Context en aantekeningen bij Job 3:20-26
Hier vind je informatie over de context van Job 3:20-26 en aantekeningen bij de tekst.
Het boek Job als geheel
Voor een verdiepende beschouwing bij deze serie, zie dit artikel van Matthijs de Jong: Van rouw naar troost - Een andere kijk op het lijden.
Plek van deze passage in het geheel
In de aanloop naar onze passage spreekt Job de zwartste woorden die een mens kan spreken: hij vervloekt zijn geboortedag (3:3-10), hij verwenst zijn geboorte voor een miskraam (3:11-16) en hij richt zijn verlangen op het dodenrijk (3:17-19). Uit alles blijkt dat Job het leven afwijst en de dood verkiest. Job 3:20-26 vormt het slotgedeelte van Jobs grote klacht in Job 3, die bestaat uit een vervloeking (vers 3-10) en een klaagzang (vers 11-26).
Vers 20-26 richt zich op de vraag waarom God het leven geeft aan hen die lijden. Het gaat over het verlangen naar de dood als een ontsnapping aan ellende (wat goed aansluit bij Jobs beschrijving van het dodenrijk als een plek van rust en vrijheid, vers 11-19). De passage eindigt met Job die zijn persoonlijke angst uitspreekt en zijn leven beschrijft als vol zuchten, in de greep van onrust, en zonder vrede.
Deze passage dient als een afsluiting van de klacht en vormt de basis voor Jobs verzuchting. Door de hele klacht heen klinkt Jobs diepe angst voor een uitzichtloos lijden en spreekt zijn verlangen naar de dood. Dat staat in schril contrast met Jobs eerbiedige aanvaarding van Gods wegen in de proloog. Jobs klacht past bij diepe rouw. Het is een hardgrondig ‘nee’ tegen het leven vol lijden. Zijn vrienden nemen aanstoot aan zijn woorden. Op die manier vormt Jobs klacht de opstap voor de dialogen die volgen.
Opbouw en kern van de passage
Job 3:3-26 is opgebouwd uit drie strofen waarin verschillende thema’s naar voren komen:
Strofe I | 3-10 |
Thema: vervloeking van Jobs dag/nacht | 3 |
Dag | 4-5, 8-9 |
Nacht | 6-7 |
Reden van vervloeking: die dag bracht onheil | 10 |
Strofe II | 11-19 |
Thema ('waarom?') | 11-12 |
1. Portret van het dodenrijk | 13-15 |
Vervolg thema ('was ik maar …') | 16 |
2. Portret van het dodenrijk | 17-19 |
Strofe III | 20-26 |
Thema ('waarom?') | 20 |
1. Zij die het dodenrijk zoeken | 21-22 |
Vervolg thema ('waarom?') | 23 |
2. Ik, Job, zonder toegang tot het dodenrijk | 24-26 |
De kern van dit gedeelte is te vinden in de twee waaromvragen in vers 20 en 23: waarom geeft God het leven aan ongelukkigen, aan een mens wiens weg versperd is? Het antwoord op deze vraag heeft Job niet: het enige wat hij ziet is mensen die jubelen als ze eindelijk hun graf gevonden hebben, terwijl hijzelf in leven moet blijven met zuchten en klachten als zijn water en brood.
Uitgelicht
Job klaagt dat God hem de weg verspert (3:23), dat is de weg naar de dood. Dezelfde Hebreeuwse uitdrukking werd in 1:10 wordt gebruikt voor Gods bescherming van Job. Ooit stond Gods beschermende omheining rondom Job en zijn familie en zijn bezit, tot de satan van God de vrije hand kreeg om Job te gronde te richten. Alleen Jobs leven bleef onder Gods bescherming staan. Hier roept Job uit hoe hij die bescherming ervaart: als een gevangenis, een blokkade op weg naar verlossing.
Aantekeningen
Bij vers 20
- geeft God: ‘God’ wordt hier niet expliciet genoemd in het Hebreeuws (er staat alleen ‘waarom geeft hij …’). Uit de context blijkt dat het over God gaat (in vers 23b wordt God expliciet genoemd). Het is niet dat Job hier extra voorzichtig spreekt om God niet te beschuldigen, maar vooral omdat zo de nadruk valt op het menselijk lijden, en dus ook op het lijden van Job.
- licht: Het licht als aanduiding van het leven staat tegenover het dodenrijk, waar het donker is.
- ongelukkigen: Het Hebreeuwse ʿāmēl duidt op een arbeider (Recht. 5:26; Spr. 16:26), maar wordt hier uitvergroot. De connotatie is hier een van vermoeidheid, uitgeput zijn door het leven.
Bij vers 21
- wachten op: Het Hebreeuwse ḥkh is een reikhalzend uitzien, zoals men ijverig zoekt naar schatten. Zelfmoord wordt niet genoemd door Job als optie. Ook de dood is een gave van God (vgl. Job 2:10).
- zoeken: Letterlijk ‘graven’. Omdat de verbitterden en bedrukten niet langer dóór kunnen, verlangen ze naar de dood (vgl. Op. 9:6). Het Hebreeuwse ḥpr, ‘graven’, past goed bij het beeld van schatten, die vaak in de grond zitten. Het beeld van doodsverlangen en schatgraven wordt nog sprekender als men bedenkt dat in Jobs tijd de meeste verborgen schatten in graftombes lagen, waardoor grafrovers vrij letterlijk op zoek waren naar de dood.
Bij vers 22-23
- Terwijl Job in het meervoud sprak in de verzen 20-22, buigt hij zijn klacht in vers 23 richting zichzelf door in enkelvoud te spreken. De vreugde als ongelukkige mensen hun graf gevonden hebben krijgt in het gedeelte in het enkelvoud een tegenhanger in de wanhoop van de man van wie de weg naar het dodenrijk versperd is.
- verspert: Waar de satan in Job 1:10 sprak over Gods bescherming (śaktā) voor Job, ziet Job deze bescherming nu als versperring (wayyāsek), wat in het Hebreeuws van dezelfde stam swk komt (maar verschillend gespeld wordt). Zie hierboven bij ‘uitgelicht’.
Bij vers 24
- Vergelijk Psalm 42:4; 80:6; 102:10. Het beeld dat hier opgeroepen wordt is dat Jobs zuchten en klachten fungeren als zijn levensonderhoud. Dit onderstreept Jobs beeld van uitzichtloos lijden, een leven dat slechter af is dan de dood.
- mijn klachten stromen in een vloed van tranen: Letterlijk ‘mijn klachten storten zich uit als water’, zoals regen neerstort (Ex. 9:33) of melk uitgegoten wordt (Job 10:10). In de parallelle zin (vers 24a) staat dat Job verdriet eet als voedsel (letterlijk 'brood'). Op basis daarvan zou je verwachten dat Jobs klacht een waterstroom is die hij drinkt (vgl. WV2012: 'klagen [is] het water dat ik te drinken krijg'). Maar het lijkt hier juist uit zijn mond te komen. Vandaar de vertaling van de NBV21, waarbij Jobs klachten uitgestort worden in een vloed van tranen.
Bij vers 25
- Wat ik vreesde (…) wat mij angst aanjoeg: In Jobs klacht lijkt het vreemd dat hij vreesde voor het leven. Uit Job 1:5 blijkt echter dat Job offers brengt voor het geval zijn kinderen God vervloekt hadden. Zonder in directe angst te leven was Job zich wel bewust van mogelijke calamiteiten voor zelfs de meest voorbeeldige persoon. Met het verlies van zijn familie en bezit en zijn gezondheid is die angst werkelijkheid geworden.
Bij vers 26
- onrust: In het Hebreeuws is ‘onrust’ het laatste woord, wat onderstreept en samenvat waar Job het meest onder gebukt gaat en waarom hij het dodenrijk zo’n aantrekkelijk plek vindt (vgl. Job 3:17; 14:1).
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s (bij dit hoofdstuk en de hele serie)
- Van rouw naar troost - Een andere kijk op het lijden | Matthijs de Jong
- Beelden van Job in kunst en theologie. Onschuldig leed vraagt om protest
| Matthijs de Jong en Klaas Spronk - Theologie van de verbijstering
| Katja Tolstoj - Leven zonder oplossing
| Ad van Nieuwpoort - Niets uitgelegd, alles uitgesproken
| Paul Visser - Job en zijn redder
| Benjamin Bogerd (over Job 19) - Poëzie in het boek Job. De Nieuwe Bijbelvertaling van Job | M. de Winter en K. Verdegaal (PDF
) - Loeit een os bij zijn voederbak? De weergave van retorische vragen in Job in de Bijbel in Gewone Taal | Jaap van Dorp (PDF
)
Ga op deze pagina direct naar:
- het boek Job als geheel
- de plek van deze passage in dit geheel
- opbouw en kern van deze passage
- aantekeningen bij de verzen
- achtergrondinformatie bij kernwoorden en begrippen
