9Als ik denk: Ik wil Hem niet meer noemen,
niet meer spreken in zijn naam,
dan laait er in mijn hart een vuur op,
dan brandt het in mijn gebeente.
Ik doe moeite om het in bedwang te houden,
maar ik kan het niet.
‘Lucht en leegte, alles is leegte,’ luidt het beroemde begin van het boekje Prediker. En zo eindigt het ook. Is hij een somberman, een pessimist? Niets is minder waar. Als een onderzoeker die na gedegen studie tot een conclusie komt, schrijft hij: ‘Ik heb vastgesteld dat er voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten’
God is niet fair. Hij steekt een spaak in het almaar tollende wiel van ons voor-wat-hoort-wat denken. Hij is onuitputtelijk en wil niets liever dan dat we Hem beroven en zijn goedheid uitdelen. Dat is wat die frauderende rentmeester ons leert.
Jobs tegenspoed is spreekwoordelijk. Zijn kinderen kwamen om, zijn knechten waren dood, zijn vrouw riep ten einde raad: ‘Vervloek God, en sterf!’ Zittend in stof en vuil, probeert hij met een potscherf de ellende van zich af te schrapen. Wat Job krombuigt tot een vraagteken, is het raadsel: 'Waarom moet juist míj, een goed en rechtvaardig mens, dit allemaal overkomen?'
Het woordje ‘hel’ roept bij mij direct visioenen op van schroeiend vuur of, zoals in de Goddelijke komedie van Dante, diepe vrieskou. Ook moet ik denken aan de gelijkenis uit Matteüs 22:1-14, die eindigt met de zin: ‘Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren’. Oei, ben ik wel uitverkoren?