De onreinheid van voorwerpen in de Bijbelse reinheidswetten
De onreinheid van voorwerpen in de Bijbelse reinheidswetten
Voorbeelden van onreine voorwerpen
33De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 34‘Wanneer jullie eenmaal in Kanaän zijn, het land dat Ik jullie in bezit zal geven, en Ik daar een huis laat aantasten door een schimmel die onreinheid veroorzaakt, 35moet de eigenaar bij de priester melden dat zijn huis is aangetast. 36De priester moet het huis laten ontruimen voordat hij het verschijnsel komt onderzoeken; zo voorkomt hij dat alles wat zich in het huis bevindt onrein verklaard moet worden. Vervolgens komt de priester het aangetaste huis onderzoeken. 37Als hij vaststelt dat er groen- of roodachtige putjes diep in de muren zijn ingevreten, 38gaat hij naar buiten en sluit het huis af voor zeven dagen. 39Op de zevende dag komt hij terug om te zien of de muren van het huis verder zijn aangetast. Als dat zo is, 40moet hij de aangetaste stenen laten wegbreken en ze laten weggooien buiten de stad, op een onreine plaats. 41Vanbinnen moeten de muren van het huis worden afgekrabd en het afgekrabde pleisterwerk moet buiten de stad, op een onreine plaats, worden weggegooid. 42De uitgebroken stenen moeten door andere worden vervangen en het huis moet opnieuw worden bepleisterd. 43Als de stenen zijn uitgebroken en de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, en het huis later toch weer wordt aangetast, 44moet de priester opnieuw komen. Als hij vaststelt dat de aantasting zich heeft uitgebreid, is het een schadelijke schimmel, en het huis is dan onrein. 45Het moet worden afgebroken, en de stenen, het hout en al het pleisterwerk moeten buiten de stad worden gebracht, naar een onreine plaats. 46Wie het huis binnengaat gedurende de tijd dat het afgesloten is, is tot de avond onrein. 47Wie in het huis slaapt of wie er eet, moet zijn kleren wassen.
48Als de priester, nadat het huis opnieuw bepleisterd is, bij zijn onderzoek vaststelt dat de aantasting zich niet heeft uitgebreid, moet hij het huis rein verklaren; de aantasting is dan onschuldig gebleken. 49Om het huis van zonde te reinigen, moet hij twee vogels laten brengen, en cederhout, karmozijn en majoraan. 50De ene vogel moet worden geslacht boven een met bronwater gevulde aarden schaal. 51Vervolgens moet hij het cederhout, de majoraan en het karmozijn en de andere, nog levende vogel in het bloed van de geslachte vogel en in het bronwater dopen en dat zevenmaal in de richting van het huis sprenkelen. 52Zo reinigt hij het huis van zonde, met het bloed van de vogel en het bronwater en met de levende vogel en het cederhout, de majoraan en het karmozijn.
47Als er schimmel verschijnt op wollen of linnen stof, 48of op ketting- of inslaggaren van linnen of wol, of op leer of op iets dat van leer gemaakt is, 49en die plekken op de stof, het leer of het garen of het leren voorwerp zijn groen- of roodachtig, zou het desbetreffende voorwerp aangetast kunnen zijn door een schimmel die onreinheid veroorzaakt en moet het aan de priester worden getoond. 50De priester moet ernaar kijken en het aangetaste voorwerp zeven dagen apart houden. 51Op de zevende dag onderzoekt hij het voorwerp opnieuw. Als hij vaststelt dat de plek op de stof, het garen of het leren voorwerp zich in die tijd heeft uitgebreid, is het een schadelijke schimmel. Het voorwerp is dan onrein. 52In dat geval moet hij de stof, het linnen of wollen garen of het aangetaste leren voorwerp verbranden. Aangezien het een schadelijke schimmel betreft, moet het voorwerp in het vuur worden verbrand. 53Maar als de priester ziet dat de plek op de stof, het garen of het leren voorwerp zich niet heeft uitgebreid, 54moet hij het aangetaste voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden. 55Daarna moet hij het voorwerp opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de aangetaste plek zich weliswaar niet heeft uitgebreid, maar evenmin van kleur veranderd is, is het voorwerp toch onrein. Het moet worden verbrand, want het materiaal is volledig bedorven. 56Maar als de priester ziet dat de plek na het wassen dof geworden is, moet hij de plek uit de stof, het leer of het garen scheuren. 57Als er daarna toch weer plekken te zien zijn op de stof, het garen of het leren voorwerp, gaat het om een voortwoekerend verschijnsel en moet het aangetaste voorwerp worden verbrand. 58Als de stof, het garen of het leren voorwerp na het wassen geen aangetaste plek meer vertoont, moet het nogmaals worden gewassen en dan is het rein.’
59Dit zijn de voorschriften die bepalen wanneer door schimmel aangetaste wollen of linnen stoffen, ketting- of inslaggarens en leren voorwerpen rein of onrein moeten worden verklaard.
21De priester Eleazar zei tegen de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: ‘Dit is een wet die de HEER heeft ingesteld en die Hij aan Mozes bekend heeft gemaakt: 22Alles van goud of zilver, van koper, ijzer, tin of lood, 23alles wat vuurbestendig is, moet door het vuur gehaald worden om weer rein te worden, en het moet bovendien met reinigingswater worden gereinigd. Alles wat niet tegen vuur bestand is, moet door het water gehaald worden. 24Was op de zevende dag uw kleren, dan bent u weer rein en mag u weer in het kamp komen.’
25De HEER zei tegen Mozes: 26‘Ga samen met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap na hoe groot de buit aan mensen en dieren is; 27geef de ene helft aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen en de andere helft aan de rest van de gemeenschap. 28Leg degenen die aan de strijd hebben deelgenomen een heffing op van één op de vijfhonderd mensen, runderen, ezels, schapen en geiten; die moeten zij aan de HEER afstaan. 29Houd dit op hun aandeel in en geef het aan de priester Eleazar, als een geschenk voor de HEER. 30Op het aandeel van de andere Israëlieten moet je één op de vijftig mensen, runderen, ezels, schapen, geiten en andere dieren inhouden. Geef ze aan de Levieten die zorg dragen voor de tabernakel van de HEER.’
31Mozes en de priester Eleazar deden wat de HEER Mozes had geboden. 32Afgezien van de buitgemaakte goederen die de troepen al hadden verbruikt, bedroeg de buit 675.000 schapen en geiten, 3372.000 runderen 34en 61.000 ezels,