29Heb met heel je hart ontzag voor de Heer,
heb respect voor zijn priesters.
30Heb je maker lief met al je kracht,
laat zijn dienaren niet in de steek.
31Heb ontzag voor de Heer en eer de priester,
geef hem zijn deel, zoals je is opgedragen:
de vruchten van de nieuwe oogst, het hersteloffer, de schouderstukken,
het heiligingsoffer en de heilige gaven.
32Strek je hand uit naar de arme,
dan zal je zegen volmaakt zijn.
33Wees vrijgevig voor ieder die leeft,
ontzeg ook een dode je gaven niet.
34Ga wie verdriet heeft niet uit de weg,
klaag met hen die klagen.
35Aarzel niet een zieke te bezoeken,
dan maak je je geliefd.
36Denk bij alles wat je zegt aan het einde,
dan zul je je leven lang niet zondigen.