13Als ik mijn slaaf of slavin ooit hun recht ontzegd heb
wanneer wij van mening verschilden,
14wat zal ik dan beginnen als God opstaat
en mij ondervraagt – wat kan ik dan antwoorden?
15Maakte Hij hen in de moederschoot niet net als mij,
vormde een en dezelfde ons niet eender in de moederbuik?
16Onthield ik aan de armen ooit waar ze om vroegen,
liet ik de ogen van weduwen versmachten?
17At ik mijn brood alleen,
deelde ik het niet met wezen?
18Hadden zij van kindsbeen geen vader in mij,
stond ik weduwen niet van jongs af bij?
19Als ik een zwerver zag die geen kleren had,
een verschoppeling die zich met niets kon bedekken,
20zegende hij mij dan niet met heel zijn hart,
wanneer hij zich warmde met de wol van mijn schapen?
21Als ik mijn vuisten tegen wezen heb gebald,
omdat de rechters in de poort mijn vrienden waren,
22mogen mijn schouders dan ontwricht worden
en mijn arm doormidden breken bij de elleboog –
23want één ding vrees ik: een door God gezonden ramp –
tegen zijn oppermacht ben ik niet opgewassen.