Context en aantekeningen bij Job 2:1-10
Hier vind je informatie over de context van Job 2:1-10 en aantekeningen bij de tekst.
Het boek Job als geheel
Voor een verdiepende beschouwing bij deze serie, zie dit artikel van Matthijs de Jong: Van rouw naar troost - Een andere kijk op het lijden.
Plek van deze passage in het geheel
Job 2:1-10 maakt deel uit van de proloog in het boek Job (Job 1-2). De proloog, die in een verhalende stijl is geschreven, vormt de inleiding voor de uitvoerige dialogen die volgen en die in een poëtische stijl zijn geschreven (Job 3:1-42:6). Job 2:1-10 vertelt over de tweede confrontatie tussen de satan en God in de hemel, gevolgd door Jobs persoonlijke beproevingen en zijn reactie.
Vanaf het begin van de proloog tot het einde wordt Jobs onberispelijkheid benoemd (1:1, 8, 22; 2:3, 10). De verhalende structuur van de proloog is zorgvuldig opgesteld om nadruk te leggen op de invloed van de goddelijke wereld op de menselijke, waarbij de satan zich beweegt tussen hemel en aarde. Op het eerste gezicht biedt Job 1:1-2:10 een afgerond verhaal. Tot tweemaal toe geeft God aan de satan de ruimte om zijn beschuldiging (‘Jobs vroomheid houdt geen stand als het tegenzit’) te staven. Tot tweemaal toe toont Job het ongelijk van de satan: zijn vroomheid houdt stand.
Tegelijk is dit openingsverhaal een opstap voor de theologische discussies die zich ontvouwen in het vervolg van het boek. Daarin draait het om het principe van vergeldende rechtvaardigheid en om vragen over Gods integriteit als handhaver van orde in de wereld.
Opbouw en kern van de passage
De structuur van Job 1-2 bestaat uit vijf verschillende scènes, afwisselend op aarde en in de hemel. Daarna volgt een zesde scène waarin de drie vrienden op het toneel komen (2:11-13). Dit laatste vormt de verbindende schakel tussen de gebeurtenissen van de proloog en de discussies die volgen.
Scène 1: Jobs karakter en bezorgdheid om zijn kinderen (1:1-5) | |
Scène 2: Dialogen tussen God en de satan in de hemel (1:6-12) | Scène 3: Rampen en persoonlijke kwelling voor Job (1:13-22) |
Scène 4: Dialogen tussen God en de satan in de hemel (2:1-6) | Scène 5: Rampen en persoonlijke kwelling voor Job (2:7-10) |
Scène 6: De komst van Jobs vrienden (2:11-13) |
De parallelle structuur van scène 2 en 4 en van scène 3 en 5 is heel duidelijk. Scène 2 en scène 4 beginnen letterlijk hetzelfde (1:6-8 = 2:1-3a). Tegelijk bouwt de tweede poging van de satan om Job te ontmaskeren als een ‘mooiweer-vrome’ voort op de eerste. God wijst de satan erop dat zijn eerste poging is mislukt (2:3b). De satan wil nu nieuwe kwellingen proberen, die Job nog dichter op de huid zitten. In de vijfde scène komt, anders dan in de derde, Jobs vrouw erbij, die uitspreekt wat menselijkerwijs misschien de voor de hand liggende conclusie lijkt. Maar Job houdt vast aan zijn vroomheid. De herhaling van de scènes en Jobs doorgaande vroomheid onderstrepen Jobs gerechtigheid en zijn onverdiende lijden als fundamenteel uitgangspunt voor het vervolg van het boek.
Uitgelicht
‘Satan’ is hier niet zozeer een eigennaam als wel de aanduiding van een hemelbewoner die in de goddelijke raad de functie van aanklager vervult. De satan is hier (nog) geen duivel.
Aantekeningen
Bij vers 1
- hemelbewoners: In het Hebreeuws ‘de zonen van God’ (hemelse wezens of engelen, zie ook Job 1:6 en Job 38:7). Het zijn de wezens die de troon van God omringen en deel uitmaken van zijn hemelse hof. Van een hemels beraad is ook sprake in 1 Koningen 22:19-22; Jesaja 6:1-13; Jeremia 23:18. Vergelijk Psalm 89:7-8, Daniël 10:13 en Tobit 5:4.
- de satan: Het Hebreeuwse werkwoord śṭn betekent ‘tegenstand bieden, aanvallen, tegenspreken, aanklagen’. Daarvan afgeleid is het woord haśśāṭān, ‘de tegenstander’, ‘de aanklager’, dat in Job 1-2 wordt gebruikt. De NBV04 vertaalde dit als ‘Satan’, zonder lidwoord en met hoofdletter, dus als eigennaam. De NBV21 kiest voor ‘de satan’, zodat het iets meer als een functieaanduiding overkomt. Omdat er hier ook in het Hebreeuws een lidwoord bijstaat, kan het geen eigennaam zijn. Het is de satan in de zin van ‘de tegenstander’, een beetje vergelijkbaar met onze openbare aanklager. De satan wordt getypeerd als een hemelbewoner die de functie van aanklager vervult in de goddelijke raad (net zo in Zach. 3:1-2). Hij voert een direct gesprek met God. In het latere jodendom, het Nieuwe Testament en het vroege christendom zien we een duidelijke ontwikkeling: daar is Satan een eigennaam geworden, het gezicht van het kwaad, de grote verleider, ver verwijderd van God. Toch zie je bij de satan in Job, met zijn gestook en zijn slinkse manier om Job kapot te maken, ook overeenkomst met Satan in het Nieuwe Testament. Zie ook dit kaderartikel over Satan
. - maakte bij Hem zijn opwachting: De satan wordt apart genoemd, maar omdat is hij uitgezonden met een specifieke taak.
Bij vers 3
- Heb je ook (…) mijdt het kwaad: Net als in scène 2 is het God die begint over Job, en weer in dezelfde bewoordingen als in 1:8.
- mijn dienaar: God spreekt over Job als ‘mijn dienaar’ in 1:8 en 2:3 en opnieuw aan het einde van het boek in 42:7-8. Als eretitel drukt het de gehoorzaamheid, loyaliteit en vroomheid van Job tegenover God uit, evenals Gods band met hem en aanspraak op hem.
- Ja, hij is nog even onberispelijk als altijd: Nog voordat de satan verslag heeft uitgebracht van Jobs beproeving, weet God er al vanaf. Hoe God dit te weten is gekomen is van ondergeschikt belang: belangrijker is dat Jobs integriteit de eerste beproeving van de satan heeft doorstaan.
- zonder reden: Het motief ‘zonder reden’ (Hebreeuws ḥinnām) is belangrijk voor de thematiek van het boek Job. Het komt voor in 1:9, 2:3, 9:17 en 22:6. In 1:9 gebruikt de satan dit motief om twijfel te zaaien over Jobs vroomheid: is die werkelijk ‘zonder reden’ (‘om niet’, zou je kunnen zeggen) of hangt die samen met de enorme rijkdom en voorspoed die hij heeft? In 2:3 benoemt God hoe Job te gronde is gericht ‘zonder reden’, d.w.z. zonder dat hij dat verdiende. In de discussie tussen Job en zijn vrienden keert dit motief terug. Job stelt dat God hem ‘zonder reden’ treft met ellende (9:15) en Elifaz beweert in zijn laatste betoog juist dat God Job niet om zijn vroomheid straft, maar juist om zijn talrijke zonden: Job heeft zijn macht en zijn positie stelselmatig misbruikt om zwakken te onderdrukken en hen ‘zonder reden’ (22:6) dingen af te nemen. In het morele universum van die tijd heerste de opvatting dat God moreel bedrag beloont en immoreel gedrag bestraft. Wat mensen meemaken is daardoor nooit ‘zonder reden’. Dat Job hier ‘zonder reden’ beproefd wordt, breekt als het ware de morele wet van die tijd open.
- Mij ertoe aangezet: Door de satan eraan te herinneren dat hij God 'ertoe aanzette' om Job te 'vernietigen', wijst God niet de verantwoordelijkheid voor Jobs eerdere beproeving af, alsof Hij de satan de schuld geeft. God nodigt de satan uit om toe te geven dat Job de beproeving om zijn vroomheid te testen heeft doorstaan.
Bij vers 4-5
- Zijn leven is hem alles waard: Letterlijk ‘huid voor huid’, een uitdrukking die sterk lijkt op ‘een oog voor een oog en een tand voor een tand’ (Deut. 19:21). Het gaat om een uitdrukking voor rechtvaardige vergelding of een quid pro quo. In hoofdstuk 1 suggereert de satan dat Jobs vroomheid het gevolg is van zijn rijkdom en succes en dus niet ‘zonder reden’. Hier stelt hij dat Job God blijft eren omdat hij het belangrijkste, zijn leven, nog heeft. Zolang Job iets te verliezen heeft, blijft hij vroom, en dus is zijn vroomheid niet zuiver. Het is een soort ruilhandel omwille van zijn leven. In deze context betekent ‘huid voor huid’ dus: ‘zijn leven is hem alles waard’ (NBV21).
- Ook de letterlijke betekenis van 'huid’ kun je verbinden met het verhaal. De aanklager beweert dat Job alleen doorgaat God te eren om zijn huid (zijn leven en gezondheid) veilig te stellen. Als God daarentegen zijn huid, d.w.z. zijn leven aantast, dan zal Job God vervloeken, meent de satan.
- zijn lichaam: Letterlijk ‘zijn botten en zijn vlees’. Botten komen elders voor als plek van ziekte (Job 30:17, 30; Ps. 6:3, Spr. 12:4). De satan heeft duidelijk fysieke ziekte op het oog.
- vervloeken: Het Hebreeuwse brk betekent doorgaans ‘zegenen’, maar wordt hier als eufemisme gebruikt met tegenovergestelde betekenis van ‘vervloeken’. Elders in Job heeft dit werkwoord ook de betekenis van ‘vervloeken’ (Job 1:5, 11; 2:9) en ook buiten Job zien we dit terug (1 Kon. 21:10, 13; Ps. 10:3).
Bij vers 6
- Luister, doe met hem wat je wilt: Vergelijk Job 1:12. De almacht van God komt in deze woorden duidelijk naar voren: de macht van de satan is strikt beperkt tot de ruimte die de HEER hem verleent. De satan is en blijft een schepsel en van God afhankelijk.
- spaar zijn leven: God geeft de satan speelruimte, maar stelt hem ook een duidelijke grens. Dat komt op een bepaalde manier overeen met hoe God zich tegenover Job presenteert in zijn redevoeringen (Job 38-41). God is ook daar degene die de grote machten speelruimte geeft én grenzen stelt (de zee, het dodenrijk, Behemot en Leviatan). Voor het verhaal is het essentieel dat Job blijft leven: als Job zou bezwijken aan de beproevingen van de satan, blijft de vraag of hij God vervloekt onbeantwoord. In Jobs eigen redevoeringen zal hij steeds benadrukken dat hij ‘in feite dood is’. Hij is zo goed als dood en beklaagt zich dat God weigert om hem het laatste duwtje te geven en uit zijn lijden te verlossen.
Bij vers 7
- van voetzool tot kruin: Net zoals Jobs eerste beproeving al zijn kinderen, dienaren, en dieren van hem afnam, is deze tweede beproeving even alomvattend: heel zijn lijf moet eraan geloven (vgl. Deut. 28:35; Jes. 1:6).
- vreselijke zweren: In Deuteronomium 28:35 een gevolg van Gods vloek. Om welke ziekte het gaat is onduidelijk, maar uit het vervolg van het boek blijkt het een bijzonder zware ziekte te zijn (2:8; 7:4-5; 13:14, 28; 16:8, 16; 17:1; 19:17-20; 30:17-18, 27-30).
Bij vers 8
- Job pakte: Zonder enige reactie van Jobs kant gaat het verhaal door naar het krabben van zijn zweren en de reactie van zijn vrouw. Dat suggereert al dat Job zijn lot accepteert.
- het stof en het vuil: Na zijn eerste beproeving uitte Job zich ook als een rouwende door zijn kleren te scheuren, stof over zijn hoofd te gooien en zich ter aarde te werpen (Job 1:20). Ook bij zijn tweede beproeving uit hij zich als iemand die rouwt (zie ook Job 42:6; Gen. 18:27; Jona 3:6; Est. 4:3). Het is aannemelijk dat Job op de ashoop buiten de stad zat, de plek waar mensen met infecterende ziektes naartoe verbannen werden. Hij is een sociale paria geworden.
Bij vers 9
- zijn vrouw: Behalve nog in 19:17 en 31:10 wordt Jobs vrouw nergens vermeld. Haar rol wordt groter in de doorgaande tekstontwikkeling. In de Septuaginta neemt ze veel uitgebreider het woord en eist ze een deel van de ellende voor haarzelf op: haar leven is immers ook geruïneerd. In het pseudepigrafische boek Testament van Job krijgt ze een naam, Sitis, en wordt ook haar ellende uitgebreid beschreven. In latere kunstafbeeldingen wordt ze juist meer en meer negatief verbeeld als vrouw die haar man bespot. In de christelijke traditie werd ze zelfs als werktuig van de satan beschreven: door haar woorden bracht ze Job verdere slagen toe. Dit alles is op basis van de Hebreeuwse tekst niet hard te maken (zie ook volgende aantekening).
- vervloek God toch: Zie aantekening bij ‘vervloeken’ bij vers 5. Jobs vrouw wordt vaak negatief afgebeeld. Toch trekt zij simpelweg de conclusie die in die tijd voor de hand lag: als God het zo duidelijk op je gemunt heeft en je behandelt als zijn ergste vijand, dan heeft eerbied geen zin meer; dan kun je je beter tegen God uitspreken, zodat Hij je de genadeklap geeft, en je uit je lijden bent verlost.
- sterf: Ondanks Jobs onberispelijke levenswandel is hij verschrikkelijk toegetakeld door God. Met zo’n uitzichtloze situatie is de dood verkieslijk en zelfs een uitkomst. Als Job God vervloekt, zal Hij zonder twijfel Job zijn leven afnemen.
Bij vers 10
- een dwaas: Bijbels gesproken is een dwaas iemand die ontkent dat er een rechtvaardige God is (Ps. 14:1; Jes. 32:6).
- Al het goede (…) het kwade niet aanvaarden?: Het goede waar Job op duidt, is de zegen die hij als aanzienlijkste man van het Oosten overduidelijk ontvangen had (Job 1:3). Het kwade dat hem overkomt, is het ontnemen van die zegen door het overlijden van zijn kinderen en het verliezen van al zijn bezit en zijn gezondheid. Dat hij ondanks deze catastrofes Gods beschikking aanvaardt, is later een voorbeeld geweest van het geduldig verdragen van lijden (Jak. 5:11).
- Ondanks alles (…) geen onvertogen woord: Job heeft de test doorstaan en de kwestie is beslecht in Gods gelijk. Letterlijk staat er ‘hij zondigde niet met zijn lippen’. Daarmee heeft Job het ongelijk van de satan bewezen, hij heeft God niet vervloekt (2:5). Sommige Joodse en christelijke uitleggers lezen in de uitdrukking ‘met zijn lippen’ een stille hint: Job sprak weliswaar geen verkeerd woord tegen God, maar in zijn hart was de twijfel aan het rijzen. Hoewel deze uitleg de overgang naar de klagende Job (hoofdstuk 3) begrijpelijker maakt, is het op basis van de tekst vergezocht.
Bron: Willibrordvertaling 2012, aangepast
Bron: Studiebijbel in Perspectief, aangepast
Bron: Studiebijbel in Perspectief
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s (bij dit hoofdstuk en de hele serie)
- Van rouw naar troost - Een andere kijk op het lijden | Matthijs de Jong
- Beelden van Job in kunst en theologie. Onschuldig leed vraagt om protest
| Matthijs de Jong en Klaas Spronk - Theologie van de verbijstering
| Katja Tolstoj - Leven zonder oplossing
| Ad van Nieuwpoort - Niets uitgelegd, alles uitgesproken
| Paul Visser - Job en zijn redder
| Benjamin Bogerd (over Job 19) - Loeit een os bij zijn voederbak? De weergave van retorische vragen in Job in de Bijbel in Gewone Taal | Jaap van Dorp (PDF
) - Poëzie in het boek Job. De Nieuwe Bijbelvertaling van Job | M. de Winter en K. Verdegaal (PDF
)
Ga op deze pagina direct naar:
- het boek Job als geheel
- de plek van deze passage in dit geheel
- opbouw en kern van deze passage
- aantekeningen bij de verzen
- achtergrondinformatie bij kernwoorden en begrippen
