Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

2 Samuel 7:4-20 – Preekinspiratie

Waar gaat het om in dit gedeelte?

In 2 Samuel 7:4-20 wil David een huis voor God bouwen. Echter, God spreekt tot Natan en geeft hem een boodschap voor David. God wil niet dat David een huis voor Hem bouwt, dat mag Salomo doen. Maar God zal David zegenen en belooft hem een eeuwigdurend koninkrijk dat getekend zal worden door rust en vrede.

De passage nodigt ons uit om na te denken over wat de belofte van God aan David van een eeuwigdurend koninkrijk vandaag nog voor ons kan beteken. De belofte van een eeuwigdurend koninkrijk is telkens opnieuw uitgelegd en herschreven. Immers, in letterlijke zin is de belofte niet uitgekomen. Daarom zocht men naar een manier waarop het dan wel gestalte kreeg. Hoe kunnen wij deze belofte vandaag gestalte geven?

Klik om deze passage te lezen in de NBV21

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging

  • Na het horen van de woorden van Natan bidt David tot God. Zijn eerste zin is opmerkelijk: ‘Wie ben ik, Heer?’ Ook wij voelen ons vaak klein in het aangezicht van God. Wie zijn wij in vergelijking met God en waarom wil Hij juist met ons, nietige mensen, op weg gaan? God heeft zich door de geschiedenis heen geopenbaard aan mensen en heeft zich, uiteindelijk, geopenbaard in de mens zelf. David aanvaardt de woorden van God en legt zich neer bij zijn wil. Hij is waarlijk een dienaar van God. Op welke manier kunnen wij, net zoals David, vandaag ook dienaren worden van God? Leggen wij ook, net zoals David, ons neer bij wat God van ons verlangt?
  • In 2 Samuel 7 belooft God David dat zijn koningshuis tot in de eeuwigheid zal blijven bestaan. Tijdens de advent kijken we uit naar de geboorte van Jezus. Als afstammeling van David is Hij diegene met wie het eeuwigdurende koninkrijk van God gestalte krijgt. Echter, 2 Samuel 7 getuigt ook van een boodschap van vrede. Vandaag lijkt de vrede die God ons beloofd heeft in oud- en nieuwtestamentische passages misschien ver weg. Is deze belofte vandaag nog geloofwaardig? Misschien ligt het probleem niet bij God maar bij ons. Hoe kunnen wij, al is het maar op bescheiden wijze, de vrede die God voor ogen heeft mede bewerkstelligen?
  • Wanneer David koning is geworden over Israël, wil hij onmiddellijk God eren door voor Hem een huis te bouwen. God wil dit echter niet. Integendeel, Hij geeft aan dat Hij al die tijd geen huis nodig heeft gehad en dat Davids zoon Salomo degene zal zijn die een huis voor Hem zal bouwen. David hoeft geen grote daden te verrichten, hij krijgt het gratis van God. Vaak vergeten we dat God niet zit te wachten op grote gebaren. Hij gaat met ons mee, alle dagen van ons leven. Hoe willen wij God eren? Doen we dat met grote daden of op alle momenten van ons leven?

Context van 2 Samuel 7:4-20 

Het boek 2 Samuel als geheel

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek 2 Samuel vind je in deze Inleiding bij het boek 2 Samuel.

Plek van deze passage in het geheel

Onze passage wordt voorafgegaan door de verhalen over de strijd voor de troon na de dood van Saul. Uiteindelijk wordt David koning van Israël en brengt hij de ark van het verbond naar Jeruzalem. 2 Samuel 7 is hier onmiddellijk mee verbonden. De ark is nu (eindelijk) in Jeruzalem en Davids doel is dat God daar permanent blijft. De ark heeft rondgezworven, en het is David ook duidelijk geworden dat je met de ark niet zomaar kunt doen wat je wilt (zie de dood van Uzza in 2 Sam. 6:6-7). Nu bevindt de ark, en daarmee God zelf, zich in Jeruzalem. David gaat ervan uit dat een permanente plek voor de ark Gods permanente aanwezigheid in Jeruzalem en een heilzame toekomst voor hem en zijn familie garandeert. Met andere woorden: door de tempel te bouwen, garandeer je Gods heilzame aanwezigheid. God keert de zaak echter om: niet David heeft invloed op hoe God hem zegent, maar God doet dat zelf en uit zichzelf. Hij wordt niet gestuurd of beïnvloed, Hij is autonoom.

Hoofdstuk 7 van 2 Samuel is een belangrijke tekst in het Oude Testament. Aan de ene kant blikt het terug op de belofte die God gedaan heeft aan de aartsvaders en herinnert het zich het Exodus-gebeuren. Aan de andere kant blikt het vooruit en spreekt het de messiaanse verwachting uit, die we terugvinden in sommige profetenboeken. Als dusdanig vormt het de theologische kern van het boek 2 Samuel en behoort tot de kernteksten die de theologische basis van het Oude Testament vormen. Ook is het een funderende tekst in het Oude Testament omdat God hier heel duidelijk de relatie tussen God en koning definieert. God is daarbij de gevende partij, de koning de ontvangende.

Het hoofdstuk bestaat uit twee delen: (1) het orakel van God aan Natan voor David met betrekking tot de dynastie en (2) het gebed van David aan God. Onze passage geeft het gehele orakel weer en slechts een gedeelte van het gebed.

Nadien, in hoofdstuk 8, wordt nog eens een overzicht gegeven van de overwinningen van David. De latere hoofdstukken vertellen over Davids koningschap en de lotgevallen van David en zijn kinderen.

Psalm 89:20-38 verwijst naar het visioen van Natan in 2 Samuel 7. Echter, in Psalm 89 wordt het woord verbond (bǝrît) genoemd om Gods belofte en toezegging aan David en zijn koningshuis te duiden. Dit woord komt in onze tekst niet aan bod. Verder bespreekt Psalm 89 in verzen 39-52 wat er nu van die belofte overgebleven is. De psalm is hoogstwaarschijnlijk geschreven tijdens de Babylonische ballingschap. De psalmist drukt zijn verdriet uit tegen God: David is overleden, Israël en Jeruzalem zijn gevallen en God laat zich niet zien.

Opbouw en kern van de passage

De passage begint met de aankondiging van God die spreekt tegen Natan in een visioen/droom (vs. 4). Natan wordt opgedragen een boodschap over te brengen aan David. David was van plan een huis te bouwen voor God. Maar God wil dit niet, aangezien Hij nooit in een huis gewoond heeft. Hij heeft immers steeds rondgetrokken in tent en tabernakel (vs. 5-6). Later zal God zelf aangeven dat het Davids zoon zal zijn die voor Hem een huis zal bouwen (vs. 13). Dit geeft de relatie tussen God en koning weer. Het is niet David zelf die beslist wat God nodig heeft of moet doen, maar God.

God heeft David altijd beschermd en belooft hem een gebied te geven (vs. 10), van onderdrukking te bevrijden (vs. 11) en te weerhouden en een eeuwigdurend koningshuis te schenken dat opgevolgd zal worden door zijn nageslacht (vs. 12-16).

Natan brengt de woorden van God aan David (vs. 17), waarop David tot God bidt (vs. 18). David weet niet goed waarom hij de bescherming van God geniet (vs. 18) en maakt het orakel van God die het davidische koningschap erkent tot wet voor de mensheid (vs. 19).

Gods belofte aan David die Hij aan de profeet Natan overbrengt (vs. 4-17), vinden we ook terug in 1 Kronieken 17:1-15.

Aantekeningen per vers

Bij vers 4 

4Maar diezelfde nacht richtte de HEER zich tot Natan:

2 Samuel 7:4NBV21Open in de Bijbel

  • Maar diezelfde nacht: In de voorafgaande verzen laat David aan Natan weten dat hij een tempel wil maken om de ark van God permanent in te huisvesten. Op die manier wil hij God permanent verbinden met zijn stad Jeruzalem. Natan antwoordt hierop dat David mag doen wat hij wil omdat God aan zijn kant staat. Dit is echter niet wat God wil. Om die reden spreekt Hij tot Natan met een boodschap die bedoeld is voor David. Dat God zijn boodschap aan Natan ’s nachts brengt, kan erop wijzen dat dit in een nachtelijk visioen of een droom gebeurt. In vers 17 staat er in de Hebreeuwse tekst ‘visioen’. In de NVB21 wordt het niet zo weergegeven.

Bij vers 5 

5‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER: Wil jij voor Mij een huis bouwen om in te wonen?

2 Samuel 7:5NBV21Open in de Bijbel

  • mijn dienaar: In het Oude Testament zijn er slechts enkele personen die de titel ‘dienaar van de Heer’ toebedeeld krijgen. Meestal krijgen ze de titel op het einde van hun levensloop. Denk in dit verband aan Abraham (Gen. 26:24), Mozes (Num. 12:7-9; Deut. 34:5); Kaleb (Num. 14:24) en Jozua (Joz. 24:29). Dat David deze titel krijgt, geeft hem een zeer bijzondere status.  
  • Dit zegt de HEER: Dit is een typische uitspraak die het begin van een profetie/orakel aankondigt. 
  • Wil jij (…) om in te wonen?: In 1 Kronieken 17:4 wordt het niet als een vraag maar als een gebiedende zin geformuleerd. Daar lezen we: ‘Jij zult het huis waarin Ik wil wonen niet bouwen.’ 

Bij vers 6 

6Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok Ik rond in tent en tabernakel.

2 Samuel 7:6NBV21Open in de Bijbel

  • in tent en tabernakel: De conjunctie ‘en’, in het Hebreeuws weergegeven door wav, kan hier ook vertaald worden met een wav explicativum (verklarende wav). De vertaling zou dan als volgt zijn: ‘in (een) tent, namelijk in (een) tabernakel’. In Exodus lezen we dat de ark van het verbond werd ondergebracht in een tent, specifiek in de tabernakel. De term ‘tabernakel’ is een weergave van het Hebreeuwse woord miškān. Dat woord wordt op andere plaatsen soms als ‘woning’ vertaald. Toch zou dat in dit geval niet goed werken. Hier duidt Gods miškān, net zoals in Exodus, op de bijzondere tent waarin de ark van God verbleef tijdens de tocht door de woestijn en daarna. Het was een soort tent, maar wel met houten wanden – die afgebroken en meegevoerd kon worden op de tocht door de woestijn. Het woord ‘tent’ is echter niet specifiek genoeg als vertaling van miškān. Bovendien wordt in Exodus verteld dat de ‘tabernakel’ werd omgeven door een tent (zie Ex. 26:7-14; 36:14-19). Omdat termen als ‘woning’ of ‘tent’ voor miškān niet goed werken, is ook voor de NBV21 vastgehouden aan het traditionele woord ‘tabernakel’ (dat is ontleend aan de Latijnse vertaling, tabernaculum – ironisch genoeg betekent dat gewoon ‘tent’ of ‘woning’).

Bij vers 7 

7Alle stamgebieden van Israël heb Ik doorkruist, en heb Ik ooit aan een van de herders van Israël, die Ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor Mij een huis van cederhout te bouwen?”

2 Samuel 7:7NBV21Open in de Bijbel

  • de herders van Israël: lirʿôtʾet-ʿammî ʾet-yiśrāʾēl (letterlijk: ‘de herders van mijn volk Israël’). Dit zijn degenen die het volk Israël geleid hebben voor de tijd van de koningen. 
  • cederhout: Dit is het materiaal waaruit tempels en paleizen gemaakt werden. 

Bij vers 9 

9Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, Ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld. Nu zal Ik je naam vestigen als een van de groten der aarde.

2 Samuel 7:9NBV21Open in de Bijbel

  • je vijanden: Deze zijn zowel Saul, Isboset en Abner als de Filistijnen. Al degenen die weerstand tegen David geboden hebben. 
  • je naam vestigen: Tempelbouw was voor koningen een manier om zichzelf te vereeuwigen in de oudheid. God snijdt David hier de pas af: Hijzelf is degene die Davids naam zal vestigen. Het vers heeft een parallel met Genesis 11 en Genesis 12. Het bouwen van een toren (en permanent op één plaats gevestigd zijn) en zo zelf naam maken (Gen. 11), staat tegenover het bereid zijn jouw land te verlaten en je door God naam te laten maken (Gods belofte aan Abraham in Gen. 12:2-3). In onze passage staan het bouwen van de tempel, God voorgoed vestigen in Jeruzalem en daarmee als koning naam maken, tegenover Gods vrijheid om te wonen waar Hij wil en Gods besluit om Davids naam te vestigen. Op de achtergrond speelt de oud-oosterse koningstraditie van tempelbouw als vorm van machtsuitoefening en het heersen en je naam vestigen, en de Bijbelse kritiek daarop, vanuit de gedachte dat God zelf vrij is: God stuurt de koning en niet andersom. 

Bij vers 10 

10Ik zal aan mijn volk Israël een gebied toewijzen. Daar zal Ik het planten en daar kan het onbevreesd wonen. Het zal niet langer door misdadige volken onderdrukt worden, zoals toen het er pas woonde

2 Samuel 7:10NBV21Open in de Bijbel

  • een gebied: Dit verwijst naar de belofte van het land die God aan Abraham deed (Gen. 12:1715:18; 17:8). Hier wordt het opnieuw beloofd aan David. De verbonden worden dus direct met elkaar in verband gebracht: het verbond met David wordt voorgesteld als een specificatie van het verbond met Abraham/Israël. 

Bij vers 11 

11en Ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Jou zal Ik rust geven door je van je vijanden te verlossen. De HEER zegt je dat Hij voor jou een huis zal bouwen:

2 Samuel 7:11NBV21Open in de Bijbel

  • rechters: Dit verwijst naar de rechters die het volk leidden zoals beschreven staat in het boek Rechters. 
  • De HEER (…) voor jou een huis zal bouwen: Het huis (bayit in het Hebreeuws) waarvan hier sprake is, verwijst niet naar het bouwwerk dat David voor God wilde maken (vs. 2). Hier gaat het over de dynastie die God belooft aan David en zijn nageslacht. Dit wordt in vers 12 bekrachtigd.  

Bij vers 12 

12Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken.

2 Samuel 7:12NBV21Open in de Bijbel

  • je eigen zoon: zarʿăkā (…)ʾăšer yēṣēʾ mimmēʿêkā (letterlijk: het zaad dat van jouw lichaam komt). Ook dit heeft een parallel met Gods belofte aan Abraham (zie Gen. 15:4), al spreekt de tekst hier niet uitdrukkelijk over een verbond of een belofte. De zoon waarover God het hier heeft, is Salomo. 

Bij vers 13 

13Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn koninklijke troon nooit wankelt.

2 Samuel 7:13NBV21Open in de Bijbel

  • Hij zal een huis bouwen: Niet David moet een huis voor God bouwen, zoals God aangegeven heeft in verzen 5-7, maar zijn zoon Salomo zal een tempel voor Hem bouwen. 

Bij vers 14 

14Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon: als hij zondigt, zal Ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet,

2 Samuel 7:14NBV21Open in de Bijbel

  • vader (…) zoon: Dat de koning vaak gezien werd als de ‘zoon’ van de hoogste God, is een gebruik dat courant was in het Oude Nabije Oosten. Ook in de psalmen, zie bijvoorbeeld Psalm 2:7 en Psalm 89:27-28, wordt de Israëlische koning als de (geadopteerde) zoon van God beschouwd. In het Nieuwe Testament heeft dit een andere invulling gekregen. Jezus is hier de messias-koning en is Zoon van God. Sterker nog, Hij is God. 

Bij vers 16 

16Jou stel Ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’

2 Samuel 7:16NBV21Open in de Bijbel

  • eeuwig zal voortbestaan: De Hebreeuwse term ʿôlām, eeuwig, bestendig, komt in 2 Samuel 7 acht keer voor. In onze passage in vers 13 (NBV21 verwerkt dat daar in ‘dat zijn troon nooit wankelt’) en tweemaal in vers 16 (NBV21: ‘dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan’ en ‘je troon nooit zal wankelen’). Over de term ʿôlām heeft Robin ten Hoopen een uitgebreid verdiepend artikel geschreven in Met Andere Woorden, zie hier.

Bij vers 17 

17Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over.

2 Samuel 7:17NBV21Open in de Bijbel

  • wat hij had gezien en gehoord: In het Hebreeuws staat er ḥizzāyôn, visioen.  

Bij vers 18 

18Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: ‘Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat U mij zo ver hebt gebracht?

2 Samuel 7:18NBV21Open in de Bijbel

  • Vanaf dit vers heft David een gebed aan tot God dat tot aan het einde van het hoofdstuk loopt (vs. 29). In dit gebed bejubelt David de grootsheid van God. Tevens vraagt hij God zijn belofte te houden dat zijn koningshuis mag standhouden. Hij vraagt ook om het te zegenen. Als God dat doet, dan zal zijn naam in ere worden gehouden. 
  • het heiligdom: Namelijk de tent waarin de tabernakel stond die de ark bevatte. 
  • HEER, mijn God: ʾădōnāy yhwh in het Hebreeuws. Deze aanspreking komt zevenmaal voor in het gebed van David tot God (vs. 18, 19 [2x], 20, 22, 2829). Verder komt het voor in andere gebeden in het Oude Testament bij grote figuren zoals Abraham (Gen. 15:28), Mozes (Deut. 3:249:26), Jozua (Joz. 7:7), Gideon en Samson (resp. Recht. 6:2216:28). 

Bij vers 19 

19En alsof dat nog niet genoeg was, HEER, mijn God, hebt U ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. Moge dit de mensheid tot wet worden gesteld, HEER, mijn God.

2 Samuel 7:19NBV21Open in de Bijbel

  • de mensheid tot wet worden gesteld: Wat God voorheeft met het koningshuis van David, zal in acht moeten worden genomen door de gehele mensheid. Zoals God bij David was, zo zal Hij steeds bij het nageslacht van David zijn. 

Achtergrondinformatie 

Toelichting bij kernwoorden en begrippen

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons