Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Een briefwisseling over homoseksualiteit (3)

Respectvol luisteren naar de ander, ook als die met een open Bijbel tot een andere visie komt dan jij – kunnen we dat nog, nu de conflicten vaak zo hoog oplopen? We vroegen twee mensen om het te proberen. Theoloog en docent semitische talen Wolter Rose opent de derde ronde van deze briefwisseling over homoseksualiteit en homoseksuele liefdesrelaties. Mariecke van den Berg, bijzonder hoogleraar Feminisme en christendom, sluit de briefwisseling af.

Hoe queer ben ik eigenlijk?

Wolter Rose

Beste Mariecke,

‘Vaak bekruipt mij het gevoel dat hij meer queer was dan hij en ik in eerste instantie dachten,’ schreef je in je eerste brief over je opa. In deze brief stel ik mijzelf de vraag: hoe queer ben ik eigenlijk? Laat ik beginnen met te zeggen dat queertheorie voor mij grotendeels een nog onontgonnen terrein is. De veelheid aan aspecten en invalshoeken maken mij onzeker: ik weet nog zo weinig. Wel zijn er dingen uit queertheorie die mij aanspreken. Dan denk ik in de eerste plaats aan de Amerikaanse literatuurwetenschapper Eve Sedgwick. Van haar heb ik twee dingen geleerd.

Een nieuwe tweedeling

In de eerste plaats heb ik geleerd van de duiding door Sedgwick van wat er gebeurt bij de intrede van het woord homoseksueel in het Euro-Amerikaanse discours in het laatste derde deel van de negentiende eeuw. Ze constateert ‘dat de seksuele gedragingen, en zelfs voor sommige mensen de bewuste identiteiten, aangeduid met de nieuwe term “homoseksueel” en zijn hedendaagse varianten al een lange, rijke geschiedenis hadden’.

Volgens Sedgwick zit het nieuwe van de intrede van het woord homoseksueel hierin dat er in Westerse samenlevingen een nieuwe tweedeling ontstaat binnen de mensheid: ‘Wat wel nieuw was vanaf de eeuwwisseling, was het op zo’n manier in kaart brengen van de wereld dat ieder persoon, net zoals hij of zij noodzakelijkerwijs toewijsbaar was aan een mannelijk of een vrouwelijk geslacht, nu noodzakelijkerwijs ook toewijsbaar werd geacht aan een homo- of heteroseksualiteit.’ Gevolg van die tweedeling is volgens Sedgwick ‘een binair gemaakte identiteit, die vol zit met implicaties, hoe verwarrend ook, voor zelfs de ogenschijnlijk minst seksuele aspecten van het persoonlijke bestaan’.

Homoseksualiteit zoals wij die vandaag kennen

In de tweede plaats heb ik geleerd van de kritiek die Sedgwick formuleert op de in haar tijd gebruikelijke uniforme beeldvorming van ‘homoseksualiteit zoals wij die vandaag kennen’. Daarmee wordt volgens haar geen recht gedaan aan ‘de krachtige incoherenties van de homo-/heteroseksuele definitie.’ Het woord homoseksualiteit werd in 1868 uitgevonden door de Oostenrijks-Hongaarse publicist Karl Kertbeny. In de inmiddels ruim honderdvijftig jaar sinds 1868 is het begrip op uiteenlopende manieren ingevuld en zijn er verschillende verschijnselen in ondergebracht.

Tegen die achtergrond overdrijft Sedgwick niet wanneer zij stelt dat er bij homoseksualiteit sprake is van een ‘onberedeneerd naast elkaar bestaan van verschillende modellen’, een ruimte van ‘overlappende, tegenstrijdige en onverenigbare definitie-krachten’. Als ik het goed begrijp heeft Sedgwick met deze waarneming ook een nieuw impuls gegeven aan het wetenschappelijke debat over de geschiedschrijving van (homo)seksualiteit. Iemands visie op homoseksualiteit in het heden bepaalt voor een deel de beeldvorming van het verleden.

Affecttheorie

Ik zou er meer in willen verdiepen, dus ik kan het alleen maar aanstippen: ik vind het interessant te zien dat theologen binnen de theologische traditie waarin ik mij het meest thuis voel (die van de protestantse Reformatie) zich laten inspireren door queertheorie. Zo doet Simeon Zahl een beroep op affecttheorie, een tak van queertheorie mede ontwikkeld door Eve Sedgwick in een nieuwe doordenking van het thema 'de Heilige Geest en christelijke ervaring'.

Mariecke, je schrijft over de ontroering die je ervaart bij het zoeken naar ‘queer voorouders’ en vergelijkt die met mijn ontroering wanneer Jezus het opneemt voor mensen die niet getrouwd zijn. Ik vraag me af of er wat die queer voorouders betreft nog een ander raakvlak is aan te wijzen. Misschien loopt er een lijn tussen wat ik schreef over Gods glorie en de door jou genoemde personages ‘die op de één of andere manier niet goed pasten binnen toen geldende normen van heteroseksualiteit of gender.’ Daarvoor moet ik het perspectief wel iets breder maken dan seksualiteit en gender.

JHWH’s aandacht en zorg

Dan denk ik aan het besef dat JHWH, de God van Israël, volgens het Oude Testament oog heeft voor mensen die om uiteenlopende redenen niet passen in het plaatje dat in hun samenleving gold van succes of geluk. De bidder in Psalm 113 zet van die voorwerpen van JHWH’s aandacht en zorg twee voorbeelden naast elkaar, eerst een sociale categorie: ‘wie berooid is (…) alles ontbeert’, daarna een gender-categorie: ‘de onvruchtbare vrouw’ (Ps. 113:7-9). De verbinding met Jhwh’s glorie wordt duidelijk uit de voorafgaande verzen, misschien wel de meest beknopte samenvattende beschrijving van JHWH’s glorie. Zo’n zelfde verbinding tussen JHWH’s glorie en zijn aandacht en zorg voor mensen in de marge van de samenleving vind je ook in andere psalmen (Ps. 102:20-21; 138:6, WV).

Niet vrijblijvend

Op deze manier JHWH’s glorie ‘zien’ is niet zomaar een vrijblijvende vrome bespiegeling. De bedoelde reactie is tweeledig: aanbidding en handelen. Dat is wat Mozes eeuwen eerder al had voorgehouden aan het volk Israël toen het op de drempel van het beloofde land stond. Eerst beschrijft hij JHWH’s glorie in superlatieven (Deut. 10:17a), vervolgens wijst hij op JHWH’s onpartijdigheid, zijn rechtsbijstand voor ‘weduwen en wezen’, en zijn praktische zorg voor ‘vreemdelingen’ (10:17b-18). Dan volgt de ’toepassing’: ‘Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte’ (10:19).

Een streep door een tweedeling

Als een van de kenmerken van queertheorie het onder kritiek stellen van tweedelingen is, dan kan ik misschien nog een raakvlak aanwijzen. Gods glorie, zijn ultieme grootheid, ‘zien’ resulteert ook in het besef dat er een andere kant van de medaille is. Vanuit het perspectief van het evangelie van God ‘over zijn Zoon’ zoals Paulus het uitlegt (Rom. 1-3), hoort geen enkel mens thuis in het plaatje ‘succes en geluk’ dat ik eerder noemde.

De mensheid is niet in te delen in twee categorieën: goede mensen en slechte mensen. Volgens Paulus is er op dit punt geen onderscheid: ‘iedereen heeft gezondigd en ontbeert de »glorie« van God’ (Rom. 3:22-23, NBV21: ‘nabijheid’; vgl. WV). Paulus zet een streep door een tweedeling die mensen in allerlei culturen aldoor weer maken: ‘wij’ de goede mensen, ‘zij’ de slechte mensen. We staan met z’n allen aan de verkeerde kant van de geschiedenis, of zou Paulus misschien zeggen: aan de verkeerde kant van de eeuwigheid.

Mariecke, als het doorbreken van deze tweedeling een raakvlak met queer theorie heeft, mag je mij ‘queer’ noemen. Ik neem nu afscheid, maar hopelijk komen we elkaar nog eens weer tegen.

Een hartelijke groet,

Wolter

Dr. Wolter Rose is hoofddocent semitische talen en culturen aan de Theologische Universiteit Kampen|Utrecht.

Puinruimen

Mariecke van den Berg

Beste Wolter,

Dankjewel voor jouw derde brief, die ik met veel interesse heb gelezen. Het werk van Eve Sedgwick leerde ik kennen toen ik genderstudies studeerde, vooral haar boek Epistemology of the Closet, en ik vind het leuk om haar hier te zien opduiken, in onze briefwisseling. Haar werk vormt een mooie aanleiding om, aan het slot van onze uitwisseling, na te denken over waar queer theorie en christelijk geloof elkaar raken of kunnen versterken. Dankjewel voor je suggesties hiervoor, die ik deels onderschrijf, maar waar ik ook nog enkele kanttekeningen bij plaats.

Voorbij de tweedelingen

Het punt dat jij aanhaalt, dat de tweedeling homo-hetero niet zo simpel ligt en eerder een tweedeling construeert dan benoemt, onderschrijf ik van harte. De ervaringen, gevoelens en voorkeuren van mensen laten zich meestal niet zo makkelijk vangen in een dergelijke tweedeling. Om maar een voorbeeld te noemen: veel mensen die zichzelf als heteroseksueel definiëren, zijn ook wel eens onder de indruk geweest van iemand van de eigen sekse. Of trekken toe naar films, muziek of kleding die we in onze cultuur als typisch ‘gay’ ervaren. En omgekeerd. Mensen maken hierin vaak door hun leven heen allerlei veranderingen door.

Het is niet voor niets dat queertheorie uiteindelijk graag afscheid wil nemen van identiteitscategorieën als ‘homo’, ‘lesbisch’ en ‘hetero’. Die zijn tijdelijk wel nodig en bruikbaar, bijvoorbeeld om een politiek statement te kunnen maken voor gelijke rechten voor seksuele en genderminderheden. Maar uiteindelijk gaat het binnen dit veld van studie om het kunnen aanwijzen en bevragen van de ‘definitiekrachten’ die jij ook al noemt. De vraag is dan niet wie in welke categorie past, maar waarom categorieën überhaupt in het leven worden geroepen, wie daarmee gediend is, wie juist niet, hoe het gebruik van categorieën het mogelijk maakt om invloed uit te oefenen, etc.

Niet langer mannelijk of vrouwelijk…

Ik denk dat je gelijk hebt dat queertheorie en christendom elkaar juist daar raken. Bijvoorbeeld in het welbekende vers uit Galaten 3:28, waar wij eraan worden herinnerd dat er in Christus niet langer sprake is van Jood of Griek, slaaf of vrij, mannelijk of vrouwelijk. Het is een vers dat in de queertheologie (en in de feministische theologie) van ongekend belang is. En queer denken en christelijk geloof naderen elkaar daar waar jij betoogt: in passages in de Bijbel waar een duidelijke voorkeur wordt uitgesproken voor degene die volgens de toen geldende tweedelingen aan de verkeerde kant eindigde. En in de oproep aan ons om ons met onze daden achter die voorkeur te scharen.

Het gaat niet om ‘de goeden’ en ‘de slechten

Ik merk een lichte aarzeling bij je argument dat de tweedeling tussen goede en slechte mensen wordt opgeheven door het feit dat we in het licht van Gods glorie uiteindelijk allemaal aan de ‘verkeerde kant’ staan. Die aarzeling heeft een aantal oorzaken.

In de eerste plaats wil ik benadrukken dat queertheorie niet gaat over een dergelijke indeling in goede en foute, of machtige en onderdrukte mensen. Je zegt dat zelf ook niet zo letterlijk, maar het is een indruk die uit je brief kan ontstaan. Het is eerder zo dat er binnen het queer denken wordt gezocht naar welke beelden, woorden, normen, maatschappelijke structuren, et cetera ons uitnodigen om een dergelijke tweedeling te accepteren. Queertheorie wil die tweedelingen, zoals gezegd, juist bevragen. En zal ook altijd vervolgvragen stellen: mensen die in een bepaald opzicht de dupe zijn van heersende normen (zoals LHBTIQ+ personen) zijn misschien in andere opzichten weer bevoorrecht, bijvoorbeeld omdat ze in een rijk land als Nederland wonen, of omdat ze wit zijn.

De opluchting van de erfzonde

In de tweede plaats merk ik dat het idee dat we allemaal aan de verkeerde kant staan (in zonde ontvangen en geneigd tot alle kwaad) wel even tot opluchting leidt, maar dat die opluchting ook van tijdelijke aard is. Eerst maar even die opluchting: die komt voort uit het feit dat ik dan dus ook geen schone schijn hoef op te houden, wat tot een zekere ontspanning leidt.

Laat ik daarvan een voorbeeld geven. Enkele jaren terug bracht Gloria Wekker, emeritus hoogleraar sociale en culturele antropologie, het boek Witte Onschuld uit. Daarin laat ze zien hoe witte mensen hun eigen aandeel in racisme vaak niet onder ogen willen zien. Bij het lezen van haar werk vond ik in de leer van de erfzonde een grote steun: natuurlijk hebben we als witte Nederlanders racistische ideeën overgeërfd: we hoeven dat niet te ontkennen en we mogen dat als uitgangspunt nemen om te onderzoeken hoe ons slavernijverleden doorwerkt in het heden, en wat er nodig is voor herstel. Het is dus een opluchting als je niet in de weerstand hoeft: je kunt gewoon beamen dat er iets grondig mis is en dat dat nodig is: excuses, herstel, verzoening.

Gereformeerde huiver

Mijn aarzeling zit hem erin dat ik denk dat er van die tweede stap, het nauwkeurig onderzoeken van die ‘verkeerde kant’ en het zelf werken aan herstel, meestal niet zoveel terechtkomt. Zeker niet in de gereformeerde traditie waarin ik me bevind, en waar ik vaak een zekere huiver bespeur voor mensen die zelf de handen uit de mouwen willen steken om aan de slag te gaan met herstel. Dat herstel moet immers van Christus komen: voor mensen is het voldoende om hun zondige staat te erkennen, zij kunnen niet zelf het koninkrijk op aarde brengen. Dit is wat zwart-wit gesteld, natuurlijk, maar reflecteert wel iets van de gereformeerde, misschien ook wel gewoon algemeen menselijke, reflex ten aanzien van het onder ogen zien van onrecht.

Soms ervaar ik dit soort verwijzingen naar de ‘verkeerde kant’ daarom, naast een opluchting, ook als een vorm van gemakzucht, of iets van een dooddoener. Want als we toch allemaal aan die verkeerde kant staan, en even zondig zijn voor God, dan is het niet meer zo nodig om ons echt vast te bijten in het afbreken van de structuren van uitsluiting die we hebben opgetuigd. Ik hoop dat ik het goed uitleg, maar wat ik dan zie gebeuren is dat de ‘verkeerde kant’ als theologische werkelijkheid het overneemt van de verkeerde kant als geleefde realiteit. En ons daarmee ontslaat van de plicht om ons in te spannen voor verandering.

Ten slotte, en dat is mijn derde reden om te aarzelen, vind ik dat we dan ook te makkelijk over het feit heenstappen dat de christelijke traditie zelf ook een heel belangrijk aandeel heeft in het creëren, in stand houden en verdedigen van diep ingesleten tweedelingen. Man en vrouw, bijvoorbeeld, christen en heiden, theoloog en leek. Dat heeft in het verleden veel ellende veroorzaakt en dat gaat nog steeds door, zeker nu behoudende christenen zich in toenemende mate profileren juist door tweedelingen van seksualiteit en gender sterk te benadrukken.

Puinruimen en restjestheologie

Mijn eigen bescheiden bijdrage aan de feministische theologie en queer theologie zie ik als puinruimen. Dan bedoel ik in de eerste plaats dat ik wil zoeken naar een plek voor al het verdriet dat onze behoefte aan tweedelingen heeft aangericht. In de tweede plaats zie ik puinruimen ook als een vorm van theologie. Eerder heb ik weleens gepleit voor een restjestheologie. Daarmee bedoel ik dat een denken in tweedelingen ook een zekere mate van 'restafval’ oplevert. Verhalen, personages, denkbeelden uit de Bijbel die niet lekker passen en die daarom terzijde zijn geschoven, in de vergetelheid geraakt. Ik vind het mooi om daar ‘reperative readings’ (ook een term van Sedgwick) op toe te passen: herstel door anders te lezen, het stof van die vergeten verhalen af te blazen en volop erkennen dat ze niet lekker passen en niet gemakkelijk lezen. Het afval van de traditie herwaarderen en ermee gaan bouwen.

Wolter, dankjewel voor onze briefwisseling. Het was niet altijd even makkelijk om elkaar te vinden, denk ik, maar ik ben blij dat we allebei de uitdaging zijn aangegaan en wil je bedanken dat je je inzichten met mij hebt willen delen. Het ga je goed!

Hartelijke groet,

Mariecke

Prof.dr. Mariecke van den Berg is universitair hoofddocent aan de faculteit Religie en Theologie van de VU in Amsterdam en bijzonder hoogleraar Feminisme en christendom aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Bronvermelding

Wolter Rose, 'Hoe queer ben ik eigenlijk?' in: Met Andere Woorden 42/online (5 juni 2023).

Mariecke van den Berg, 'Puinruimen' in: Met Andere Woorden 42/online (5 juni 2023).

Deze blog is geplaatst op 5 juni 2023.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.12
Volg ons