Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Handelingen 8:26-40 – Preekinspiratie 

Waar gaat het om in dit gedeelte? 

De heilige Geest stuwt de geschiedenis naar haar voltooiing. Onder de leiding van de Geest wordt de eerste niet-Jood gedoopt. Hiermee gaat het evangelie een drempel over naar de volken. De dopeling, de Ethiopische eunuch, heeft een complexe identiteit, maar voor het volk van God doet alleen geloof in Jezus ertoe. 

Klik hier om dit gedeelte te lezen in de NBV21

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging 

  • De doop van de eunuch is vervulling van profetie. Er zijn twee grote thema’s in Lucas en Handelingen: Jezus’ messiaanse weg als vervulling van profetie (zie m.n. Luc. 24; Hand. 2:22-36) en de toetreding van de volken in de eindtijd (zie o.a. Luc. 2:30-32; Hand. 2:5, 17, 39; 15:16-18) als vervulling van onder meer Jesaja 56. De messias is gekomen, heeft de Schriften vervuld, en zendt nu de Geest naar allen die Hij roept. Daarbij wordt hier voor het eerst de grens van het Joodse volk overschreden. De Geest neemt hier de leiding en maakt duidelijk dat Jezus Heer is van alle mensen (Hand. 10:36). Wat betekent het dat de Geest hier de regie voert en hindernissen voor het evangelie overwint?
  • De profetie uit Jesaja 53 heeft een dubbele bodem. De eunuch zit te lezen en ziet een passage die hem aanspreekt: het gaat over een vernederd persoon van wie de toekomst wordt ontnomen. Maar hij weet niet goed wat het betekent. Dan komt Filippus, geleid door de Geest, en die laat hem de diepere laag zien. De eunuch ziet nu in: menselijke uitsluiting betekent niet dat God mensen uitsluit. Dus: ‘Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’ Kun jij je identificeren met Jezus? Wat is voor jou herkenbaar in Jezus’ verhaal en wat zegt het je dan dat God Jezus recht gedaan heeft?
  • Wie hoort bij Gods volk? De Ethiopische eunuch is in de ogen van die tijd vreemd, afwijkend, buitenlands, zelfs verdacht of misschien gevaarlijk. Alle lichten staan op rood. Toch is het juist deze man (en niet de ‘keurige’ Romein Cornelius) die door de Geest als eerste niet-Jood bij het volk van God gehaald wordt. Dat betekent dat God voorbijgaat aan onze grenzen en hokjes. Het enige wat telt is de naam van Jezus Christus. Wat vind je ervan dat God juist deze eunuch uitkiest? Wat zegt het over God dat Hij voor vernederden en randfiguren kiest? 

Context van Handelingen 8:26-40

Het boek Handelingen als geheel 

Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Handelingen vind je in deze Inleiding op Handelingen

Plek van deze passage in het geheel 

Het verhaal over de ontmoeting van Filippus en de Ethiopische eunuch in Handelingen 8:26-40 staat aan het begin van de eenheid Handelingen 8-11. Die gaat over de fase in de geschiedenis waarin voor het eerst mensen uit de volken toetreden tot de christelijke gemeenschap. 

In Handelingen 8:26-40, waar voor het eerst sprake is van een niet-Jood die in Jezus gelooft, komen twee belangrijke thema’s uit Lucas-Handelingen samen: Jezus’ dood en opstanding als vervulling van de Schriften en de toetreding van de volken. Dat eerste thema kwam ook sterk naar voren in Lucas 24, zoals in het verhaal van de leerlingen uit Emmaüs (Luc. 24:13-35). En wat in Lucas 24 werd aangekondigd, de verkondiging aan de volken, begint in Handelingen 8, na enkele hoofdstukken waarin de kerk van Jeruzalem centraal staat, concrete vorm aan te nemen. Het tweede thema, de toetreding van de volken, wordt veel uitgebreider aan de orde gesteld in Handelingen 10-11 bij de bekering van Cornelius. Zo blikt het verhaal over de eunuch terug naar Lucas 24 en vooruit naar Handelingen 10-11. 

Tussen de spontane bekering van de Ethiopiër (Hand. 8) en de ‘officiële’ toetreding tot het geloof van niet-Joden onder leiding van Petrus (Hand. 10-11) in staat het roepingsverhaal van Paulus. Hij is in Handelingen ‘het instrument (...) gekozen om [Gods] naam uit te dragen onder de volken en hun heersers’ (Hand. 9:15). Petrus en Paulus vormen het belangrijkste paar uit Handelingen: Petrus de voorloper en Paulus de verkondiger aan niet-Joden. Als Petrus het evangelie aan een niet-Jood en zijn huisgenoten verkondigt, staat Paulus in de coulissen al klaar. 

Opbouw en kern van de passage 

De passage is als volgt opgebouwd: 

8:26-40  

Filippus en de Ethiopiër 

 

8:26-27a 

Filippus naar de weg van Jeruzalem naar Gaza 

8:27b-29 

Introductie van de Ethiopische eunuch op zijn wagen, aanwijzing van de Geest 

8:30-31 

Dialoog tussen Filippus en de man 

8:32-33 

Citaat van Jesaja 

8:34-35 

Dialoog tussen Filippus en de man 

c’ 

8:36-39 

De eunuch stop de wagen en laat zich dopen, waarna de Geest Filippus wegneemt 

b’ 

8:40 

Filippus op reis van Azotus naar Caesarea 

a’ 

hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

Het citaat van Jesaja staat dus in het middelpunt. Deze manier van schrijven (ringcompositie) kwam vaak voor in de oudheid. 

Er zijn veel overeenkomsten met het verhaal van de leerlingen uit Emmaüs (Luc. 24:13-35): 

  • Ontmoeting van reizigers 
  • De vraag van Jezus/Filippus wordt beantwoord met een wedervraag 
  • Gesprek over de dood en opstanding van Jezus onder verwijzing naar een of meer profeten 
  • Uitnodiging of verzoek 
  • Maaltijd/doop 
  • Verdwijning van Jezus/Filippus 
  • Brandend hart / vreugde 

Deze overeenkomsten in opbouw vallen samen met inhoudelijke raakvlakken. Zie hierboven bij ‘Plek van deze passage in het geheel’. Daarnaast is er een structureel-inhoudelijke overeenkomst, die samenhangt met hoe Lucas schrijft. De verschijning aan de leerlingen uit Emmaüs is de opmaat voor de ‘officiële’ verschijning aan ‘de elf en de anderen’. Zo is de bekering van de Ethiopiër opmaat voor de ‘officiële’ eerste toetreding vanuit de volken door Cornelius onder leiding van Petrus (Hand. 10-11; 15:8). Lucas houdt ervan om mensen in paren op te laten treden, waarbij de een voorloper is van de ander (bijv. Johannes de Doper en Jezus). Zo is hier Filippus voorloper van Petrus.  

De eerste spontane bekering van een niet-Jood gaat over de Ethiopische eunuch, iemand met een ‘vreemde’, complexe identiteit. Zo wordt duidelijk dat het volk van God zijn identiteit niet meer in etniciteit of bepaalde lichamelijke kenmerken zoekt, maar in de naam van Jezus Christus. Dit alles is geworteld in wat de Profeten gezegd hebben.

Aantekeningen per vers

Bij vers 26  

Filippus en de Ethiopiër

26Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza.’

Handelingen 8:26NBV21Open in de Bijbel

  • Een engel van de Heer zei: Van het begin af aan is het duidelijk dat God zelf deze gebeurtenissen bestuurt. 
  • Filippus: Filippus was in Handelingen 6:5 geïntroduceerd als een van de zeven wijze mannen. Hij komt vervolgens in 8:5-13 voor als verkondiger in Samaria en daarna in het huidige verhaal. Na hoofdstuk 8 komt hij nog voor in 21:8, waar hij in Caesarea gastheer is van Paulus en de zijnen. Hij blijkt dan vier profeterende dochters te hebben. 
  • de verlaten weg: Sommige vertalingen hebben hier niet ‘de verlaten weg’ maar ‘de woestijnroute’ of iets dergelijks. Hoewel het Griekse woord erēmos ook ‘woestijn’ of ‘steppe’ kan betekenen, ligt hier de vertaling ‘verlaten weg’ meer voor de hand. Het verhaal speelt zich namelijk af op het middaguur, een tijdstip waarop weinig mensen reisden vanwege de warmte.  

Bij vers 27  

27Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Net op dat moment was daar een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist. Hij was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden

Handelingen 8:27NBV21Open in de Bijbel

  • Net op dat moment was daar een Ethiopiër: De NBV had ‘Daar kwam hij een Ethiopiër tegen’, maar dat levert spanning op met vers 29, waar staat dat Filippus naar de man moet gaan.  
  • een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist: In de recente uitleg is er veel aandacht voor de complexe identiteit van de Ethiopische eunuch. 1. Hij is ‘Ethiopiër’: destijds stonden de zuidelijke Afrikaanse regionen voor het einde van de aarde, waar alles anders was. 2. Hij is ‘eunuch’: (a) Destijds een verdacht type mensen, helemaal als je vrijwillig gecastreerd was. Want wie wil er nu geen echte man zijn? (b) Eunuchen waren uitgesloten van tempelrituelen. Het geschrift Wijsheid van Salomo 3:14 speelt dit retorisch uit: de rechtvaardige eunuch krijgt, in contrast met overspelige onrechtvaardigen, juist een ereplaats in de tempel. Een eunuch heeft in de visie van dit geschrift geen (of minder) last van de begeerten in het vergankelijke lichaam. Het boek Wijsheid laat dus zien dat de omkering van de status van de eunuch ook al in Joodse bronnen voorkomt. (c) Wij zouden zeggen: een eunuch is iemand met een beperking/handicap. 3. Hij is ‘een hoge ambtenaar van de kandake’: enerzijds iemand met een hoge status, anderzijds in dienst van een vreemde mogendheid en dus mogelijk gevaarlijk. 4. Hij is in dienst van ‘de koningin van Ethiopië’: destijds gold dat hoe vreemder een volk was, hoe vaker een vrouwelijke leider een mannenrol aannam. 5. Tegenwoordig is er veel aandacht voor het feit dat deze eerste niet-Joodse bekeerling een Afrikaan is. Lees over de identiteit van de eunuch meer in de volgende blog: Peter-Ben Smit, ‘Bijbellezen in context: van eunuch tot kamerheer’.  
  • Hij was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden: Als eunuch en vooral als niet-Jood bleef hij daarbij een buitenstaander. 

Bij vers 29 

29De Geest zei tegen Filippus: ‘Ga naar die man daar in de wagen.’

Handelingen 8:29NBV21Open in de Bijbel

  • Ga naar die man daar in de wagen: Het Griekse werkwoord kan ‘voegen bij’ betekenen, of ‘zich nauw aansluiten bij’. Er zijn dus twee mogelijkheden om de tekst letterlijk te vertalen: ‘ga en voeg je bij de wagen’ of ‘ga dicht bij de wagen lopen’. De laatste interpretatie (waarvoor in de GNB gekozen is) impliceert dat Filippus dicht bij de wagen moet lopen om te horen wat de eunuch aan het lezen is. Maar dat vult misschien te veel in. In de NBV21 is gekozen voor de eerste, algemenere interpretatie: ‘ga en voeg je bij de wagen’. In dat geval is ‘wagen’ een aanduiding voor zowel het voertuig als de inzittende; in de NBV21 hebben de vertalers dat expliciet gemaakt: ‘Ga naar die man daar in de wagen.’ 

Bij vers 30-34 

30Filippus haastte zich naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, waarop hij vroeg: ‘Begrijpt u ook wat u leest?’ 31De Ethiopiër antwoordde: ‘Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft?’ Hij nodigde Filippus uit om in te stappen en bij hem te komen zitten. 32Dit was het schriftgedeelte dat hij las:

‘Als een schaap werd Hij naar de slacht geleid;

als een lam dat stil is bij zijn scheerder

deed Hij zijn mond niet open.

33Hij werd vernederd en Hem werd geen recht gedaan,

wie zal van zijn nakomelingen verhalen?

Want op aarde leeft Hij niet meer.’

34De eunuch vroeg aan Filippus: ‘Kunt u me zeggen over wie de profeet het heeft? Over zichzelf of over een ander?’

Handelingen 8:30-34NBV21Open in de Bijbel

  • Begrijpt u ook wat u leest? (…) Kunt u me zeggen over wie de profeet het heeft: De vraag naar de uitleg wordt expliciet gesteld. Maar in het vervolg wordt de uitleg niet gegeven. Er staat alleen dat Filippus aan de hand van de geciteerde tekst uit Jesaja het evangelie verkondigde. Ook al ‘verklapt’ de eerbiedshoofdletter bij ‘Hij’ dat de tekst in elk geval ook over Jezus gaat, dat staat niet expliciet vermeld. Die openheid van de tekst is van belang, omdat de geciteerde woorden ook passen bij het leven van de eunuch zelf. Om hierover verder te reflecteren, zie de blog van Peter-Ben Smit, ‘Gods Zoon – en mannelijkheid’. 
  • Hij werd vernederd (…) zijn nakomelingen (…) op aarde leeft Hij niet meer: De laatste zinnen van het citaat zijn ambigu. Daarom is het aannemelijk dat meerduidigheid een rol speelt. De eerste lezing is negatief: iemand wordt vernederd, heeft geen nakomelingen en zijn bestaan wordt uitgewist. Dit is zeer herkenbaar voor de eunuch. Het verbaast niet dat hij juist met dit gedeelte bezig is. Maar in tweede instantie kun je de laatste zinnen ook opvatten als een verwijzing naar de opstanding van Jezus. ‘Hem werd geen recht gedaan’ kun je eventueel ook vertalen als ‘het vonnis tegen Hem werd opgeheven’, Jezus heeft geestelijke nakomelingen gekregen, en Hij leeft niet meer op aarde, maar wel in de hemel. Het is aannemelijk dat dit citaat uit Jesaja gelezen kan worden in overeenstemming met Lucas’ christologie (zie Hand. 2:23-24, 33, 36; 4:10; 5:30; 10:39-40; 13:28-30). De betekenis ervan kan als volgt beschreven worden: mensen hebben Jezus gedood, maar dat is geen teken van mislukking, want God heeft Hem in het gelijk gesteld door Hem als hemelse Heer en messias aan te stellen. Jezus is nu de weg tot behoud en redding. Dit is de vervulling van de profeten. De kruisiging hoorde ten diepste bij Gods reddingsplan voor de wereld, want zo kon Jezus Christus zijn eeuwige koningschap in de hemel beginnen. Als Lucas schrijft dat Filippus over het evangelie van Jezus begon te spreken, ligt het voor de hand dat hij dit volgens dit patroon deed. 
  • wie zal van zijn nakomelingen verhalen: Het citaat uit Jesaja 53:7-8 volgt niet de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament, maar de oude Griekse vertaling. In het Hebreeuws staat in Jesaja 53:8: ‘Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. / Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?’ In de Septuaginta is echter niet ‘wie van zijn tijdgenoten’ het onderwerp van de zin, maar alleen ‘wie’. Het woord genea, dat onder andere ‘generatie’ (d.w.z. tijdgenoten) en ‘herkomst’ betekent, is in de Griekse versie lijdend voorwerp in de zin: ‘Wie zal vertellen over zijn genea?’ Als zo’n citaat in het Nieuwe Testament voorkomt, moet het altijd vertaald worden binnen zijn nieuwe context. Maar in dit geval is het lastig vast te stellen wat in de context precies bedoeld is met genea. Het is duidelijk dat het citaat toegepast wordt op Jezus (zie Hand. 8:35). Er kan bedoeld zijn dat Jezus geen nageslacht had vanwege zijn onterechte dood (dat wil in dit verband ook zeggen: geen mensen die over Hem vertellen). Er kan ook bedoeld zijn dat Hij niemand heeft om over zijn herkomst te vertellen. De vertalers hebben voor de eerste optie gekozen. 
  • Want op aarde leeft Hij niet meer: Wie dit versdeel uit het citaat van Jesaja 53:7-8 vergelijkt met andere vertalingen, zal zien dat er verschillende accenten gelegd worden. Ook voor dit versdeel geldt dat het in het verhaal wordt geïnterpreteerd als een toespeling op Jezus. Maar op welk aspect is het een toespeling? Op het feit dat Hij gestorven is (dat zou mooi aansluiten op de eerdere versdelen in Hand. 8:32) of op zijn opstanding (de nadruk ligt dan op ‘Hij leeft niet meer op aarde’). De vertalers hebben de onduidelijkheid die in de Griekse tekst zelf aanwezig is willen laten staan en een vertaling gekozen die beide interpretaties toelaat.

Bij vers 36 

36Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was, en de eunuch zei: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’

Handelingen 8:36NBV21Open in de Bijbel

  • een plaats waar water was: Letterlijk vertaald staat hier ‘een zeker water’, dat wil zeggen: er was water, maar op welke manier, dat wordt niet vermeld. De HSVNBG 1951 en GNB geven de frase weer met ‘een water’. In het Nederlands klinkt dat echter niet natuurlijk; wij spreken liever over ‘een plaats met water’ of ‘een waterstroompje’ of ‘een rivier’ of iets dergelijks. Daarom is in de NBV21 gekozen voor ‘een plaats waar water was’. 
  • Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden: Als God de vernederde en uitgestoten Jezus heeft verhoogd, dan mag hij, als iemand die er niet bij hoort (zie de aantekening bij ‘een Ethiopiër’), toch bij Jezus horen? De doop in de naam van Jezus wordt hier bepalend voor de vraag of iemand erbij hoort. De identiteit van Gods volk ligt vanaf nu in de naam van Jezus Christus en niet in lichamelijke of etnische kenmerken. Lucas heeft hierbij waarschijnlijk gedacht aan Jesaja 56, met name 56:3-5 (vgl. Ps. 68:32). Daar staat dat zelfs een eunuch erbij zal gaan horen. 

Bij vers 37

  • In moderne Bijbelvertalingen volgt na vers 36 geen vers 37, maar direct vers 38. Dit verschil heeft te maken met de brontekst die vertaald is. Toen vertalingen als de Statenvertaling gemaakt werden, waren er veel minder handschriften van het Nieuwe Testament beschikbaar dan tegenwoordig. In (de marge van) sommige van die handschriften stond wel de tekst van vers 37. Het was een beslissing van Erasmus om deze tekst in de tekst van Handelingen op te nemen. Later hebben wetenschappers ontdekt dat de tekst van het Nieuwe Testament in de loop van de eeuwen een klein beetje veranderd is, bijvoorbeeld door toevoeging van bepaalde woorden, zinnen en soms zelfs passages. In de nieuwste edities zijn die toegevoegde onderdelen tussen haken gezet of weggelaten. Als in de NBV21 dergelijke latere toevoegingen in een noot staan, zijn deze te herkennen aan de formulering ‘in latere handschriften staat’. Lees meer over het tekstkritische probleem. 

Bij vers 38  

38Hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte.

Handelingen 8:38NBV21Open in de Bijbel

  • waarna Filippus hem doopte: Filippus houdt dit niet tegen, want het is de Geest die de gebeurtenissen stuurt. Om die reden verandert de toevoeging van vers 37 het verhaal. Matthijs de Jong schrijft hierover: 

Als je dit verhaal goed leest, dan zie je: de hemel voert hier de regie, dit is geen toevallige ontmoeting. (…) Filippus heeft hier niet als taak om vragen te stellen. (…) Er is met de beste bedoelingen een vers toegevoegd dat eigenlijk niet past in dit verhaal. Het doorbreekt de doelgerichtheid en de sturing van de Geest die dit verhaal kenmerken. Het probleem is dus niet dat de toevoeging niet ‘Schriftuurlijk’, niet Bijbels, zou zijn – dat is ze wél. Het probleem is dat ze de boodschap van dit specifieke verhaal, het eigen geluid van Handelingen 8 over de sturing van de Geest, in de wielen rijdt.

Achtergrondinformatie 

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Verdieping bij thema’s 

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Ter inspiratie

Handelingen 8:26-40 zit vol met mogelijke thema’s om uit te lichten. De volgende verdiepende onderwerpen kunnen een springplank vormen voor het uitwerken van een preek.   

1. Met de Weg op weg  

De eerste christenen werden ‘mensen van de Weg’ genoemd (Hand. 9:2). Hier lezen we hoe Filippus op de levensweg komt van de Ethiopiër door gehoorzaam te zijn aan de stem van Jezus, de Weg. Het is al bijzonder om te lezen hoe de Heer tot Filippus spreekt door een engel, maar Filippus geeft er vervolgens ook gehoor aan, hij gaat.

Het is de opdracht van Jezus zelf aan zijn leerlingen om te ‘gaan’. Hij sluit het Matteüs-evangelie af met die bekende woorden: ‘Ga dus op weg …’ In onze passage zien we de uitwerking van gehoorzaamheid aan die oproep. Op weg met de Weg brengt je bij mensen die Hij op het oog heeft.   

Een mogelijke vraag die de gemeente kan meenemen om op te reflecteren is de volgende: met wie mag jij ‘op weg’ zijn om ‘de Weg’ te verkondigen? Niet om mensen aan jezelf te verbinden maar aan Christus. Daarom is het ook zo mooi dat het einde van dit Bijbelgedeelte toont hoe de Geest Filippus weer meenam.   

2. Jij hoort erbij  

Als er nu iemand is die er niet bij hoort dan is het deze Ethiopiër. Hij is geen Jood, een eunuch en daardoor iemand die fysieke uitsluiting kent. En toch ziet God hem, zoekt God hem en sluit God hem in. Deze man weet wat het is en hoe het voelt om ergens niet bij te horen. Ook in Jeruzalem zal hij ‘op afstand’ God hebben aanbeden. Waar mensen grenzen trekken, daar opent God een weg, een weg naar de Weg. Hij hoort er helemaal bij.   

Mogelijke reflectievraag aan de gemeente: durf jij te geloven dat Gods genade ook voor jou is? 

3. Bekleed met Christus  

In Galaten 3:27 zegt Paulus: ‘U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.’ De doop is een uiterlijke expressie van een innerlijke verandering. Die verandering is geen werk van jezelf maar pure genade omdat je Jezus hebt leren kennen voor wie Hij is. Dat heeft de Ethiopiër ook ervaren. Zijn ogen zijn opengegaan door geholpen te worden om begrijpend te lezen met Filippus. Zijn hart werd geraakt, zijn leven in beweging gezet, ook richting de doop.   

God geeft met de doop dus geen opgepoetste versie van jezelf, maar Hij geeft zichzelf. Hierdoor kijkt God naar jou zoals Hij naar Jezus keek toen Hij zich liet dopen: ‘Dit is mijn geliefde zoon/dochter, in hem/haar vind ik mijn vreugde.’ 

Patrick van der Laan, predikant van De Meerkerk in Hoofddorp

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons