Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Genesis 1:1-2:3 – Preekinspiratie 

Waar gaat het om in dit gedeelte?

Zet de Bijbel de mens boven en buiten de rest van de schepping met de opdracht om te heersen? God heeft ons gemaakt om te heersen als zijn evenbeeld. Gods liefde voor alles wat leeft, voor alles wat groeit en bloeit, is ons voorbeeld. God plaatste de zevende dag als een heilige kroon op de schepping. De sabbat leert ons wat waardevol is en bescherming verdient; de sabbat wijst de weg naar harmonie tussen God en mens, en tussen mens, dier en aarde. Alleen zo leert een mens om te heersen als beeld van God. 

Klik hier en hier om deze passage te lezen in de NBV21  

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging

  • Als de mens Gods evenbeeld is, waar zit de overeenkomst? Vaak is gezegd: de rede, de ratio of logos, is wat de mens onderscheidt van al het andere geschapene en hem verbindt met God. De Bijbel legt echter weinig nadruk op rede of verstand, maar juist op moreel bewustzijn. Het gaat niet om wat de mens weet of uitdenkt, maar om besef van wat God van ons vraagt. Wijsheid heeft in de Bijbel een ethische dimensie: moreel besef. Dat is waarop de Bijbel de mens (en ook ons) aanspreekt.  
  • Tweemaal draagt God de aarde op om ‘voort te brengen’ (1:11 en 1:24). Daarmee speelt de aarde een actieve rol in de schepping. Dat alleen al moet ons ervan doordringen dat de aarde veel meer is dan een verzameling hulpbronnen of een gebruiksproduct. De aarde heeft in de Bijbel een eigen band met God. In onze tijd, waarin de aarde onder druk staat en de zorg ervoor des te urgenter wordt, is scheppingstheologie misschien wel belangrijker dan ooit.   
  • Genesis 1 is vaak aangehaald in het debat over schepping of evolutie. De vraag is of Genesis 1:1-2:3 de nadruk legt op hoe het feitelijk is gegaan, of ons eerder een blauwdruk van het leven wil voorhouden. Een blauwdruk waarop we ons in deze gebroken wereld kunnen richten. En tevens een blauwdruk van het leven zoals God dat voor ogen heeft. Voor ons is dat een hoopvol beeld.  
  • De Bijbel geeft voorbeelden van ‘anders heersen’. Het dienende heersen waartoe Jezus oproept is heel bekend, maar dit Bijbelse thema begint al in Genesis 1, waar de mens de opdracht krijgt om te heersen binnen Gods orde tot welzijn van mens, dier en aarde. Hoe zou het Bijbelse heersen er vandaag uit kunnen zien?  

Context van Genesis 1:1-2:3

Het boek Genesis als geheel 

Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Bijbelboek Genesis vind je in deze Inleiding op Genesis.

Plek van deze passage in het geheel 

Genesis 1:1-2:3 is onderdeel van Genesis 1-11, dat over de oergeschiedenis gaat: de schepping, de eerste mensen, de zondvloed en de verspreiding over de aarde. Vanaf Genesis 12 begint met de roeping van Abram een nieuw deel, over Gods omgang met Abram en zijn familie, waarin de beloften van landbezit en nakomelingen centraal staan. 

Genesis 1:1-2:3 is een inleiding op het boek Genesis maar ook op de hele Tora en de hele Bijbel. Er zijn sterke verbanden tussen Genesis 1:1-2:3 en het slotdeel van het boek Exodus. De bouw van de tabernakel door de Israëlieten wordt daar beschreven als een antwoord op Gods scheppingswerk: zoals God een woonplek inricht voor de mens, mag Israël een woonplek inrichten voor God. Vervolgens wordt in de wetgeving van Leviticus, waarin alles draait om ‘onderscheid maken’ en ‘heiligheid’, uitgewerkt hoe Israëls levenswijze rond de sabbat is afgestemd op Gods scheppingsorde in Genesis 1:1-2:3.  

Wij nemen Genesis 1:1-2:3 als eenheid, maar in sommige Bijbels loopt de tekst door tot en met 2:4a (bijv. in de NBV). De meeste uitleggers menen echter dat 2:4a de inleiding op een nieuw gedeelte is. Deze inleiding is bewust geformuleerd in aansluiting op Genesis 1:1-2:3, waardoor er samenhang ontstaat tussen het voorgaande en wat er volgt. In het boek Genesis is de toledot-formule zoals we die treffen in 2:4a (‘Dit is de geschiedenis van …’) altijd het begin van een nieuwe eenheid.  

Opbouw en kern van de passage 

Wat betreft stijl is Genesis 1:1-2:3 tegelijk eenvoudig en verheven. De tekst heeft een kenmerkende opbouw, met een vaste, terugkerende formule aan het eind van elke scheppingsdag. Zo worden de eerste zes dagen gemarkeerd, waarna de zevende dag als climax volgt. Op die manier volgt de tekst het schema van zes dagen gevolgd door de beslissende zevende dag. Dat was een bekend verhaalpatroon in de tijd van de Bijbel, al is Genesis 1:1-2:3 de enige scheppingstekst met dit schema. De zes scheppingsdagen zijn in twee groepen geordend: eerst richt God de compartimenten in, daarna vult Hij ze met alles wat leeft.  

Dag 1: Vers 1-5 (licht)

Dag 4: Vers 14-19 (lichten)   

Dag 2: Vers 6-8 (luchtruim, water)

Dag 5: Vers 20-23 (vogels, vissen) 

Dag 3: Vers 9-13 (aarde, planten)

Dag 6: Vers 24-31 (landdieren en mensen) 

Dag 7: Sabbat (bekroning van schepping) 

hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

Genesis 1:1-2:3 vormt een hechte compositie, zorgvuldig opgezet met terugkerende motieven en herhaalde termen (‘God zei’; ‘en zo gebeurde het’; ‘God zag dat het goed was’; etc.). Het is een liturgische tekst. Alles in deze tekst is bijzonder, maar enkele zaken springen er toch uit. Behalve de openingszin (zie de aantekeningen hieronder) betreft het twee korte passages die zich qua stijl van de rest onderscheiden. Allereerst 1:27, dat als een poëtische dichtregel is geschreven:  

God schiep de mens als zijn evenbeeld,  

als evenbeeld van God schiep Hij hem,  

mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. 

Iets vergelijkbaars treffen we in Genesis 2:2-3a over de zevende dag (aangepaste vertaling):  

God voltooide op de zevende dag het werk dat Hij gedaan had,  

God rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij gedaan had,  

God zegende de zevende dag en heiligde die. 

Dit zijn drie zinnen waarin ‘de zevende dag’ expliciet wordt genoemd en elke zin heeft in het Hebreeuws zeven woorden.  

Genesis 1:1-2:3 geeft dus bijzondere aandacht aan de mens, die als beeld van God geschapen wordt, en aan de zevende dag, die geheiligd wordt. De mens wordt beschreven als hoogtepunt van Gods scheppingswerk, de zevende dag vormt de kroon op Gods schepping. De mens krijgt de opdracht om als Gods zaakwaarnemer op aarde te heersen. De sabbat is daarbij het richtpunt. De mens moet niet zijn eigen orde vestigen, maar Gods heilige orde bewaren.  

Aantekeningen per vers

Bij vers 1  

De schepping van hemel en aarde

1In het begin schiep God de hemel en de aarde.

Genesis 1:1NBV21Open in de Bijbel

  • In het begin: Het eerste woord van de Bijbel (bǝrēʾšît) kan op twee verschillende manieren worden opgevat. Vaak wordt ‘het begin’ opgevat in absolute zin. Eigenlijk had er dan bārēʾšît moeten staan, met de ā die het lidwoord aanduidt. Maar omdat het lidwoord wel vaker wegvalt (in poëzie) denken veel uitleggers dat dit geen probleem is. In dat geval begint de Bijbel met de woorden ‘In het begin’ en krijg je de bekende zin: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Maar er is nog een tweede mogelijkheid. Het Hebreeuws suggereert dat er staat ‘in het begin van …’. Het woord dat volgt, geeft aan waarván dit het begin is (vgl. Jer. 27:1, ‘In het begin van Jojakims regering’). In Genesis volgt geen zelfstandig naamwoord, maar een zin. Dat kan in het Hebreeuws. Letterlijk: ‘In het begin van God-schiep-de-hemel-en-de-aarde’. In goed Nederlands: ‘Toen God begon met het scheppen van de hemel en de aarde’. De zin loopt dan door in Genesis 1:2. Dat vers beschrijft de situatie voorafgaand aan de schepping. In vers 3 volgt de hoofdzin: ‘God zei’. Alles bij elkaar luidt de openingszin dan: ‘Toen God begon met het scheppen van de hemel en de aarde – de aarde was nog woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest – zei God: “Laat er licht zijn.”’ Sommige vertalingen kiezen voor deze tweede mogelijkheid en de NBV21 noemt het als optie in een voetnoot. Als je afgaat op de Griekse vertaling (Septuagint) en op Johannes 1:1, dan ligt de traditionele weergave voor de hand. Maar vanuit het Hebreeuws bekeken is het alternatief een goede mogelijkheid.  
  • schiep: het Hebreeuwse werkwoord bārāʾ wordt meestal met ‘scheppen’ vertaald. Inhoudelijk betekent dat niets anders dan ‘maken’, maar er is wel iets bijzonders met dit woord: het wordt in de Hebreeuwse Bijbel alleen gebruikt met God als onderwerp. Het is altijd God die schept.  
  • God: God (ʾĕlōhîm) is hét kernwoord van Genesis 1:1-2:3. Het wordt 35 keer gebruikt in deze tekst (5 x 7); 7 is het dragende getal in het scheppingsverhaal; denk aan de 7 dagen.  
  • de hemel en de aarde: Hemel en aarde wordt hier vaak opgevat als twee uitersten die samen het geheel aanduiden van alles wat bestaat. Merk op dat zowel de hemel als de aarde nog een aantal keer terugkomt in deze tekst. De hemel (šāmayim) wordt 11 keer genoemd; de aarde (ʾereṣ) zelfs 21 keer (3 x 7). De aarde speelt een belangrijke rol (zie onder). De laatste keer dat ‘hemel’ en ‘aarde’ in de tekst genoemd worden zijn ze weer samen, in 2:1, dat terugwijst naar 1:1.       

Bij vers 2 

2De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.

Genesis 1:2NBV21Open in de Bijbel

  • was: In het Nederlands valt ‘was’ niet op, maar in het Hebreeuws is het opvallend dat er hāyǝtâ staat, omdat in gewone nominale zinnen (van het type ‘David was koning’) in het Hebreeuws geen werkwoordsvorm staat. De perfectumvorm ‘was’ geeft aan dat dit de situatie was voorafgaand aan het scheppen. Lange tijd is Genesis 1 gelezen vanuit het idee van creatio ex nihilo (‘schepping uit het niets’). Inmiddels wijzen uitleggers erop dat het idee van ‘schepping uit het niets’ pas in de hellenistische tijd ontstaan lijkt te zijn (zie bijv. 2 Mak. 7:28) terwijl in de eeuwen ervoor – en ook in de Hebreeuwse Bijbel – scheppen werd gezien als het creëren van orde, het scheppen van leefbare omstandigheden.  
  • woest en doods: Door klankrijm klinken deze woorden in het Hebreeuws extra sterk (tōhû wābōhû). Je zou in het Nederlands aan ‘wezenloos en levenloos’ kunnen denken. Deze woorden typeren de staat van de aarde. Zonder Gods ingrijpen is er absoluut geen leven mogelijk. In Jeremia 4:23, een angstaanjagende omkering van de schepping, komt het duo ‘woest en doods’ terug. Er is een verschil tussen de twee termen: de eerste van de twee komt vaak voor, ook zonder de tweede, en de betekenis ervan is bekend. De tweede term is moeilijk thuis te brengen, komt maar drie keer voor in de Bijbel, altijd in combinatie met de eerste; deze tweede term lijkt een soort versterkende functie te hebben.  
  • de oervloed: De term in het Hebreeuws (tǝhôm) herinnert aan de oervloed als vijandige chaosmacht in de mythische verhalen. Kenmerkend voor Genesis 1:1-2:3 is dat die oude chaosmachten wel genoemd worden maar geen rol van betekenis spelen als Gods tegenstander (zie ook vs. 21 over ‘de grote zeemonsters’).    
  • geest: Er is veel discussie over wat er met de ‘geest’ (rûaḥ) wordt bedoeld. In de joodse uitleg is rûaḥ hier altijd opgevat als ‘adem’ of ‘wind’. Veel moderne uitleggers menen dat dit in de Hebreeuwse Bijbel ook het meest voor de hand ligt. Denk aan Psalm 104, een scheppingspsalm verwant met Genesis 1, waar in vers 3 staat: ‘U beweegt u op de vleugels van de wind (rûaḥ).’ Of denk aan Psalm 33:6: ‘Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt, door de adem (rûaḥ) van zijn mond het leger der sterren.’ In de christelijke uitleg is altijd gekozen voor ‘Geest’. De Griekse vertaling (LXX) spreekt hier van pneuma, hetzelfde woord als voor de heilige Geest in het Nieuwe Testament.  
  • Gods: Hoe we de rûaḥ ook vertalen (geest, adem, wind), de verbinding met God duidt erop dat er iets van God zelf aanwezig is in de voorwereld, zoals die was voor de schepping. Vergelijk Psalm 104:4, waar staat dat God de winden tot zijn bodes maakt. Gods wind is als een heraut die voor God uit gaat en zijn komst aankondigt. Dat er iets van God aanwezig is in de onleefbare voorwereld, krijgt een tegenhanger aan het eind van het scheppingsverhaal, als God de zevende dag heiligt. Met de heiligheid van de zevende dag legt God opnieuw iets van zichzelf in de wereld – nu in de geschapen wereld vol leven.  

Bij vers 3 

3God zei: ‘Laat er licht zijn,’ en er was licht.

Genesis 1:3NBV21Open in de Bijbel

  • God zei: Kenmerkend voor Genesis 1 en voor de Bijbel in het algemeen is Gods scheppen (en elders zijn machtige optreden) door het woord. Gods machtswoord is genoeg om een onleefbare situatie voor altijd te veranderen. Acht keer klinkt Gods machtige scheppingswoord in deze tekst. 
  • Laat er licht zijn: De eerste woorden die we in de Bijbel uit Gods mond horen. De NBV koos hier en bij de andere scheppingswoorden voor een formulering met ‘moeten’ (‘Er moet licht komen’). Dat was niet verkeerd, maar het heeft wel een wat andere klank. Juist doordat de formulering steeds terugkomt in dit hoofdstuk maakt het uit hoe we het formuleren. In de NBV21 klinkt het plechtiger, wat goed aansluit bij het liturgische genre van de tekst.  

Bij vers 4 

4God zag dat het licht goed was, en Hij scheidde het licht van de duisternis;

Genesis 1:4NBV21Open in de Bijbel

  • God zag dat het licht goed was: Gods constatering dat het geschapene ‘goed’ (ṭôb) is, keert telkens terug in deze tekst. Zevenmaal horen we dit refrein, de laatste keer in de overtreffende trap (1:31). Het woord ṭôb, ‘goed’, kan de kwaliteit van iets aanduiden of de mate waarin iets aan zijn doel beantwoordt. Tegelijk legt het een verband met God, die zelf bij uitstek goed is.  
  • scheidde: Dat God schept door te scheiden lezen we op de eerste en tweede dag (1:4, 6, 7). Ook zien we op de vierde dag dat de grote lichten aan de hemel in navolging van God scheiding moeten maken tussen dag en nacht (1:14, 18). Deze opvallende term zien we terug in Leviticus, waar God zijn volk opdraagt om onderscheid te maken tussen wat rein is en wat onrein is (Lev. 11:47; 20:25), en waar God benadrukt dat Hij zijn volk heeft afgescheiden van de andere volken om heilig te zijn net als Hij (Lev. 20:24, 26).  

Bij vers 5 

5het licht noemde Hij dag, de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.

Genesis 1:5NBV21Open in de Bijbel

  • noemde: In 1:5-10 speelt het ‘noemen’ van God een rol. God geeft de elementen van de leefbare wereld hun naam: dag, nacht, hemel, zee en aarde. In Genesis 2:19-20 is het de mens die, in navolging van God, namen geeft aan alle dieren. Het geven van namen gold als een uiting van macht of heerschappij over die betreffende zaken.   

Bij vers 6 

6God zei: ‘Laat er midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’

Genesis 1:6NBV21Open in de Bijbel

  • watermassa’s: De scheiding tussen de ene en de andere watermassa is niet willekeurig. Het gaat om het scheiden van de zoete en de zoute watermassa. Net als bij licht en duisternis gaat het om twee tegenovergestelde zaken die niet vermengd moeten zijn.  

Bij vers 9 

9God zei: ‘Laat het water onder de hemel naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het.

Genesis 1:9NBV21Open in de Bijbel

  • Laat het water (…) naar één plaats stromen: De bewoonde wereld is ontstaan uit het water (zie Ps. 24:2; 2 Petr. 3:5). In de oude verhalen is de zee een gevaar. Vaak krijgt ze de vorm van een mythisch zeemonster dat de macht van het kwaad representeert. Dat de zee aan banden wordt gelegd en wordt begrensd, geldt als een machtige daad van de schepper die in het Oude Testament vaak bezongen wordt (Job 38:8-11; Ps. 104:6-9; Jer. 5:22).
  • verschijnt: Het tevoorschijn komen van de aarde is een hoogtepunt in het verhaal. In 1:2 lezen we dat in de oersituatie de aarde totaal onleefbaar was, bedekt als ze was door duisternis en water. God legt eerst de duisternis aan banden, scheidt dan de watermassa’s en brengt tot slot het water onder de hemel op één plaats samen. Zo wordt in drie stappen de aarde bevrijd en komt ze tevoorschijn als plek waar leven mogelijk is.  

Bij vers 11 

11God zei: ‘Laat overal op aarde jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en alle soorten bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het.

Genesis 1:11NBV21Open in de Bijbel

  • Laat overal op aarde jong groen ontkiemen: In het Hebreeuws is hier een woordspel. Je zou kunnen vertalen: ‘Laat de aarde groen doen groeien’ (vertaling van SHA). Daarin komt ook goed naar voren dat God de aarde hier de opdracht geeft om dit te doen. De aarde moet alles voortbrengen.  
  • alle soorten: Het motief ‘alle soorten’ komt tien keer voor in Genesis 1; letterlijk ‘overeenkomstig zijn soort’. Het drukt compleetheid uit: ‘x in heel zijn soortelijke onderverdeling’. Je kunt dit vertalen met ‘alle soorten x’ (NBV21) of met ‘x, soort voor soort’. De traditionele vertaling met ‘naar zijn aard’ is misleidend, want het gaat niet over het karakter van de dingen; ‘aard’ is hier een germanisme.  

Bij vers 12 

12De aarde bracht jong groen voort: alle soorten zaadvormende planten en alle soorten bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:12NBV21Open in de Bijbel

  • De aarde bracht (…) voort: Een veelzeggend moment in het verhaal. Tot nu toe was God steeds degene die handelde; nu handelt de aarde in gehoorzaamheid aan Gods opdracht. De aarde is op deze manier direct betrokken bij Gods scheppingswerk.  

Bij vers 16 

16God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.

Genesis 1:16NBV21Open in de Bijbel

  • God maakte de twee grote lichten: In de wereld rondom Israël werden zon en maan vereerd als goden. Het Bijbelse scheppingsverhaal stelt daartegenover dat ze deel van Gods schepping zijn. Dit kan men zien als Bijbelse kritiek op het polytheïsme waarin elementen uit de geschapen wereld als goden vereerd werden.  

Bij vers 16 en 18 

16God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:16-18NBV21Open in de Bijbel

  • om te heersen: Net als later de mens, krijgen ook de grote hemellichten de taak om te heersen, in hun geval over de dag en de nacht. Het Hebreeuws gebruikt hier een andere term dan in vers 26 en 28, maar het betreft hetzelfde motief. Heersen houdt hier in: onderscheid maken, uit elkaar houden wat uit elkaar gehouden moet worden.  

Bij vers 21 

21En God schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en alle soorten vogels, alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:21NBV21Open in de Bijbel

  • de grote zeemonsters: Net als de ‘oervloed’ (1:2) is dit een term die herinnert aan de oude verhalen over de strijd tegen de chaosmachten. Ook in dit geval spelen de zeemonsters geen enkele rol als Gods tegenstanders die overwonnen moeten worden. Ze vormen onderdeel van zijn schepping die Hij soeverein, door te spreken, laat ontstaan. Hetzelfde woord wordt op andere plaatsen soms vertaald met ‘slang’ (Ex. 7:9), ‘krokodil’ (Ezech. 29:3) of ‘Leviatan’ (Job 3:8).  

Bij vers 22

22God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’

Genesis 1:22NBV21Open in de Bijbel

  • zegent: Driemaal in Genesis 1:1-2:3 lezen we dat God zegent. God zegent de vissen en vogels op de vijfde dag, Hij zegent de mensen op de zesde dag, en tot slot zegent Hij de zevende dag. Gods zegen speelt in het hele boek Genesis een essentiële rol.   

Bij vers 26 

26God zei: ‘Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’

Genesis 1:26NBV21Open in de Bijbel

  • Laten Wij mensen maken: De meervoudsvorm waarin God hier spreekt, wordt verschillend uitgelegd. In de christelijke traditie is het opgevat als verwijzing naar de Drie-eenheid. De meeste uitleggers kiezen tegenwoordig een andere verklaring. De bekendste is deze: met het meervoud verwijst God naar zijn hemelse hofhouding (zie 1 Kon. 22:19; Job 1:6; Job 38:4-7; Ps. 82:1; Jes. 6:8). Een (minder waarschijnlijk) alternatief is dat het meervoud hier aangeeft dat God bij zichzelf te rade gaat (vgl. 2 Sam. 24:14).  
  • ons evenbeeld: Terwijl alles op aarde ‘naar zijn soort’ wordt gemaakt, is het de mens die als enige als evenbeeld van God wordt geschapen. Dat de mens Gods evenbeeld is, wordt ook genoemd in Genesis 5:1-3 en 9:6 (zie ook 1 Kor. 11:7; Kol. 3:10; Jak. 3:9). Er zijn hier twee bijzonderheden. (1) In de tijd van het Oude Testament waren het speciaal de koningen van de grote rijken die zichzelf presenteerden als het evenbeeld van hun god. Zoals hun god – in de verhalen – oppermachtig was, zo waren zij dat als zaakwaarnemer van de goden op aarde. Kenmerkend voor Genesis 1 is dat élk mens beeld van God is. (2) God zelf heeft de mens als zijn evenbeeld op aarde gezet en verbiedt tegelijkertijd zijn volk om beelden te maken en die te vereren; de Hebreeuwse term waarmee ‘evenbeeld’ wordt aangeduid, wordt elders gebruikt voor cultische beelden. 
  • zij moeten heersen: In het Hebreeuws is er een sterk verband tussen evenbeeld van God zijn en de opdracht om te heersen. Je kunt vertalen: ‘Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn (…) opdat zij heersen (…).’ Het is als evenbeeld van God dat de mens heerst. Wat wordt bedoeld met heersen over de dieren en over de aarde? Sommige uitleggers zoeken een ecologisch verantwoorde weergave, door ‘heersen’ te veranderen in ‘leidinggeven’, maar het Hebreeuwse woordenboek biedt daarvoor weinig steun. De eyeopener is echter dat je niet moet proberen om de specifieke woorden ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’ (vs. 28) bij te draaien, maar moet inzien dat het scheppingsverhaal als geheel herdefinieert wat het heersen inhoudt. Dit gaat namelijk niet over een strijd tussen mensen en (wilde) dieren, zoals de tekst vaak wordt uitgelegd. Heersen als strijd past niet bij Genesis 1:1-2:3, dat een harmonieuze situatie beschrijft. Genesis 1:29-30 vertelt hoe de aarde mens en dier van voedsel voorziet. Wilde dieren vormen nog geen bedreiging voor de mens (verg. Jes. 11:6-9). ‘Heersen’ duidt niet op een strijd op leven en dood. We zagen dat ook de grote hemellichten moeten heersen (Gen. 1:16-18) in de zin van grenzen bewaken, uit elkaar houden wat gescheiden moet blijven. Dat is een bijzondere vorm van heersen. Ook God voert geen strijd tegen de bedreigende machten, maar Hij maakt onderscheid. Zijn scheppend optreden is priesterlijk, met de heiliging van de zevende dag als bekroning. Leestip: Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, Hemels Groen. Nieuw licht op duurzaamheid als Bijbels thema (Haarlem 2024), pagina 27-44 voor een bespreking van het heersen als priesterlijk heersen en pagina 57-87 voor een uitwerking die laat zien hoe de scheppingsorde van Genesis 1:1-2:3 doorwerkt in Israëls sabbatsorde zoals beschreven in Exodus en Leviticus.  
  • over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt: Als je kijkt waarover de mens moet heersen, dan zie je bevestigd dat het hier niet gaat om heersen in concurrentie met de wilde dieren, want juist díé worden in deze opsomming overgeslagen. Ze zijn ongetwijfeld inbegrepen, maar de nadruk ligt niet op die groep.  

Bij vers 27 

27God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.

Genesis 1:27NBV21Open in de Bijbel

  • mannelijk en vrouwelijk: Expliciet wordt gezegd dat zowel mannen als vrouwen door God als zijn evenbeeld zijn geschapen. Man en vrouw zijn voor God gelijkwaardig en beiden zijn, als Gods evenbeeld, geroepen om te heersen. Dit is geen heersen in de wereldse betekenis (waarin vooral een bepaald type man heel goed is). Dit Bijbelse heersen staat in dienst van Gods orde, waarvan de sabbat het symbool is.  

Bij vers 28 

28Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

Genesis 1:28NBV21Open in de Bijbel

  • Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde: God herhaalt deze opdracht in Genesis 9:1 voor Noach en zijn zonen. Daarna is er in de Bijbel één volk waarvan wordt verteld dat het aan Gods opdracht beantwoordde: Israël, in Exodus 1:7: ‘De Israëlieten waren vruchtbaar (…) zij werden talrijk, zodat zij het land bevolkten.’ In het Hebreeuws is ‘aarde’ en ‘land’ hetzelfde woord (hāʾāreṣ), maar in Israëls geval is het nog niet het beloofde land, want Exodus 1 speelt zich af in Egypte.  
  • breng haar onder je gezag: Deze woordcombinatie komen we verder alleen tegen in Numeri 32:21-22, 32:29, Jozua 18:1 en 1 Kronieken 22:18. Telkens gaat het over (delen van) het beloofde land dat door Israël in bezit genomen wordt.  
  • heers over: Het ‘heersen over’ de dieren zie je in Israël terug in het onderscheid maken tussen rein en onrein (Lev. 11). Zo verwijst de orde van het dagelijks leven naar Gods scheppingsorde.  

Bij vers 29-30 

29Ook zei God: ‘Hierbij geef Ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef Ik alle groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het.

Genesis 1:29-30NBV21Open in de Bijbel

  • Hierbij (…) geef Ik alle groene planten tot voedsel: Mensen en dieren leven van wat de aarde voortbrengt. Zowel mens als dier krijgt van God een vegetarisch menu toegewezen (het is pas later, in Gen. 9, dat de mens toestemming krijgt om vlees te eten). Ook hier maakt God onderscheid, namelijk tussen wat de mensen is toebedeeld en wat de dieren. In de harmonieuze scheppingsorde is er geen strijd op leven en dood. Dat is heel anders in de wereld zoals wij die kennen; de harmonie is verloren gegaan. Toch is volgens de Tora de levenswijze van Israël, geënt op de sabbat, in onze wereld de (onvolmaakte) afspiegeling van het scheppingsideaal van Genesis 1:1-2:3. In de voorschriften rond de sabbat van het land, ieder zevende jaar als het land rust krijgt (Lev. 25:1-7), wordt het scheppingsideaal benaderd: de mensen, het vee en zelfs de in het wild levende dieren delen mee in de sabbat van het land.  

Bij vers 31 

31God zag alles wat Hij had gemaakt: het was zeer goed. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.

Genesis 1:31NBV21Open in de Bijbel

  • het was zeer goed: De zesde dag, met name de schepping van de mens, krijgt binnen Genesis 1 de meest uitgebreide beschrijving. Deze dag heeft een plechtige afsluiting: God bekijkt alles en stelt vast dat het zéér goed is. Toch volgt dan opnieuw de formule: ‘Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.’ Het verstrijken van zes dagen volgens een vast patroon wekt de verwachting dat er nog één dag zal volgen: de zevende en beslissende dag. 

Bij 2:1 

1Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid.

Genesis 2:1NBV21Open in de Bijbel

  • rijkdom: Dit woord kan worden opgevat als ‘rijkdom’, ‘macht’ of ‘ordening’. 

Bij 2:2 

2Op de zevende dag had God zijn werk voltooid. Op de zevende dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had.

Genesis 2:2NBV21Open in de Bijbel

  • de zevende dag: De zevende dag duidt de sabbat aan. Toch wordt die naam hier niet genoemd, vanwege het karakter van Genesis 1:1-2:3. Het gaat over God, de aarde, de mens en de zevende dag – allemaal generieke termen. Alles wat hier aan de orde is, zal terugkomen in Exodus en Leviticus, en dan worden de namen gebruikt: God maakt zijn heilige naam bekend aan Israël, zijn volk; en Hij laat zijn volk kennismaken met de sabbat, als ankerpunt voor een heilige levenswijze in het beloofde land.   
  • zevende dag: In de Septuagint en de Samaritaanse Pentateuch staat ‘zesde’ dag, om te voorkomen dat men denkt dat God op de zevende dag zou hebben gewerkt. Het verdient echter de voorkeur om de Hebreeuwse tekst met ‘zevende dag’ aan te houden. De tekst impliceert niet dat God werkte op de zevende dag.  
  • had God zijn werk voltooid: Veel vertalingen worstelen met deze zin, om de indruk te verhinderen dat God toch nog werkte op de zevende dag. Om die reden kiest ook de NBV21 voor een voltooid verleden tijd. Het is de vraag of dat nodig is. Je kunt het zo uitleggen: het voltooien op de zevende dag betreft geen nieuw werk. Het gaat om het bekronen van het gedane werk op dag 1-6 juist dóór de zevende dag te zegenen en te heiligen.  
  • rustte: Gods rusten op de zevende dag is zo’n ingeburgerde vertaling dat iedereen die hier verwacht. Toch staat hier een ander werkwoord dan in Exodus 20:11. Dáár vertelt God dat Hij op de zevende dag rustte van het scheppingswerk en dat Israël daarom eveneens elke zevende dag moet rusten. De uitdrukking in Genesis 2:2 betekent letterlijk ‘stoppen met’. God legde het werk neer op de zevende dag. Het was klaar. God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat God op die dag het werk losliet, vrijliet. De zevende dag eindigt daarom ook niet in deze vertelling. 

Bij 2:3  

3God zegende de zevende dag en heiligde die, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.

Genesis 2:3NBV21Open in de Bijbel

  • heiligde: Het heiligen van de zevende dag betekent dat God de schepping bekroont met iets van zichzelf. God drukt zijn eigen stempel op de geschapen wereld. Het vieren van de sabbat is daarom niet alleen een herhaling van Gods rusten op de zevende dag, maar ook een afstemming van het aardse leven op Gods heilige orde. 
  • want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk: Schepping en sabbat zijn in de Tora met elkaar verbonden. Het leven volgens de sabbat is vastgelegd in de Tora, het handvest om te heersen met het woord, niet met het zwaard, in navolging van God als schepper. Het draait om heiligheid in plaats van machtsvertoon, bescherming van de zwakke en eerbied voor het leven. De lotsverbondenheid van Israël en het land vormt een afspiegeling van de lotsverbondenheid van mens en aarde in het scheppingsverhaal. Leestip: Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, Hemels Groen. Nieuw licht op duurzaamheid als Bijbels thema (Haarlem 2024), hoofdstukken 1 en 2.  

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Verdieping bij thema’s 

Inspiratie in video en tekst

Ter inspiratie: God en mens … en sabbat!  

God is de eerste die we ontmoeten in de Bijbel. Dit boek gaat over Hem. En vanaf het begin is het duidelijk dat God anders is dan alle andere goden. In de tijd van de Bijbel was schepping verbonden met strijd. In allerlei scheppingsverhalen lezen we dat de weg voor een leefbare hemel en aarde pas vrij is als de schepper-god de kwade machten heeft vernietigd. Schepping en overwinning gaan hand in hand. In Genesis is dat anders. God schept niet met het zwaard, maar met het woord. De God die je in dit boek ontmoet, is anders. En wat deze God van ons vraagt is ook heel anders dan wat op aarde gebruikelijk is.  

Als God hemel, zee en aarde heeft ingericht, en de planten en de dieren gemaakt heeft, schept God als laatste de mens. Al het voorgaande werd geschapen ‘naar zijn soort’, in heel zijn soortenrijkdom. De mens wordt gemaakt als Gods evenbeeld. De mens – man en vrouw – is het schepsel dat lijkt op God zelf. Dat hangt samen met de taak van de mens om te heersen over al het leven op aarde.  

Eeuwenlang las men dit met vanzelfsprekendheid. Tegenwoordig geeft deze tekst je wellicht een ongemakkelijk gevoel, de mens is nu immers juist een bedreiging voor het leven op aarde geworden. Maar díé vorm van heersen, die de aarde uitbuit en diersoorten uitroeit, is beslist niet waar Genesis 1 toe oproept. We moeten bedenken: als God in Genesis 1 schept zonder strijd, dan zegt dat iets over het heersen van de mens dat God voor ogen heeft. Ook dat is heersen zonder machtsvertoon en wapengekletter. Onderdrukking en uitbuiting is er al genoeg op aarde. Het Bijbelse scheppingsverhaal toont een alternatief: heersen zonder strijd.  

De tekst is namelijk niet klaar. Op de zesde dag volgt de zevende, en die zevende dag hoort er onlosmakelijk bij. De zevende dag is het hoogtepunt. De mens is weliswaar het topstuk van Gods scheppingsdaden, maar de zevende dag is de kroon op de schepping. De zevende dag wordt als enige geheiligd. Daarmee vormt de zevende dag, de sabbat, het oriëntatiepunt voor al het leven op aarde.  

Zoals vaak in de Bijbelse teksten valt aan het einde alles op zijn plaats. Het heersen van de mens staat niet op zichzelf, maar staat in dienst van de sabbatsorde. Heersen is niet naar eigen inzicht en voor eigen gewin bepalen, maar juist zorgen dat het leven op aarde verloopt volgens Gods heilige orde. Dan komt alles tot bloei, tot heil van mens, dier en land. Zo geeft Genesis 1:1-2:3 een schitterende blauwdruk van het leven vanuit Gods perspectief.  

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons