot (‘uw werk’) over de pottenbakker zou zeggen dat hij geen handen heeft, terwijl die handen juist de vorm aan de pot hebben gegeven. Zo onzinnig is het ook wanneer een schepsel God een verwijt zou maken.

In de Willibrordvertaling is een andere invalshoek gekozen. De vertaling luidt: ‘Zegt de leem tegen hem die haar vormgeeft: “Wat doet u? Uw werk is niets waard!”’ Voor het Hebreeuwse woord jad is hier de betekenis van ‘kracht, waarde’ gekozen (zie daarvoor ook Deuteronomium 32:36; 2 Koningen 19:26; Psalm 76:6). Ook hier richt de pot zich dus afkeurend tot de pottenbakker: wat hij heeft gemaakt, is waardeloos. Men vindt hier dezelfde gedachte als in Jesaja 29:16.

De NBV kiest weer voor een ander betekenisaspect van het Hebreeuwse woord jad:

‘Zegt klei soms tegen wie hem vormt:
‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’
of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’

De dualis jadajim is geïnterpreteerd als ‘handvatten’ en loo als een verwijzing naar het door de pottenbakker gemaakte werkstuk, net zoals in de Verdeutschung van Buber/Rosenzweig: ‘Dein Werk, keine Handhabe ist dran!?’ De nadruk ligt dan op het bekritiseren van de pottenbakker omdat hij het werkstuk een bepaalde vorm heeft gegeven. Met de vergelijking wordt uitgedrukt dat het de mens geen pas geeft de soevereine God ter verantwoording te roepen over wat hij doet of gedaan heeft.

Geraadpleegde literatuur

W.A.M. Beuken, Jesaja IIb (De Prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1983, 242-243.

H.-J. Hermisson, Deuterojesaja (Biblischer Kommentar – Altes Testament XI,7), Neukirchen Vluyn 1987, 10.

H. Leene, 'Universalism or nationalism? Isaiah xlv 9-13 and its context' in: Bijdragen 35 (1974), 309-334, in het bijzonder 311-313.

A. Schoors, Jesaja (De Boeken van het Oude Testament), Roermond 1972, 286.

Jesaja 51:16 (23 augustus)

De Hebreeuwse woorden lintoa‘ sjamajim we liesod ’arèts in Jesaja 51:16b zijn in diverse vertalingen verschillend weergegeven. De twee infinitieven zijn nadere bepalingen van het eerder in het vers genoemde subject en kunnen in het Nederlands het best met een relatieve zin worden vertaald. De NBV heeft de volgende vertaling: ‘ik die de hemel geplant heb en de aarde gegrondvest’. Daarin is lintoa‘ opgevat als de infinitief van nata‘, ‘planten’, met voorzetsel le. Die lezing komt overeen met wat de eerste Jesajarol uit Qumran en de Septuaginta bieden. De meeste uitleggers en vertalingen volgen hier echter een algemeen aanvaarde tekstwijziging door met de Pesjitta niet lintoa‘ te lezen maar lintot, met de infinitief van natah, ‘uitstrekken, uitspannen’. Zie bijvoorbeeld de NBG-vertaling 1951 ‘Ik, die de hemel uitspan en de aarde grondvest’ of de Willibrordvertaling 1995 ‘Ik die de hemel heb uitgespannen en de aarde gegrondvest heb’. De uitdrukking ‘de hemel uitspannen’ komt ook elders in de Bijbel voor, zoals in Jesaja 40:22 en 51:13. Tekstkritisch is er echter geen reden om de unieke zegswijze ‘de hemel planten’ te laten vallen. De metafoor is weliswaar ongebruikelijk, maar als die wordt opgevat als een beeld van ‘stevig bevestigen’, past die goed in het parallellisme met jasad, ‘grondvesten’.

Geraadpleegde literatuur

W.A.M. Beuken, Jesaja IIb (De prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1983, 139-140.

J. de Waard, A Handbook on Isaiah (Textual Criticism and the Translator vol. 1), Winona Lake, 1997, 189.

2. Exegetische notities

Jesaja 42:1-12 (2 augustus)

Jesaja 42:1-4 staat bekend als het eerste lied over de dienaar van de HEER (de andere liederen over de dienaar zijn 49:1-6, 50:4-9 en 52:13-53:12). De dienaar wordt voorgesteld als iemand die speciaal door God is uitgekozen om een bepaalde taak tot uitvoering te brengen. Wie is deze dienaar en wat is de taak die God hem geeft?

Het kernwoord van de passage is misjpat (vers 1, 3 en 4). In de NBV is het vertaald met ‘recht’. Dat is een goede vertaling die verschillende interpretaties openhoudt. Nader ingevuld in deze context is het: ‘rechtsbesluit’, ‘rechtsoordeel’. Het gaat hier over Gods rechtsbesluit dat bepalend is voor de loop van de geschiedenis en wereldwijd verstrekkende gevolgen heeft. Het ‘recht’ dat hier centraal staat is niet

het recht in een abstracte en algemene betekenis, maar het recht dat zijn loop krijgt in een concrete historische situatie. Gods rechtsbesluit behelst de bevrijding van zijn verdrukte volk en de vernietiging van de verdrukkers, Babylonië, door de hand van de door God aangestelde bevrijder, Cyrus.

Gods rechtsbesluit heeft een positieve en een negatieve zijde. Voor het volk in ballingschap en verdrukking betekent het bevrijding en het aanbreken van een nieuwe heilvolle tijd. Voor de verdrukkers betekent het de ondergang. Gods ingrijpen ten gunste van zijn volk heeft wereldwijd verstrekkende gevolgen, die in dit deel van het boek Jesaja soms in positieve termen worden uitgedrukt (bijv. 42:4 en 6) en soms in negatieve (wanneer wordt benadrukt hoe nietswaardig de goden van de volkeren zijn).

Het is de taak van ‘de dienaar’ om dit rechtsbesluit van God wereldwijd kenbaar te maken. Deze dienaar is niet Cyrus – die optreedt als bevrijder maar niet als degene die Gods besluit wereldkundig maakt. Sommige uitleggers menen dat ‘de dienaar’ de profeet is die deze woorden heeft uitgesproken of opgeschreven. Anderen menen dat ‘de dienaar’ een aanduiding van het volk Israël is. Het is ook mogelijk dat er niet zozeer aan één concrete figuur is gedacht, maar aan diegenen onder de Israëlieten die deze profetische boodschap geloven, en uitdragen dat na een tijd van duisternis een heilvolle tijd is aangebroken. In elk geval gaat het over iemand (of meerdere mensen) die de profetische boodschap van Gods bevrijdende ingrijpen bekendmaakt (of bekendmaken).

Jesaja 42:2-3 wordt soms uitgelegd als een contrast met de vroegere profetische boodschap van straf en vernietiging. De vroegere profeten, zoals Jeremia, riepen het uit, jammerden en klaagden; zo brachten zij een verschrikkelijke boodschap van vernietiging. Nu echter is het een boodschap van bevrijding. Het ‘geknakte riet’ en de ‘kwijnende vlam’ zijn beelden van wat is overgebleven van Israël in de verdrukking. Er komt niet nog meer onheil, zodat ook wat nog rest vernietigd zou worden, maar wat komt is herstel en bevrijding.

Gods heilsbesluit om Israël te bevrijden heeft wereldwijde gevolgen: het Babylonische rijk wordt omvergeworpen door de Perzische koning Cyrus, die daarmee de nieuwe wereldheerser wordt. De hele wereld dient te weten dat die ingrijpende gebeurtenissen overeenkomstig Gods besluit zijn. Tot in de verste landen – de aanduiding ‘de eilanden’ betekent ‘verre landen’, zie het parallellisme in 41:5 – wordt dit door de dienaar bekend gemaakt. De taak van de dienaar om Gods heilsbesluit op aarde ‘te vestigen’ gaat nog een stap verder dan alleen het bekendmaken ervan: de bekendmaking is tegelijk het inwerkingzetten, de effectuering van het besluit. Het ‘onderricht’ (tora) van de dienaar waar de eilanden naar uitzien is het profetische getuigenis, de verkondiging van het heilsbesluit van God. Het woord tora heeft hier dezelfde betekenis als in Jesaja 8:16, ‘(profetisch) onderricht’ als synoniem van ‘(profetisch) getuigenis’.

Jesaja 42:5-9 wordt in de NBV als een afzonderlijk geheel gepresenteerd. Er is inderdaad veel voor te zeggen om het enigszins los van 42:1-4 te lezen. Er is in deze passage geen sprake meer van een dienaar; er wordt nu iemand in de tweede persoon door God toegesproken (vers 6-7). De identiteit van de toegesprokene is omstreden. Sommige onderzoekers menen dat dit toch nog steeds over de dienaar gaat, terwijl anderen denken dat het Cyrus is. Voor dat laatste spreekt dat er een vaste combinatie bestaat tussen het motief van God als schepper van hemel en aarde en zijn aanstelling van Cyrus (42:5+6-7; 44:24+28; 45:1-5+6-8, 45:12+13, 48:13+14-15). De samenhang tussen deze motieven komt hieronder aan de orde.

In 42:6 wordt, net als in 45:13, de roeping of aanstelling van Cyrus door de HEER aangeduid met het woord betsèdèq. Dat wordt traditioneel vertaald met ‘in gerechtigheid’. De vraag is wat dat precies betekent. De vorm betsèdèq kwalificeert in beide gevallen de werkwoordsvormen ‘roepen’ en ‘laten komen’, en lijkt dus een adverbiale functie te hebben. Dat zou inhouden dat betsèdèq in 42:6 en 45:13 ‘rechtmatig’ betekent. Het motief van rechtmatigheid van het koningschap speelt een prominente rol in de koningsideologie van het oude Nabije Oosten. Koningen claimen graag en vaak dat zij zijn aangesteld door de goden als de rechtmatige vorst. In verbinding met verbale vormen wordt dit uitgedrukt door het adverbium kīniš, ‘rechtmatig’, dat in Assyrische en Babylonische koningsinscripties voorkomt in combinatie met werkwoorden als ‘aanstellen’, ‘uitkiezen’ en ‘roepen’. Sinds lange tijd is door onderzoekers gewezen op de grote hoeveelheid overeenkomsten tussen teksten in Deutero-Jesaja en Assyrische en Babylonische teksten. Gods aanstelling van Cyrus, met alle bijbehorende motieven, heeft parallellen in de koningsideologie van het oude Nabije Oosten.

In de teksten die handelen over Cyrus’ benoeming komt ook steeds het motief aan de orde waarin God zichzelf presenteert als de schepper van de hemel en de aarde. Dit is niet een toevallige combinatie, maar een betekenisvol verband. Juist als de schepper van hemel en aarde is de HEER degene, de enige, die op rechtmatige wijze de wereldheerser benoemt. De hoogste God, de schepper, benoemt de hoogste koning; geen ander mag of kan dat doen. De vorm betsèdèq onderstreept Gods exclusieve positie.

Geraadpleegde literatuur

  • W.A.M. Beuken, Jesaja deel IIa (De Prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1979.
  • K. Elliger, H.-J. Hermisson, Deuterojesaja 40,1-45,7 (Elliger) (Biblischer Kommentar-Altes Testament XI/1), Neukirchen-Vluyn 1978.
  • R. G. Kratz, Kyros im Deuterojesaja-Buch: redaktionsgeschichtliche Untersuchungen zu Entstehung und Theologie von Jes 40-55, Tübingen 1991.
  • Claus Westermann, Das Buch Jesaja: Kapitel 40-66 (Altes Testament Deutsch 19), Göttingen 1966.

Marcus 8:27-9:1 (6 september)

Marcus, uit: Biblia: dat is de gantsche H. Schrifture […], Haarlem 1796.
Foto: NBG/Sandra Haverman

In Marcus 8:27 begint een nieuw deel in het evangelie van Marcus, dat loopt tot 10:45. De rode draad door Marcus 8:27-10:45 bestaat uit:

  1. 1.aankondiging van lijden, dood en opstanding van de Mensenzoon (8:31, 9:31, 10:33-34)
  2. 2.onbegrip hierover bij de leerlingen (8:32-33, 9:32, 10:35-41)
  3. 3.onderricht over het volgen van Jezus (8:34-37, 9:33-37, 10:42-45).

Marcus 8:27-10:45 geeft antwoord op de vraag: Wie is Jezus? Het antwoord is: Hij is de Mensenzoon die moet lijden. Dat wordt naar twee kanten uitgewerkt. In de eerste plaats wordt uitgelegd dat het lijden en sterven van de Mensenzoon in overeenstemming is met Gods plan en dat volgens dit plan na het lijden en sterven zijn opstanding volgt en later zijn komst als hemelse koning en rechter. In de tweede plaats wordt uitgelegd dat het volgen van Jezus vraagt om de bereidheid je leven op te geven. Omdat Jezus de Mensenzoon is die moet lijden en sterven, betekent hem volgen ook: bereid zijn om te lijden en te sterven.

Wie is Jezus?

Voor de christelijke hoorders van het verhaal was het antwoord op die vraag duidelijk: Christus, de Zoon van God (1:1). Maar in het verhaal van Marcus blijft de vraag de gemoederen tot het eind toe bezighouden. Het antwoord in 1:11 en 9:7, waar God hem zijn ‘geliefde Zoon’ noemt, beschrijft de auteur als privé-momenten die nog niet bekend (mogen) worden (9:9). De onreine geesten weten wie Jezus is (1:24, 1:34, 3:11), maar Jezus verbiedt hun dat bekend te maken (1:25, 1:34, 3:12). Wat blijft is een reactie van verbazing en verwarring: Wie is deze man? (1:27, 2:12, 4:41, 6:2-3) en een diversiteit aan antwoorden (6:14-16). In 8:27-30 wordt de vraag voor het eerst door Jezus zelf aan de orde gesteld. Na de antwoorden van ‘de mensen’ (8:27-28) belijdt Petrus namens de leerlingen: ‘U bent de messias.’ Dat is goed gesproken. Toch verbiedt Jezus om dit verder bekend te maken en ziet hij hierin aanleiding om zijn leerlingen te vertellen over het lijden van de Mensenzoon. Wat heeft het een met het ander te maken?

De betekenis van ‘de messias’

De titel ho christos, ‘de messias’, komt in Marcus drie keer voor als titel van Jezus: in 8:29, 14:61 en 15:32. Telkens wordt er een andere titel naast gezet: in 8:29-31 volgt op ‘de messias’ de aanduiding ‘de Mensenzoon’; in 14:61-62 gebruikt de hogepriester de titels ‘messias’ en ‘Zoon van de Gezegende’ waarna Jezus de titel ‘de Mensenzoon’ noemt; en in 15:32 noemen Joodse leiders in hun spot bij het kruis ‘de messias’ samen met ‘de koning van Israël’.

In het evangelie van Marcus wordt een duidelijk verschil gemaakt tussen een goed begrip en een verkeerd begrip van de titel ‘de messias’. Verkeerd is ‘de messias’ in een politieke betekenis: de koning van de Joden of de koning van Israël (15:2, 15:32) als een politiek figuur van wie men verwacht dat hij de macht zal grijpen, de Romeinen het land uitjaagt en als een nieuwe David zal regeren over een vrij en onafhankelijk Israël. Goed is ‘de messias’ ingevuld als de Mensenzoon: de definitieve afgezant van God, die de komst van het koninkrijk inluidt, in gehoorzaamheid aan Gods plan afwijzing, lijden en een gewelddadige dood ondergaat, van God de hoogste eer en macht ontvangt, en terug zal komen als hemelse koning en rechter aan het einde van de tijd.

Het evangelie van Marcus benadrukt dat dít de betekenis is van Jezus’ messiasschap. Om een verkeerd (politiek) begrip van Jezus’ messiasschap tegen te gaan, wordt de betekenis ervan ingevuld met uitspraken over de Mensenzoon. Jezus’ messiasschap kan alleen goed begrepen worden en bekendgemaakt worden in het licht van zijn dood en opstanding.

‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’

In 8:27-9:1 staan de twee invullingen van ‘messias’ tegenover elkaar. In vers 31 legt Jezus de leerlingen de ware betekenis van zijn messiasschap uit. Petrus reageert fel afwijzend. Die reactie hangt samen met zijn eerdere belijdenis: ‘U bent de messias.’ Petrus beschouwt Jezus’ aangekondigde lijden en sterven als in tegenspraak met zijn messiasschap. Uitgaande van het verkeerde messiasbegrip klopt dat ook: als de messias een machtsfiguur is die optreedt tegen de Romeinen en een nieuw koninkrijk sticht, is een messias die moet lijden en gedood worden, een mislukking.

In Jezus’ terechtwijzing van Petrus staan de twee invullingen tegenover elkaar: wat de mensen willen (een politieke messias) staat haaks op wat God wil (een messias die gehoorzaam is aan zijn eschatologische heilsplan). En wie tegen God ingaat is een helper van Satan. Satan is degene die Gods plan probeert te dwarsbomen. Dat is wat Petrus ook doet als hij Jezus van de weg van het lijden probeert af te houden. De woorden ou froneis ta tou theou alla ta tôn anthrôpôn zijn in de NBV vertaald met ‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ De woordgroep ta tou theou wordt vaak vertaald met ‘de dingen van God’, wat echter niet duidelijk is, niet fraai, en trouwens ook niet echt letterlijk. In het Nieuwe Testament wordt veel vaker het onzijdige lidwoord in het meervoud gebruikt in combinatie met een genitief. Het betekent niet altijd hetzelfde. Zo kan men in Marcus 12:17 met de NBV vertalen: ‘Geef wat van de keizer (ta kaisaros) is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort (ta tou theou).’ In Romeinen 8:5 kan men vertalen: ‘Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil (ta tês sarkos fronousin), maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil (ta tou pneumatos)’ (NBV). Dit laatste past ook goed in Marcus 8:33: Petrus is niet gericht op wat God wil, maar alleen op wat mensen willen.

‘het moet’ (dei)

Het woord dei (‘het moet’) in Marcus 8:31 ondersteunt de vertaalkeuze van de NBV in 8:33. Volgens de gebruikelijke uitleg regeert het woord dei alle vier de infinitieven die volgen: lijden, verworpen worden, gedood worden, opstaan. Dat alles ‘moet’ gebeuren (in de NBV komt dat niet helemaal uit de verf). Het woord dei verwijst naar het plan van God, dat is het plan met betrekking tot ‘de laatste dagen’ en het komen van Gods koninkrijk zoals dat in de Schrift is voorzegd en door Jezus aan zijn leerlingen is onthuld en uitgelegd

Dit gebruik van dei, ‘het moet’, als aanduiding van een eschatologische noodzaak vinden we ook elders in Marcus (9:11, 13:7, 10) en hetzelfde motief komt voor in 13:20, 9:12, 14:31 en 14:49. Marcus 13 vertelt hoe de gebeurtenissen op aarde zullen uitlopen op het einde van de tijd en de definitieve komst van Gods koninkrijk. Zowel Jezus’ lijden, sterven en opstaan, als de ‘laatste gebeurtenissen’ die Jezus’ komst als hemelse koning en rechter inleiden, voltrekken zich volgens een eschatologische noodzaak: het heilsplan van God.

Op die manier staan in 8:29-33 twee zaken tegenover elkaar: de juiste opvatting van messias als de Mensenzoon die in gehoorzaamheid aan Gods plan moet lijden, sterven en opstaan, en de verkeerde opvatting van messias als iemand die de politieke macht wil grijpen zoals de mensen dat verwachten maar wat ingaat tegen Gods plan.

Het volgen van Jezus

De passage eindigt met een beschouwing over het ‘volgen’ van Jezus. De ware aard van Jezus’ messiasschap, onthuld in 8:29-33, heeft consequenties voor de ware aard van het volgelingschap. Vers 34 begint met de belangrijkste stellingname: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen’ (NBV).

De Griekse handschriften hebben variatie in de infinitieven: akolouthein (‘als iemand achter mij wil volgen’) en elthein (‘als iemand achter mij aan wil komen’). Terwijl oudere edities van het Griekse Nieuwe Testament voor elthein kiezen, heeft de meest recente editie akolouthein. Dat laatste is de moeilijker en daardoor de meer waarschijnlijke keuze, omdat de zin als geheel uitloopt op de oproep kai akoloutheitô mou, ‘en mij volgen’. De uitspraak ‘wie mij wil volgen, moet … mij volgen’ lijkt enigszins vreemd. Dat kan verklaren waarom zowel Matteüs als Lucas voor een vorm van ‘komen’ (elthein resp. erchesthai) gekozen heeft en er al in een vroeg stadium van de tekstoverlevering in Marcus de variant elthein (wellicht ontleend aan Matteüs) ontstond. Ondanks het dubbele gebruik van akolouthein kan de zin worden begrepen als een betekenisvolle uitspraak. Na de voorzin (‘Wie mijn volgeling wil zijn’) volgt een hoofdzin met drie imperatieven. De eerste twee zijn aoristusvormen en de laatste een presensvorm. Samen met het voorafgaande woordje kai, ‘en’, kan deze laatste vorm explicatief worden opgevat. Op die manier is de zin, hoewel stilistisch niet fraai, toch helder: Als iemand mij wil volgen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen, en mij zo volgen. De NBV heeft dit iets aantrekkelijker geformuleerd door te variëren in de woordkeus.

Na de stellingname in vers 34 volgen vier zinnen als uitleg en verduidelijking (vers 35-38). Alle vier haken ze aan op het voorafgaande door het woordje gar (dat in een lopend betoog natuurlijk niet steeds expliciet vertaald hoeft te worden met ‘want’).

In vers 29-33 legt Jezus uit dat zijn messiasschap lijden en sterven inhoudt; in vers 34 zegt Jezus dat hem volgen inhoudt ‘jezelf opgeven en je kruis op je nemen’. Dit betekent bereid zijn om te sterven voor het evangelie. Het wordt uitgelegd in vers 35-37. Het woord psuchê moet in deze verzen vertaald worden met ‘leven’. Het is niet juist om psuchê in vers 35 met ‘leven’ te vertalen en in 36-37 met ‘ziel’ (NBG-vertaling 1951); ook de switch tussen ‘leven’ en ‘zichzelf’ (Willibrordvertaling; Groot Nieuws Bijbel) is niet gelukkig; en de keus om overal ‘ziel’ te vertalen (Naardense Bijbel) levert voor vers 35 een zin op die haaks staat op de betekenis van de tekst. De keuze van de NBV is hier goed en leidt tot een duidelijke tekst. In deze verzen speelt de tegenstelling tussen het aardse leven en het echte leven, d.w.z. het eeuwige leven. In vers 35 staat dit centraal: ieder die het (aardse) leven wil behouden, zal het (echte) leven verliezen, maar wie zijn (aardse) leven verliest omwille van Jezus en het evangelie, die zal het (echte) leven behouden. Als je vers 36-37 los leest, dan zou het goed over het gewone leven op aarde kunnen gaan. Maar in deze context klinkt het eeuwige leven er zeker in door. Vers 36 luidt in de NBV ‘Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet?’ Op het eerste gezicht lijkt dit een tamelijk vrije weergave van het Grieks, bijvoorbeeld vergeleken met de NBG-vertaling 1951 ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?’ Toch is dat niet het geval. In de eerste plaats is het beter om psuchê, net als in vers 35, met ‘leven’ te vertalen. In de tweede plaats betekent het Grieks zêmiôthênai tên psuchên autou niet ‘schade lijden aan zijn ziel’. De accusatief tên psuchên autou is datgene waaruit de schade bestaat. In het Nederlands is dat moeilijk uit te drukken met werkwoorden als ‘verlies lijden’ of ‘schade lijden’, maar eenvoudig kun je zeggen: ‘zijn leven verliezen’. De NBV geeft dus de essentie goed weer.

De komst van de Mensenzoon

De passage over Jezus’ ware messiasschap (lijden en sterven, en opstanding en verheerlijking) en het ware volgelingschap (opgeven van het aardse leven om het eeuwige leven te behouden) loopt uit op een beschrijving van de komst van Jezus als hemelse koning en rechter ‘bekleed met de stralende luister van zijn Vader’ (8:38). Dat is het beslissende moment. Marcus 9:1 sluit dit gedeelte af (over het algemeen wordt 8:27-9:1 als een literaire eenheid gezien en de NBV heeft dus een goede tekstafbakening gekozen) met een indicatie wanneer dit beslissende moment zal plaatsvinden: nog voordat iedereen van de ‘eerste generatie’ gestorven zal zijn. Het slotvers dient ter bemoediging. Dat het volgen van Jezus lijden betekent, loopt als een rode draad door het evangelie van Marcus, maar wie standhoudt tot het einde – en het einde zal spoedig komen – zal worden gered.

Geraadpleegde literatuur

  • M. E. Boring, Mark. A Commentary (The New Testament Library), Louisville 2006.
  • A. Y. Collins, Mark. A Commentary (Hermeneia), Minneapolis 2007.

Dr. J. van Dorp, dr. M.J. de Jong en drs. C. Verheul zijn respectievelijk als oudtestamenticus, nieuwtestamenticus en neerlandicus verbonden aan het Nederlands Bijbelgenootschap.

Bronvermelding

Jaap van Dorp, Matthijs de Jong en Clazien Verheul, 'Vertaalaantekeningen bij het oecumenisch leesrooster (7)' in: Met Andere Woorden 28/2 (2009), 33-46.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.12
Volg ons