11Waarom ben ik niet in haar schoot gestorven,
niet gestikt toen ik ter wereld kwam!
12Hadden knieën mij maar niet ontvangen
en borsten mij maar niet gezoogd!
13Dan zou ik nu geborgen in de aarde liggen,
dan zou ik geen zorgen hebben, ik zou slapen,
14omringd door koningen en raadsheren,
bouwers van paleizen, al vergaan tot puin,
15tussen machtigen die goud bezaten
en die hun huis met zilver vulden.
16Was ik maar als een misgeboorte weggestopt,
als een kind dat het licht nooit heeft gezien.
17In het dodenrijk worden de goddelozen stil,
zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust.
18Gevangenen worden niet meer opgejaagd,
de stem van de drijver horen ze niet meer.
19Daar zijn hoog en laag verzameld
en is de slaaf vrij van zijn meester.
20Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen,
het leven aan verbitterden?
21Zij wachten op de dood die uitblijft,
ze zoeken naar hem, meer dan naar schatten;
22hun vreugde kent geen grenzen,
ze jubelen als ze hun graf gevonden hebben.
23Waarom geeft God het licht aan hem
voor wie de weg verborgen blijft,
wie Hij de weg verspert?
24Ik heb geen ander voedsel dan verdriet,
mijn klachten stromen in een vloed van tranen.
25Wat ik vreesde, komt nu over me,
wat mij angst aanjoeg, heeft me getroffen.
26Ik vind geen vrede, vind geen kalmte,
mijn rust is weg – onrust bevangt mij.’