Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

(Kruis)hout? Xulon in Handelingen 5:30 en 1 Petrus 2:24

In Met Andere Woorden 40/2 gingen Andries Knevel en Cor Hoogerwerf met elkaar in discussie over de revisie van 1 Petrus 2:24. In zijn bijdrage wierp Andries Knevel de vraag op waarom xulon, ‘hout’, met ‘kruishout’ wordt vertaald. Cor Hoogerwerf ging in zijn weerwoord niet specifiek in op de vraag waarom het woord xulon met ‘kruishout’ wordt vertaald. Ik pleit voor de vertaling ‘hout’ of ‘boom’ in 1 Petrus 2:24 en de andere passages waar de NBV21 xulon vertaalt als ‘kruishout’, Handelingen 5:30, 10:39 en 13:29.

Samenvatting
In dit artikel wordt betoogd dat de vertaling van xulon met ‘kruishout’ in Handelingen 5:30, 10:39, 13:29 en 1 Petrus 2:24 niet passend is. Xulon kun je in deze passages beter met ‘hout’ of zelfs ‘boom’ vertalen. Ten eerste omdat in eerdere Griekse literatuur xulon niet als kruisigingsterm voorkomt, ten tweede omdat xulon verwijst naar Deuteronomium 21:23 en daarom primair de associatie oproept met de vloek die op een gehangene rust. In Deuteronomium is geen sprake van ‘kruishout’, maar van een generiekere term: ‘hout’ of ‘boom’. Bij het gebruik van xulon in het Nieuwe Testament ligt de focus niet op de gruwelijke manier, maar op de betekenis van de kruisiging. Over kruisiging werd terughoudend gesproken. Dit kan weerspiegeld worden door het woord xulon te vertalen met ‘hout’ of ‘boom’.

De vertaling ‘kruishout’ – ongewijzigd ten opzichte van de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 – is niet nieuw maar sluit aan bij eerdere vertalingen zoals de Willibrordvertaling (1975) en de Groot Nieuws Bijbel. De NBG-vertaling 1951, de Statenvertaling (1977) en de Naardense Bijbel vertalen in alle gevallen met ‘hout’. De Herziene Statenvertaling heeft één uitzondering waar ‘kruis’ is toegevoegd aan ‘hout’ (Handelingen 5:30). De herziene Willibrordvertaling (1995/2012) vertaalt xulon in Handelingen steeds met ‘kruis’, en in 1 Petrus 2:24 met ‘kruishout’.

Maar het probleem is dat xulon geen deel uitmaakt van kruisigingsterminologie! Dat zal ik in dit artikel eerst laten zien. Vervolgens beschrijf ik de kruisigingsterminologie die wel aanwezig is in het Nieuwe Testament. Daarna bespreek ik de zeer negatieve waardering van de kruisiging, met als uitzondering Paulus, die de kruisiging van Jezus juist positief waardeert. Vervolgens keer ik terug naar Handelingen en 1 Petrus, om af te sluiten met enkele conclusies.

Xulon vóór het nieuwtestamentische gebruik

Xulon kan onder meer ‘hout’, ‘paal’, ‘knuppel’ of ‘boom’ betekenen, en wordt in de tijd vóór het Nieuwe Testament slechts een enkele keer gebruikt om een houten voorwerp aan te duiden waaraan iemand levend wordt opgehangen, en dat alleen in de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Bijbelboek Ester (Ester 5:14; 6:4; 7:10; 8:7). Daar is xulon een vrij letterlijke vertaling van ‘hangen aan een boom’. Als er wordt gesproken over het ophangen van een lijk, wordt er ook xulon gebruikt (Genesis 40:19; Deuteronomium 21:22-23; Jozua 8:29 en 10:26). In het Hebreeuws lezen we steeds eets, dat vooral ‘boom’ of ‘(iets van) hout’ betekent. Het is boeiend dat de NBV21 dit bijvoorbeeld in Deuteronomium 21:22-23 met ‘paal’ vertaalt:

Diverse voorschriften

22Als iemand een misdrijf heeft gepleegd waarop de doodstraf staat, en u hangt hem na voltrekking van het vonnis op aan een paal, 23dan moet u zijn lijk voor het einde van de dag begraven en het daar niet ’s nachts nog laten hangen; anders maakt u het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied geeft onrein. Want op een gehangene rust Gods vloek.

Deuteronomium 21:22-23NBV21Open in de Bijbel

Alleen bij Genesis 40:19, Deuteronomium 21:22-23, Jozua 8:29 en 10:2, Ester 5:14, 6:4, 7:10 en 8:7 wordt in de woordenboeken voorgesteld eets met ‘paal’ te vertalen. Daarmee geven zij een zeer specifieke interpretatie van eets als een werktuig dat dienstdeed bij executies. Overigens vertaalt de NBV21 eets in Jozua wel met ‘boom’, wellicht omdat het lastig voorstelbaar is dat Jozua tijdens zijn veldtochten een hele executie-installatie meesleepte. Vanzelfsprekend kan in geen van deze teksten een Romeinse kruisiging bedoeld zijn; ze zijn vóór de tijd van de Romeinse overheersing geschreven.

De Griekse vertaling van de bovengenoemde oudtestamentische passages geeft overal xulon weer. Het werkwoord dat we daarbij vinden is kremannumi, ‘hangen’ (d.w.z. ‘aan een boom/hout hangen’; Hebreeuws: tala). Als het gaat om buiten-Bijbelse Griekse bronnen zien we dat Philo (ongeveer 20 v.Chr.-50 n.Chr.) eenmaal kremannumi en xulon bij elkaar gebruikt, maar dat is in een citaat uit Deuteronomium 21:23. Philo gebruikt nog wel een ander werkwoord bij xulon om een post mortem- ophanging aan te duiden, namelijk prosēloō, ‘nagelen/vastspijkeren’, maar in die gevallen gaat het om spietsen, niet om kruisiging.

Het gebruik van stauros voor ‘kruis’ (voor Romeinse kruisiging) is in de buiten-Bijbelse literatuur zeer gebruikelijk, maar het zelfstandig naamwoord xulon helemaal niet.

Kruisigingsterminologie in het Nieuwe Testament

Er komen in het Nieuwe Testament verschillende woorden voor die met kruisigen samenhangen. Doorgaans ligt aan het werkwoord ‘kruisigen’ in het Nieuwe Testament het woord stauroō ten grondslag: bij Paulus acht keer, bij Matteüs tien keer, bij Marcus acht keer, bij Lucas zes keer, bij Johannes elf keer, in Handelingen twee keer en in Openbaring één keer. We vinden ook de variaties anastauroō (‘wederom kruisigen’) in Hebreeën 6:6 en sustauroō (‘samen kruisigen’) in Marcus 15:32 (parallellen in Matteüs 27:44 en Johannes 18:32), Romeinen 6:6 en Galaten 2:19.

Slechts eenmaal vinden we het werkwoord prosēloō (‘nagelen’) in het Nieuwe Testament. In Kolossenzen 2:14 vinden we het samen met het zelfstandig naamwoord stauros. Het zelfstandig naamwoord stauros, dat in het Grieks standaard voor ‘kruis’ wordt gebruikt als het om Romeinse kruisiging gaat (vertaling van zowel crux als patibulum – de dwarsbalk) komt zevenentwintig keer voor in het Nieuwe Testament; zestien keer in de evangeliën (vijf keer bij Matteüs, vier keer bij Marcus en Johannes, drie keer bij Lucas), tien keer bij Paulus en één keer in Hebreeën; het komt niet in Handelingen voor, en ook niet in 1 Petrus.

Het werkwoord kremannumi, ‘hangen’ komt in het Nieuwe Testament zeven keer voor, maar alleen in Lucas 23:39, Handelingen 5:30, 10:39 en Galaten 3:13 wordt dit werkwoord met executie in verband gebracht. In Galaten 3:13 betreft het een citaat uit Deuteronomium 21:23. In drie van deze vier passages is xulon te vinden. Alleen in Lucas 23:39 wordt het zelfstandig gebruikt om de twee misdadigers te duiden, maar daar is meer aan de hand. Ik kom daarop terug.

Paulus is de enige nieuwtestamentische schrijver die zonder terughoudendheid ‘klassieke’ kruisigingsterminologie gebruikt om Jezus’ dood te beschrijven: het veelvuldig gebruik van het zelfstandig naamwoord stauros (tien keer) en het werkwoord stauroō (acht keer) laat dat zien. Paulus gebruikt het woord xulon in zijn brieven slechts tweemaal: eenmaal in Galaten 3:13, waarin het voorkomt in het citaat uit Deuteronomium 21:23, en de andere keer in 1 Korintiërs 3:12: ‘Maar op dat fundament kan verder worden gebouwd met goud, zilver en edelstenen óf met hout, hooi en stro.’

Hoewel het lijden, sterven en de dood van Jezus veel aandacht krijgen in de evangeliën, wordt de kruisiging zelf maar summier benoemd, bijvoorbeeld Marcus 15:24: ‘Ze kruisigden Hem’ of Johannes 19:18: ‘Daar kruisigden ze Hem.’

Gehangen aan het hout: schaamte?

In de Joodse perceptie van kruisiging speelde Deuteronomium 21:22-23 een grote rol. Zo heeft David W. Chapman laten zien dat er intertestamentaire en vroegrabbijnse bronnen zijn die stellen dat de Romeinse kruisiging werd gezien door de bril van Deuteronomium 21:23: de gekruisigde was vervloekt. Dit komt ook veelvuldig terug in latere (al dan niet waargebeurde) discussies tussen Joden en christenen.

Paulus schaamt zich niet voor een gekruisigde messias en merkt terecht op dat de boodschap van de gekruisigde voor een Jood een struikelblok en voor een Griek dwaas was (1 Korintiërs 1:23). Voor de Jood was iemand die door kruisiging als ‘door God vervloekt’ werd gezien, onmogelijk te combineren met de gedachte dat deze persoon Gods gezalfde zou zijn. Paulus’ positieve kruisigingshermeneutiek is uitzonderlijk en hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan zijn ontmoeting met de levende Jezus, waardoor hij zijn visie op Jezus’ kruisdood theologisch compleet moest herzien.

In het algemeen was er daarentegen een tendens om kruisiging niet of anders te noemen als dat kon. Dat had met schaamte te maken. Antieke Joodse schrijvers deden bijvoorbeeld hun uiterste best om kruisiging van Joden te minimaliseren vanwege de schaamte, gruwel en de vervloeking door God die bij kruisiging hoorde. De eerste-eeuwse Joodse geschiedschrijver Josephus gebruikt alleen het woord stauros als er ‘vijanden’ (zoals misdadigers) gekruisigd worden. Als het om personen gaat die hij bewondert, wordt het zelfstandig naamwoord niet gebruikt. Josephus gebruikt een scala aan werkwoorden om ophanging te beschrijven, maar daarmee is het vaak onduidelijk of het om post mortem-ophanging, kruisiging of een ander soort executie gaat. Tom Holmén heeft in 2017 laten zien dat er door Joodse schrijvers geen positieve waardering aan de kruisiging van Joden wordt gegeven: een positieve kruisigingshermeneutiek ontbreekt. Holmén laat ook zien dat er bij andere vormen van executie regelmatig nog iets positiefs wordt gezegd over de manier van sterven. Een gekruisigde werd dus zeker gezien als vervloekt.

Ook in de Romeinse wereld was er afschuw voor kruisiging. Zo noemde men deze straf vaak het servile supplicium, de ‘slavenstraf’ (Romeinse burgers konden weliswaar de doodstraf krijgen, maar niet door kruisiging; dat was ‘barbaars’).

De vertaling van xulon in Handelingen en 1 Petrus

Hoe zit het dan nu met de vertaling van xulon in Handelingen 5:30, 10:39, 13:29 en 1 Petrus 2:24? Allereerst wil ik wat licht werpen op de passages in kwestie. In Handelingen 5:30 en 10:39 is Petrus aan het woord, respectievelijk tegen het Sanhedrin en Cornelius en zijn huisgenoten. Handelingen 13:29 is onderdeel van een redevoering van Paulus in een synagoge in Pisidisch Antiochië. De brief 1 Petrus is geschreven ‘[a]an de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven’. In al deze passages wordt naar Jezus’ dood verwezen:

30De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u Hem had vermoord door Hem aan een kruishout te hangen.

Handelingen 5:30NBV21Open in de Bijbel

39Wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem. Zeker, ze hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen,

Handelingen 10:39NBV21Open in de Bijbel

29Toen ze alles ten uitvoer hadden gebracht wat er over Hem geschreven staat, haalden ze Hem van het kruishout en legden Hem in een graf.

Handelingen 13:29NBV21Open in de Bijbel

24Hij heeft onze zonden gedragen met zijn lichaam aan het kruishout, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen.

1 Petrus 2:24NBV21Open in de Bijbel

Termen over Jezus’ dood

Welke andere termen worden er in Handelingen en in 1 Petrus gebruikt om naar Jezus’ dood te verwijzen? In Handelingen ontbreekt het woord stauros. Hoewel Jezus’ dood vaak genoemd wordt, komt het werkwoord stauroō slechts tweemaal voor (Handelingen 2:36 en 4:10). Verder wordt Jezus’ dood beschreven met de werkwoorden anairō ‘doden’ (Handelingen 2:23; 10:39; 13:28), apokteinō ‘doden’ (Handelingen 3:15; 7:52), paschō ‘lijden’ (Handelingen 1:3, NBV21: ‘lijden en dood’; 3:18; 17:3, NBV21: ‘lijden en sterven’) en met het zelfstandig naamwoord thanatos ‘dood’ (Handelingen 2:24). In Handelingen 2:23 wordt ook het werkwoord prospēgnumi, ‘nagelen’, gebruikt, dat het werkwoord ‘doden’ verder invult: ‘… hebben jullie Hem door goddeloze handen met nagels gedood’. De NBV21 heeft hier ‘… hebt u door goddelozen laten kruisigen en doden’. Maar prospēgnumi is helemaal geen equivalent van kruisigen, het is een veel algemenere term waarbij iemand aan iets anders wordt vastgespijkerd.13 In Handelingen wordt dus bijzonder weinig ‘klassieke’ kruisigingsterminologie gebruikt.

Iets dergelijks geldt voor het Lucasevangelie – ik ga ervan uit dat beide boeken door één schrijver zijn geschreven. Hierboven heb ik laten zien dat Lucas het minst van alle evangelisten de woorden stauros en stauroō gebruikt. In Lucas 23:39 verandert hij Marcus’ aanduiding van de misdadigers als ‘medegekruisigden’ (Marcus 15:32) in ‘(op)gehangenen’ (het werkwoord kremannumi). Eerder verandert Lucas het werkwoord ‘kruisigen’ in ‘doden’, waar Marcus en Matteüs wél stauroō hebben (Lucas 23:32 tegenover Marcus 15:27 en Matteüs 27:38), en drie keer laat hij het weg (Lucas 23:25, 26 tegenover Marcus 15:15, 20, 25; Lucas neemt ook stauros niet over uit Marcus 15:30 en 32). De drie keer dat Lucas stauros gebruikt (Lucas 9:23; 14:27; 23:26), gaat het steeds om het dragen van het kruis. De conclusie ligt voor de hand dat Lucas net als andere schrijvers uit zijn tijd de negatieve connotaties die kruisiging met zich meebracht liet doorwerken in zijn woordkeuze.

Een verklaring voor Lucas’ kruisigingsterminologie

Nu kan de vraag rijzen: waarom gebruikt Lucas alsnog kruisigingsterminologie als hij deze in de regel liever vermijdt? Dit kan als volgt verklaard worden. Jon A. Weatherly heeft aangetoond dat Lucas zowel in het evangelie als in Handelingen de ‘Jeruzalemmers’ (leiders en volk) verantwoordelijk houdt voor de dood van Jezus.14 Als Lucas het werkwoord ‘kruisigen’ zelf kiest, gaat het om ‘de hogepriesters en de leiders en het volk’ (Lucas 23:13, 21; vgl. Marcus 15:13) of ‘hogepriesters en leiders’ (Lucas 24:20). Hetzelfde geldt voor Handelingen: de twee passages waarin stauroō (Handelingen 2:36; 4:10) en de drie waarin (kremannumi en) xulon worden gebruikt (Handelingen 5:30; 10:39 en 13:29), wijzen alle op de verantwoordelijkheid van Jeruzalem in Jezus’ dood, en wel primair op die van de leiders. (Petrus is tegenover het gewone volk milder, zie Handelingen 3:13b-17.)

De keuze voor ‘kruisigen’ in Handelingen 2:36 en 4:10 kan vanuit het retorische effect van deze passages worden verklaard. De formulering is identiek (hon humeis estaurōsate) en het is daarom het beste ze in samenhang te verklaren. De toespraak van Petrus tijdens het pinksterfeest is voor heel het boek Handelingen programmatisch en stelt de belangrijkste thema’s in heldere taal aan de orde. De harde beschuldiging dat de Jeruzalemmers de man die God tot Heer en messias heeft aangesteld, hebben gekruisigd, leidt tot een opvallend heftige reactie die correspondeert met de beschuldiging. De toehoorders onderbreken de toespraak omdat ze diep getroffen zijn en vragen wat ze moeten doen (Handelingen 2:36-37). Kruisigingsterminologie is hier retorisch effectief: het schept een gruwelijk contrast tussen het handelen van de Joden aldaar en Gods keuze voor Jezus. Dezelfde beschuldiging wordt in Handelingen 4:10 herhaald richting de Joodse leiders. De leiders worden hier neergezet als brute tirannen met wie de apostelen de confrontatie aangaan (zie ook het gebed verderop in Handelingen 4). Ook hier past harde, onverbloemde taal. Voor Lucas is deze terminologie dus geen neutrale optie, hij zet die op uitgekiende momenten in.

De betekenis van ‘aan een xulon hangen’

De frase ‘aan een xulon hangen’ in Handelingen 5:30 en 10:39 en ‘van de xulon nemen’ in Handelingen 13:29 nemen een tussenpositie in tussen de onverbloemde kruisigingstaal en de algemenere omschrijvingen van de moord op Jezus. In de Joodse traditie was kruisiging al met deze woorden uit Deuteronomium verbonden. Je zou kunnen zeggen dat Lucas, zoals wel vaker, naast de Griekse terminologie (in dit geval voor ‘kruisigen’) ook Joodse terminologie gebruikt.

Verder functioneren deze uitspraken vrijwel hetzelfde als de kruisigingsuitspraken en de algemenere uitspraken over Jezus’ dood. Maar als het klopt dat Lucas, zeker in Handelingen, terughoudend is met kruisigingsterminologie, had de frase uit Deuteronomium als voordeel dat die indirecter en versluierender is over de aard van de dood, maar directer over de betekenis ervan, namelijk dat men Jezus verstoten heeft in de sfeer van de vloek. Hier is het schokkende dan niet zozeer de afschuwelijke dood, maar de afschuwelijke betekenis. Ook dit is een harde beschuldiging, maar de focus ligt net anders.

Termen over Jezus’ dood in 1 Petrus

Voor 1 Petrus 2:24 geldt er iets soortgelijks als in Handelingen. Jezus’ dood wordt beschreven met ‘dat Christus zou lijden’ (1 Petrus 1:11), ‘het kostbare bloed van Christus’ (1 Petrus 1:19) en ‘naar het lichaam werd Hij gedood’ (1 Petrus 3:18). Dat zijn wel sterke uitdrukkingen, maar waarom ‘kruisigen’ (stauroō) of ‘kruis’ (stauros) vermijden? Omdat op kruisiging zo’n taboe lag. Je zou dus kunnen zeggen dat men in de regel kruisigingsterminologie vermeed. Die was te hard en had te gruwelijke connotaties. Tegelijk is het betekenisvol om in dit gedeelte te verwijzen naar de vloek uit Deuteronomium 21:23, omdat het helemaal in de verwijzingen naar de lijdende dienaar van Jesaja 53 past: Jezus was niet vanwege zijn eigen zonden vervloekt terwijl Hij dat volgens de wet wel zou zijn, maar Hij droeg onze zonden aan het kruis (1 Petrus 2:24). Dát is het plaatsvervangende aspect dat in de gehele perikoop van 1 Petrus 2:21-25 zo sterk naar voren komt. Door xulon hier te gebruiken wordt er naar die extra betekenislaag verwezen. De manier van executie (kruisiging) is hier niet zo relevant, wel de betekenis ervan.

Conclusie

Dit alles geeft dus reden om op te passen met kruisigingsterminologie in vertalingen en om goed op te letten welke termen er worden gebruikt en waarom. Reden om terughoudend te zijn in de vertaling van in het bijzonder xulon (en ook van kremannumi in Lucas 23:39). Maar hoe zou je xulon dan wel het beste kunnen vertalen?

Het moge duidelijk zijn dat ik de vertaling ‘kruis’, die de Willibrordvertaling (1995/2012) in Handelingen heeft, niet acceptabel vind. Ook ‘paal’ of ‘balk’ is geen goede optie, want dat is te specifiek, hoewel de NBV21 het Hebreeuwse eets in Deuteronomium 21:22-23 wel met ‘paal’ heeft vertaald. ‘Paal’ en ‘balk’ doen denken aan een enkele houten staak, terwijl dat zeker niet altijd het geval was. Bij Romeinse kruisigingen gebruikte men twee houten balken. Zowel het Hebreeuws als het Grieks gebruiken met eets en xulon generiekere termen als het gaat om executie waarbij iets van hout aanwezig is.

Een generiekere term als ‘hout’, zoals vele voorgaande vertalingen dat hadden (zie de inleiding), is veel meer op zijn plaats. Die term is misschien semantisch niet specifiek, maar dat is precies de connotatie die eets en xulon oproepen.

De vertaling ‘boom’ zou ook nog kunnen, maar dat is wel specifieker. Deze vertaling zou het voor de huidige lezer wel duidelijk maken dat er iets aan de hand is. Om de verbinding met Deuteronomium te leggen, zou je eets ook daar met ‘boom’ moeten vertalen, net zoals in Jozua 8:29 en 10:26 al staat. Achter deze twee teksten uit Jozua schuilt ook Deuteronomium 21:23, wat te zien is aan het expliciete neerhalen (en begraven) van de lichamen voor zonsondergang.

Als je denkt aan de gruwel en schaamte die kruisiging opriep, alsmede aan de betekenis van kruisiging – de vloek die op een gehangene rust volgens Deuteronomium 21:23 – lijkt het erop dat de eerste christenen, zowel Jood als niet-Jood, zich niet altijd raad wisten met de kruisiging van Jezus. Vroegchristelijke bronnen lijken terughoudend te zijn met kruisigingsterminologie. Misschien wordt die terughoudendheid en dat ongemak zichtbaarder door xulon te vertalen met ‘hout’ of ‘boom’.

Ruben van Wingerden MA is promovendus Nieuwe Testament en Vroeg Christendom aan de Tilburg University.

Bronvermelding

Ruben van Wingerden, '(Kruis)hout? Xulon in Handelingen 5:30 en 1 Petrus 2:24' in: Met Andere Woorden 42/1 (april 2023), 27-35.

Geraadpleegde literatuur

  • David W. Chapman, Ancient Jewish and Christian Perceptions of Crucifixion, Tübingen 2008.
  • John Granger Cook, Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen 20192.
  • Mark T. Finney, ‘Servile Supplicium. Shame and the Deuteronomic Curse – Crucifixion in Its Cultural Context’ in: Biblical Theology Bulletin 43 (2013), 124-134.
  • Tom Holmén, ‘Crucifixion Hermeneutics in Judaism at the Time of Jesus’ in: Journal for the Study of the Historical Jesus 14 (2017), 197-222.
  • Cor Hoogerwerf, ‘1 Petrus 2:24 onder revisie’ in: Met Andere Woorden 40/2 (oktober 2021), 82-85.
  • Andries Knevel, ‘De proef op de som: 1 Petrus 2:24 bekeken’ in: Met Andere Woorden 40/2 (oktober 2021), 80-81.
  • Gunar Samuelsson, Crucifixion in Antiquity, Tübingen 20132.
  • Jon A. Weatherly, Jewish Responsibility for the Death of Jesus in Luke-Acts, Sheffield 1994.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.12
Volg ons