Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Job en zijn redder

Een van de bekendste teksten uit Job is Job 19:25: ‘Ik weet: mijn redder leeft, en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.’ Traditioneel zag men hierin een verwijzing naar de opstanding. Ook Händel voert dit vers op als uitspraak over de opstanding in een van de aria’s in zijn Messiah. Zo gelezen of gezongen klinken deze woorden triomfantelijk. Ze lijken een groot contrast te vormen met de rest van het boek Job. Daarin schreeuwt Job zijn ellende uit tegen God en tegen zijn vrienden. Misschien is dit vers wel een verademing, omdat er hoop uit spreekt temidden van alle ellende waarin Job zit. Maar waar komen deze hoopvolle woorden vandaan en hoe passen ze in het geheel van het boek Job? In deze blog zal ik daar verder op ingaan.

webinarserie Job en het lijden

Deze blog hoort bij de NBG-webinarserie ‘Job en het lijden’ van 24 april tot en met 22 mei. In de serie gaat het over de thematiek van het boek Job, enkele cruciale passages, en de figuur Job in de joodse en christelijke traditie. Daarnaast gaat het over het lijden als Bijbels thema en trekken we de lijn door naar lijden als actueel thema van vandaag.

Job 19 in context

Voordat we deze woorden tegenkomen in Job 19 is er al veel gebeurd. In het prozagedeelte waarmee het boek opent (Job 1-2) is zijn situatie uitgelegd. In een reeks dialogen proberen de vrienden van Job een verklaring te vinden voor zijn lijden. Stuk voor stuk wijst Job deze verklaringen af. De antwoorden van de vrienden blijken niet toereikend om zijn situatie te beschrijven. De emoties lopen hoog op. De vrienden van Job verwijten hem dat hij moet ophouden om zichzelf voor onschuldig te houden, want zelfs de engelen zijn niet feilloos (Job 4:18; 15:15). Job verwijt de vrienden juist dat ze zich tegen hem gekeerd hebben.

In Job 19 geeft Job een antwoord op de tweede rede van Bildad, waarin Bildad fel tegen Job tekeer is gegaan. Bildad beschrijft hoe slecht het afloopt met de onrechtvaardige. Impliciet beschuldigt Bildad Job ervan dat hij zo’n onrechtvaardige is. In zijn reactie beklaagt Job zich over het sociale isolement waarin hij terecht is gekomen. Zijn vrienden maken hem te schande, zijn familie heeft hem verlaten, zelfs zijn vrouw walgt van zijn adem. Daarbovenop komt dat God geen antwoord geeft. In dit gedeelte van zijn betoog richt Job zich tot alle omstanders, maar ook tot God.

Vanaf vers 21 richt Job zich specifiek tot zijn vrienden. Zij vervolgen hem net als God dat doet. Het is in deze context dat Job zijn woorden uitspreekt en het heeft over zijn redder die leeft. Nu zijn vrienden niet uitspreken dat hij rechtvaardig is, moet iemand anders dat doen en dat is de redder. Maar wie wordt daarmee bedoeld?

Mijn redder leeft!

In de Hebreeuwse tekst wordt de frase gōʾălî ḥāy gebruikt, ‘mijn redder leeft’. De eerste term gōʾēl wordt veelvuldig gebruikt in het Hebreeuws. We vinden deze term een aantal keer in het boek Ruth, waar het de betekenis van losser heeft (Ruth 2:20; 3:9,12; 4:1, 2, 6, 8, 14). Verder wordt het woord regelmatig in andere juridische contexten gebruikt, waar de gōʾēl iemand aanduidt, altijd een familielid, die ervoor zorgt dat de eer van iemand niet wordt geschaad. Dat kan betrekking hebben op een situatie van bloedwraak (Numeri 35:19, 21, 24, 25, 27), maar ook op het terugkopen van land (Leviticus 25:25, 26). De gōʾēl heeft de plicht om zijn familielid te wreken, land van de familie te lossen of familie te redden uit slavernij. Niet alleen mensen, maar ook God treedt soms op als een gōʾēl. Dan is God het die zijn volk bevrijdt en als redder optreedt (zie bijvoorbeeld Jesaja 43:1), maar ook op individueel niveau mensen redt (zie bijvoorbeeld Psalm 103:4).

Er is veel discussie wie de gōʾēl in Job 19:25 precies is. Vaak wordt de gōʾēl geïdentificeerd als God. Deze interpretatie heeft een lange traditie en is zichtbaar in veel vertalingen. Ook de NBV21 sluit zich daarbij en daarom krijgt ‘Hij’, dat naar de gōʾēl verwijst, een hoofdletter. Een van de argumenten voor deze identificatie is dat in vers 26 God ook wordt genoemd. De verzen 25-27 horen bij elkaar, en vanwege deze context is het aannemelijk om God te zien als de redder voor Job.

De interpretatie dat God de redder is, past bovendien ook goed bij de omslag die te zien is in hoofdstuk 19. Job focust niet langer op de vraag waarom hij lijdt. Er is iets dat hij nog belangrijker vindt dan dat: de angst dat er straks niemand meer is die de samenleving kan laten zien dat hij onschuldig is. Wie staat er voor zijn onschuld in, wie komt er op voor zijn reputatie als een rechtvaardig mens? Job doet een appèl op zijn vrienden, maar die laten hem vallen. Daarom blijft er maar een over die daadwerkelijk voor hem kan instaan en dat is God. Dit vers past dus bij het principe dat Job steeds voor ogen heeft: hij is rechtvaardig, lijdt onschuldig en dat mag niet vergeten worden.

Het belangrijkste argument tegen de interpretatie dat God de redder is, is het dispuut tussen God en Job. Hoe kan het dat Job God als redder ziet, terwijl hij eerder protesteert tegen Gods handelen? Dit is op zichzelf een valide argument. Job 19:25 is echter niet de enige tekst waarin Job zich tot God wendt. Ook in Job 16:20-21 roept hij God aan om tussen hem en God te oordelen. Deze dubbele rol van God – God als rechter en God als aangeklaagde – is wellicht verwarrend voor moderne oren, maar dit is de enige uitweg voor Job om onschuldig te worden verklaard. Deze twee rollen van God hoeven elkaar niet uit te sluiten, al botsen ze wel.

Aan de ene kant ziet Job het onheil dat hem treft als iets dat van God komt. Hij beschouwt het als een zeer oneerlijke behandeling van Gods kant. Maar haast ellendiger nog dan het lijden zélf is het standpunt van zijn omgeving: wie zo door God behandeld wordt kan niet rechtvaardig zijn, die is schuldig en zwaar ook. God heeft Job tot een schrikbeeld voor de mensen gemaakt (Job 17:6). Job beseft dat zijn vrienden niet voor zijn reputatie zullen instaan (Job 16:20) en daarom vraagt hij God om zijn borg te zijn (Job 17: 3). Naast dat God hem een schrikbeeld heeft gemaakt voor de mensen, is Hij ook de enige die zijn naam kan zuiveren. En ook al heeft God zich tegen hem gekeerd, God kán niet anders dan de waarheid bevestigen, en dat is dat Job rechtvaardig is. We moeten de uitspraak dus minder massief lezen dan het in eerste instantie lijkt. Job gaat heen en weer tussen hoop op God en wanhoop dat God niet antwoordt en niet ingrijpt.

Het is opvallend dat er expliciet staat dat zijn redder leeft (ḥāy). Dit vormt een contrast met Job zelf, want Job gaat ervanuit dat hij spoedig zal sterven. Als hij is gestorven, dan zal er nog steeds iemand zijn die ervoor zorgt dat hij niet wordt veroordeeld als onrechtvaardige, maar dat zijn eer wordt verdedigd.

Job spreekt dus de hoop uit dat God als een redder voor hem wil optreden. Omdat God als een familieverwant wordt beschreven, komt er de verplichting voor God om te verklaren dat Job rechtvaardig is. Wat dat redden inhoudt wordt misschien in het volgende vers beschreven. Job 19:26 luidt: ‘Hoezeer mijn huid ook is geschonden, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.’ Dan zou het feit dat hij God zal aanschouwen, terwijl hij nog leeft, een teken zijn dat hij onschuldig is. Het Hebreeuws in vers 26 is ambigu en ingewikkeld. Een van de problemen is of mibbǝśārî moet worden opgevat als ‘uit mijn lichaam’ of ‘in mijn lichaam’. De eerste vertaling leidt tot de interpretatie dat Job God na zijn dood zal ontmoeten en dus dat Job redding in het eschaton verwacht. De tweede vertaling lijkt juist een herstel van Jobs lichaam, dus genezing van ziekte, aan te duiden.  De vraag is dus: wanneer grijpt de redder in?

Wanneer grijpt de redder in?

Het tweede gedeelte van Job 19:25 werd in de christelijke traditie vaak gezien als een van de bewijsteksten van de opstanding. Dit heeft gedeeltelijk te maken met het eerste woord: ʾaḥărôn. Dit woord wordt dan als verwijzend naar ‘de laatste dag’ opgevat. De vertaling die de Vulgaat heeft, maakt deze traditie duidelijk en draagt daaraan bij. In plaats van het Hebreeuws dat een werkwoord in de derde persoon heeft (yāqûm), is er in deze vertaling een 1e persoon te vinden. De Vulgaat luidt:

De kerkvaders volgden eenzelfde interpretatie dat deze tekst slaat op de opstanding op de laatste dag. In de kanttekeningen van de Statenvertaling vinden we die interpretatie ook. Deze interpretatie draagt bij aan een christologische lezing van het Oude Testament. Hoewel we niet de term yāšaʿ (‘redden’) vinden, is vanuit dit eschatologisch perspectief een verbinding met Christus als gōʾēl snel gelegd. Door de tekstgeschiedenis van Job heen is de redder daarom ook vaak geïdentificeerd met Christus. Deze tekst uit Job kan dan worden verbonden met teksten over de opstanding, bijvoorbeeld zoals in Händels Messiah, met 1 Korintiërs 15:20-22.

De visie dat Job 19:25 getuigt van de hoop van Job op de opstanding lijkt echter secundair te zijn. Job wil daadwerkelijk op aarde als rechtvaardig worden gezien. Gaandeweg wordt zijn probleem vooral dat zijn omgeving hem als onrechtvaardig ziet. Door herstel van zijn situatie, bijvoorbeeld lichamelijk herstel, kan God duidelijk maken dat Job inderdaad rechtvaardig is. Daarom hoopt Job dat God op aarde (ʿal-ʿāpār) ingrijpt. Het herstel van Jobs reputatie en redding uit zijn lijden gaan dus hand in hand.

Bovendien lijkt een opstandingsgeloof nog niet voor te komen in het boek Job. Job richt zich in het hele boek niet op een hiernamaals, maar focust op het aardse niveau: daar moet de redding plaatsvinden. In dat licht is ʾaḥărôn te zien als ‘als laatste’ of ‘uiteindelijk’. Dit geeft aan dat de redder de laatste is die in actie komt en daarin het laatste woord heeft. De NBV21 vertaalt daarom: ‘en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen’. Job wil dat zijn vrienden en zijn naaste omgeving zien dat hij onschuldig lijdt. Als God zijn lijden opheft en als redder ingrijpt, zouden zijn vrienden dat meteen begrijpen. Daarom richt Job zich tot God. Dit begint met Jobs hoop op het herstel van zijn lichaam, zoals beschreven in vers 26. De NBV21 kiest dan ook voor de vertaling ‘in dit lichaam’ voor mibbǝśārî.

Conclusie

Als we Job 19:25 in zijn verband lezen, blijkt dat Job een ontwikkeling doormaakt. Terwijl het probleem van zijn onschuldig lijden niet is opgelost, komt er nu een probleem bij: zijn vrienden laten hem vallen en beschuldigen hem van onrechtvaardigheid. De enige oplossing die Job nog ziet is dat hij van hogerhand wordt gered en dat er zo een ommekeer komt in zijn situatie. Job kan nog steeds in protest gaan tegen God, maar tegelijk rekent hij op Gods uiteindelijke ingrijpen. Job leeft zo tussen hoop op God en wanhoop over de vraag of er daadwerkelijk ingrijpen van boven komt.

Jobs hoopvolle woorden – ‘ik weet dat mijn redder leeft’ – passen binnen de dubbele dimensie in het boek. Enerzijds is er een lijn tussen God en Job en anderzijds tussen Job en zijn vrienden. Omdat Job erop vertrouwt dat God wél de kennis heeft dat hij onschuldig is, zoekt hij zijn redding daar. Vervolgens vermaant hij ook nog eens zijn vrienden. Zijn vrienden willen rechtspreken, maar hebben het bij het verkeerde eind. Daarom zal er over hen worden recht gesproken. Hierin lijkt Jobs vertrouwen dat er rechtgesproken wordt in ieder geval gedeeltelijk hersteld.

Er zit een zekere dubbelheid in het gedrag van Job. Hij is boos op God, maar ziet bij Hem ook zijn redding. Hij vertrouwt eerst niet dat God recht zal spreken, maar uiteindelijk waarschuwt hij zijn vrienden wel hiervoor. Deze dubbelheid hoort bij het boek Job. Het boek Job is ingewikkeld en gelaagd, het heeft een kritische lezer voor ogen die geen genoegen neemt met makkelijke antwoorden. Het boek Job vraagt om gelezen en herlezen te worden.

B.M. Bogerd BA studeert Theology and Religious Studies (onderzoeksmaster) aan de Vrije Universiteit Amsterdam en loopt stage bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.

Bronvermelding

Benjamin Bogerd, 'Job en zijn redder' in: Met Andere Woorden 42/online (12 april 2023).

Geraadpleegde literatuur

  • David J. A. Clines, Job 1-20, Word Biblical Commentary 17, Colombia 1989.
  • Mark J. Larrimore, The Book of Job: A Biography, Princeton 2013.
  • Hanneke van Loon, But Man is Born to Trouble … Metaphors in the Discussion on Hope and Consolation in Job 3-31, Proefschrift KU Leuven, 2017.

Dit bericht is geplaatst op 12 april 2023.

Gerelateerde Bijbelgedeelten

Job 19.25 - Job 19.25

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons