Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Hoelang duurt eeuwig? Eeuwigheid en tijd in het Oude Testament

Mensen zijn eindig. Ons leven is beperkt in tijd en ruimte. Dat is de ene kant van de medaille. De andere kant is dat mensen zich uitstrekken naar dat wat blijft. We zoeken naar God, staan stil bij wat we na willen laten aan onze dierbaren en denken na over een voortbestaan na de dood. Al snelt valt daarbij de term ‘eeuwig’. Maar hoe functioneert ‘eeuwig’ in de Bijbel? Is eeuwig ‘voor altijd’ of zijn er uitzonderingen? En hoelang duurt eeuwig?

Samenvatting

Eeuwigheid is een concept dat mensen van alle tijden bezighoudt. Maar wat verstaat de Bijbel eronder? Dit artikel onderzoekt de betekenis van het Hebreeuwse woord ʿôlām, traditioneel vertaald als ‘eeuwig’ of ‘altijd’. Aan de hand van het Hebreeuwse woordgebruik en verwante termen uit het Oude Nabije Oosten laat dit artikel zien dat ‘eeuwigheid’ in het Oude Nabije Oosten en het Oude Testament geen filosofisch concept van tijdloosheid was, maar juist een verstrekkende periode in de tijd aanduidt. De Hebreeuwse term ʿôlām duidt op een periode die intentioneel altijddurend is, maar in veel gevallen wel beëindigd kan worden. Het ‘altijd’ is in feite een ‘altijd, totdat’ of een ‘altijd, mits’ – soms ook waar het Gods ‘eeuwige’ beloftes betreft. Tegelijk laat het artikel zien dat Gods ʿôlām anders van aard is: in teksten over God en Gods eeuwige eigenschappen is het altijddurende aspect wél onvoorwaardelijk. Dat geldt ook voor sommige teksten die spreken over een altijddurend verbond en voor enkele eschatologische passages. Zo zien we dus ook in het Oude Testament zelf al een zekere ontwikkeling. Dit artikel biedt een exegetische basis voor een genuanceerde Bijbelse theologie over eeuwigheid en tijd.

In dit artikel bespreek ik de notie van eeuwigheid in het Nederlands, in het Oude Nabije Oosten en in het Oude Testament (OT). Ik doe dat met name door te kijken naar het woord ʿôlām. Mijn proefschrift biedt een uitgebreide studie van dit woord en verwante oud-oosterse woorden. Dit artikel vat de belangrijkste conclusies samen. Zo laat ik zien datʿôlām nooit op een periode duidt die tijdloos is en dat ʿôlām in veel gevallen ook beëindigd kan worden. Vaak is ʿôlām daarmee dus ‘altijd, mits’ of ‘altijd, totdat’. Deze conclusies zijn van belang voor voorgangers en predikanten, maar spelen ook een belangrijke rol in het debat over eeuwig leven, hemel en hel.

Eeuwigheid in modern Nederlands 

In het moderne spraakgebruik wordt ‘eeuwig’ in vier basisbetekenissen gebruikt. Ten eerste kan ‘eeuwig’ een aanduiding zijn voor de ervaring van een zeer lange tijdsduur. Je kunt zeggen dat iets alweer ‘een eeuwigheid geleden is’ of ‘voor eeuwig duurt’. Hier is ‘eeuwigheid’ een hyperbool voor een periode die als zeer lang ervaren wordt maar die qua tijdsduur minuten, uren, weken, maanden of jaren kan zijn.

Ten tweede kan ‘eeuwig’ op eenzelfde hyperbolische manier worden gebruikt voor iets dat zeer regelmatig gebeurt, steeds weer terugkomt of maar niet ophoudt. Zo kunnen we spreken over ‘het eeuwige gekibbel’, het ‘eeuwige getreuzel’ of ‘eeuwige gezeur’ van een ander.

Ten derde kan ‘eeuwig’ een synoniem zijn van ‘(voor) altijd’. ‘Eeuwig’ drukt in dat geval uit dat iets altijd zal bestaan of drukt de intentie uit dat iets altijd zo zal zijn. Het verschil tussen beide opties laat zien dat eeuwigheid bestaat in een contingente en een niet-contingente vorm: een vorm met voorwaarden (‘eeuwig, totdat’ of ‘eeuwig, mits’) en een vorm zonder voorwaarden. Dit onderscheid speelt een belangrijke rol in mijn artikel. Daarom noem ik hier een paar voorbeelden om het helder te maken. Op veel begraafplaatsen duidt ‘eeuwig grafrecht’ op een periode die de intentie heeft voor altijd te duren maar waarop uitzonderingen mogelijk zijn: eeuwig met voorwaarden. Anderzijds geldt voor natuurbegraafplaatsen een ‘eeuwige rust’ die inhoudt dat het lichaam nooit zal worden geruimd: zonder voorwaarden. Je kunt ook denken aan ons spreken over liefde of relaties. Termen als ‘eeuwige liefde’ en ‘eeuwige trouw’ laten ruimte voor verschillende interpretaties. De intentie van ‘eeuwig’ is dan meestal ‘levenslang’, dus al beperkt in tijd. Bovendien geldt dat er sprake is van een intentie, deze ‘eeuwige’ situatie duurt zolang beide partijen de situatie in stand houden: met voorwaarden. Tegelijk kán er in dit soort uitspraken over ‘eeuwige liefde’ ook gedacht worden aan een hiernamaals waarin deze liefde doorgaat: zonder voorwaarden. In ons spraakgebruik komt de vorm met voorwaarden het meest voor. Denk aan een ‘eeuwige stad’, ‘eeuwige sneeuw’ of het ‘vereeuwigen’ van mensen of zaken.

De vierde betekenis van de term ‘eeuwig’ vinden we in de context van religie, poëzie en filosofie. Hier wordt gesproken over ‘eeuwig leven’ of ‘de eeuwigheid’. Dit gebruik van ‘eeuwig’ wordt vaak verbonden met noties van tijdloosheid, onveranderlijkheid of een situatie zonder begin en eind. ‘Eeuwig’ vormt dan een contrast met de situatie zoals die voor mensen gebruikelijk is. Daarnaast kan ‘eeuwigheid’ in deze contexten ook een synoniem zijn van een hiernamaals of van Gods nieuwe wereld. Deze verbinding tussen ‘eeuwig’ en een eschatologisch hiernamaals of nieuwe wereld is bijvoorbeeld terug te vinden in de bekende geloofsbelijdenissen. Zo verwijst de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel naar ‘het leven van de komende eeuw’ (zōēn tou mellontos aiōnos, in het Latijn: vitam venturi saeculi) en spreekt de Apostolische Geloofsbelijdenis over ‘een eeuwig leven’ (vitam aeternam). In beide belijdenissen volgt deze frase op een passage over de opstanding uit de dood. Ten slotte kan ‘eeuwigheid’ in religieus of poëtisch taalgebruik een kwalitatief begrip aanduiden. Zo kunnen we zeggen dat iets ‘eeuwigheidswaarde’ heeft of kunnen we spreken over ‘momenten van eeuwigheid’ in ons dagelijks leven. We kunnen daarmee zeggen dat iets raakt aan een goddelijke werkelijkheid, maar we kunnen er ook mee uitdrukken dat ervaringen van waarheid, goedheid of schoonheid de diepte van ons menszijn raken.

Het zal de lezer niet verbazen dat de theologie vooral aandacht heeft gehad voor de vierde betekenis, waarin ‘eeuwigheid’ wordt gekoppeld aan tijdloosheid of een hiernamaals. Juist deze tijdloosheid vinden we echter niet terug in het OT. Voordat ik dat kan laten zien is eerst een uitstapje nodig naar het Oude Nabije Oosten. De term ʿôlām komt namelijk niet ‘uit de hemel vallen’, maar kan geduid worden binnen zijn talige en culturele context.

Eeuwigheid in het Oude Nabije Oosten 

In de talen van het Oude Nabije Oosten vinden we vergelijkbare termen als het Hebreeuwse ʿôlām. Het Sumerische dari, het Akkadische dāru en het West-Semitische ˁlm hebben ongeveer een gelijke breedte of range van betekenis. Ze worden meestal vertaald met ‘altijd, van onbepaalde duur, onveranderlijk, eeuwig’. Een vertaling zegt echter niet alles. Want welke noties zitten er nu onder deze woorden? Daarvoor moeten we kijken naar de contexten waarin deze woorden worden gebruikt, naar hun betekenislagen en naar hoe ze zich verhouden tot noties van tijd. Hieronder zeg ik kort iets over al deze elementen.

De termen dari, dāru en ˁlm worden vooral gebruikt in relatie tot het koningschap (‘altijddurend koningschap’), in verbinding met de notie van naam of faam (‘een eeuwige naam’), in wensen of gebeden voor een lang leven van een heerser (‘moge hij voor altijd leven’), voor cultische of belangrijke plaatsen (‘een eeuwige stad’) en in ‘altijddurende’ contracten en overeenkomsten (m.b.t. land, gebouwen, slaven). De termen dari, dāru en ˁlm worden zelden toegepast op eigenschappen van goden en nog veel minder op de goden zelf. We moeten onze duiding van dari, dāru en ˁlm dus niet primair laten kleuren door (ons beeld van) goden.

We vinden dari, dāru en ˁlm in twee basisbetekenissen. In de eerste betekenis gaat het om een term die een niet specifieke periode aanduidt tot in ‘de verst denkbare tijd’, meestal in de toekomst en soms in het verleden. De veronderstelde plaats op de tijdsschaal verschilt. Het kan gaan om lange tijd (decennia), zeer lange tijd (generaties) of nog langere periodes (eeuwen of langer). In de tweede betekenis ligt de nadruk op de intentie van onveranderlijkheid (‘altijd, permanent’). Het aspect van intentie of voorwaardelijkheid is bij dari, dāru en ˁlm van groot belang. Alle afspraken, instituten of relaties die ‘voor eeuwig’ zijn, zijn in feite ‘voor altijd, mits’ of ‘voor altijd, totdat’. Deze ‘eeuwigheid’ kan namelijk worden onderbroken of ongedaan gemaakt door omstandigheden. Dit wordt heel helder in het geval van contracten die beëindigd kunnen worden als één van beide partijen overlijdt. Dit betekent echter niet dat dari, dāru en ˁlm vertaald kunnen worden met ‘levenslang’ of dat de veronderstelde periode altijd eindigt met de dood. In het geval van een ‘eeuwige naam’ of een ‘eeuwig koningschap’ bijvoorbeeld strekt ‘altijd, eeuwig’ zich uit over de dood van het individu heen. Bij het zeldzame gebruik voor goden geldt bovendien dat de goden zo lang leven dat zij aan de natuurlijke dood ontsnappen, of sterven en weer tot leven komen.

Ten slotte valt op dat dari, dāru en ˁlm altijd gebruikt worden voor een periode binnen de tijd. In bijna alle gevallen gaat het om een lange lineaire tijd. In enkele gevallen (met name bij zon- of maangoden) om noties van cyclische duur (de ‘eeuwige zon’). Het gaat dus niet om een abstract filosofisch concept of een notie van tijdloosheid.

Kortom, oud-oosterse woorden die soms met ‘eeuwig(heid)’ worden vertaald, duiden op periodes of noties waarvan de intentie is dat ze ‘voor altijd, altijddurend’ zijn of ‘tot in de verst denkbare tijd’ bestaan. Omdat ze onderbroken kunnen worden, zijn ze goed weer te geven als: ‘altijd, mits’ of ‘altijd, totdat’. Hiermee sluiten ze vooral aan bij de derde betekenis van ‘eeuwig’ in het Nederlands.

Eeuwigheid in het Oude Testament

Het OT kent drie woorden die traditioneel vertaald worden met ‘eeuwig, altijd’: ʿôlām, ʿad en neṣaḥ. Aangezien van deze termen ʿôlām veruit het meeste voorkomt, richt ik mij hier op deze term. Het Hebreeuwse ʿôlām is verwant aan het West Semitische ˁlm en komt 460x voor in het OT. Zowel de woorden ʿôlām als ʿôlāmîm (de meervoudsvorm die 20x voorkomt) worden meestal gebruikt in combinatie met een voorzetsel: ‘tot ʿôlām’, ‘voor ʿôlām’, ‘van ʿôlām’. In combinatie met een ontkenning betekent het: ‘niet voor altijd, nooit’. Het Hebreeuwse ʿôlām kent twee veelvoorkomende betekenissen. Deze komen overeen met die van de verwante termen in het Oude Nabije Oosten. Ten eerste kan ʿôlām duiden op een periode die duurt tot in ‘de verst denkbare tijd’, in het verleden of de toekomst. De term ʿôlām functioneert dan vaak in combinatie met een voorzetsel en is te vertalen als ‘voor altijd’, of als het gaat om het verleden, ‘van oudsher’. Het gaat hier om een kwantitatieve notie van lineaire tijd tot in het verst denkbare moment binnen de kaders van de schepping. Hoewel de intentie is dat deze periode altijddurend is, geldt, net als bij de oud-oosterse voorbeelden, dat deze situatie ongedaan kan worden gemaakt. Zo bestaat een ‘eeuwige naam’ zolang deze genoemd wordt (Ps. 72:17; Jes. 56:3-5). De veronderstelde duur van ʿôlām wordt nooit expliciet gemaakt. Uit de teksten blijkt dat de periode zich kan uitstrekken over een mensenleven of een aantal generaties (Ex. 19:9;21:6; Lev. 25:46; 1 Sam. 27:12), over zeker meer dan tien generaties (Deut. 23:4), duizend generaties (Ps. 105:8; 1 Kron. 16:15), zolang als zon en maan blijven bestaan (Ps. 89:37-38), of voor altijd binnen de grenzen van de schepping (Ps. 78:69; Pred. 1:4; Joël 2:25-27). De veronderstelde duur wordt bepaald en beperkt door het subject en de context: ‘eeuwig’ voor een mens is dus anders dan ‘eeuwig koningschap’ of een ‘eeuwig verbond’ en weer iets anders dan de ‘eeuwigheid’ van God. Afhankelijk van de context kan ʿôlām zich zover uitstrekken dat zij een vorm van volledige onsterfelijkheid impliceert. Hoewel het in de meeste gevallen gaat om een in tijdsduur oneindige periode, is het in sommige gevallen mogelijk om ʿôlām te interpreteren als hyperbool (bijv. Ps. 52:11; 75:10; Jes. 33:14) of juist als een meer liturgische term (Ps. 41:14; 89:53; 106:48). Ten tweede kan ʿôlām duiden op de intentie dat iets altijd(durend) of permanent is of definitief blijft. Bijvoorbeeld de intentie dat een contract of verbintenis (huwelijk, besluit, verbond), iemands bezit (land, grens, gebouw, slaaf ) of een rol of instituut (koning, priester, koningschap) voor altijd blijft bestaan. Hoewel deze notie ook duur en lengte in tijd veronderstelt, ligt de nadruk op continuïteit en permanentie. Ook hier kan ʿôlām de dood uitsluiten als de context daarop duidt. Naast deze twee meest voorkomende betekenissen zijn er vier passages of contexten waar soms een eigen betekenis wordt verondersteld die afwijkt van deze betekenissen.

  1. Voor enkele teksten, zoals Psalm 90:1-2 en Psalm 102:26-28, is wel voorgesteld dat ʿôlām duidt op tijdloosheid of buiten-tijdelijkheid wanneer het gaat over God. Mijns inziens houdt deze uitleg geen stand. Beide teksten blijven namelijk spreken in categorieën van tijd. Hoewel ze Gods ʿôlām buiten de menselijke grenzen en de grenzen van Gods aardse schepping plaatsen, wordt deze ʿôlām niet als tijdloos getekend. Deze passages getuigen dus niet van Gods tijdloosheid, maar van de notie dat Gods ʿôlām uniek is en de menselijke grenzen en scheppingsgrenzen te buiten gaat.
  2. Prediker 1:10 bevat een abstract gebruik van ʿôlāmîm (meervoud), waardoor vaak voor een vertaling wordt gekozen als ‘tijden, periodes’. Ook een vertaling als ‘verst denkbare tijden’, die dichter bij de basisbetekenis ligt, is echter mogelijk. Sommige vertalers kiezen voor eenzelfde vertaling voor hā ʿôlām in Prediker 3:11 (NRSV ‘a sense of past and future’, NBV21 ‘tijd’). Mijns inziens past een vertaling als ‘bestendigheid, duur, permanentie’ daar beter, zeker in het licht van Prediker 3:14, waar we ook ʿôlām vinden. Het gaat dan om een permanentie die bij Gods werkelijkheid hoort.
  3. In een klein aantal contexten kan ʿôlām duiden op ‘de onderwereld, het graf ’ (o.a. Jer. 20:17 en Ezech. 26:20). Deze betekenis komt ook voor in West-Semitische teksten, maar wordt niet door alle Bijbelwetenschappers erkend.
  4. In populaire theologische literatuur wordt voor ʿôlām in Daniël 7:14 en 12:2 weleens gepleit voor de vertaling ‘eeuw, komende heilstijd’. Sommige schrijvers lijken zelfs te suggereren dat dit een standaardbetekenis is van ʿôlām. De term zou dan duiden op de toekomende eschatologische eeuw (zoals te vinden in het, van latere tijd daterende, contrast tussen ʿôlām hazzeh en ʿôlām habbaʾ). De bekende woordenboeken vermelden de vertaling ‘heilstijd, komende eeuw’ echter niet of menen dat deze pas in de periode na het OT is ontstaan. Bovendien past de vertaling ‘eeuw, komende heilstijd’ niet in de direct omliggende passages in Daniël 7:27, 12:3, 12:7 waar ‘eeuwig, altijd, permanent’ de passende vertaling is. De vertaling ‘eeuw, komende heilstijd’ dient voor het OT dus te worden afgewezen.

Zittende man op de drempel van de eeuwigheid. Schilderij van Vincent van Gogh, 1882-1890. © Kröller-Müller Museum, Otterlo.

Hoe zit het dan met Gods eeuwigheid?

De tot nu toe beschreven visies zijn terug te vinden in belangrijke exegetische en Bijbels-theologische studies. De wetenschappelijke discussie wordt levendiger als het gaat om de vraag wat het betekent wanneer ʿôlām op God wordt toegepast. Is er dan wél sprake van ‘eeuwigheid’ in de zin van tijdloosheid of buiten-tijdelijkheid?

Drie belangrijke overwegingen liggen aan deze discussie ten grondslag. Allereerst de constatering dat in een belangrijk deel van het OT, zoals de Priesterlijke teksten, Deuteronomium, Jesaja 40-66, Jeremia en Daniël, God volledig anders is dan mensen. Het Godsbeeld van deze teksten is het expliciete beeld van een Schepper die volledig onsterfelijk is en geen vijandschap heeft te duchten. De tweede overweging is dat ʿôlām in het OT veel vaker voor God (of zijn eigenschappen) wordt gebruikt dan dat de vergelijkbare termen in het Oude Nabije Oosten op de goden worden toegepast. Bovendien zien we, in de derde plaats, in met name Jesaja 40-66, Daniël 6-12 en bepaalde Psalmen een expliciete inkleuring van ʿôlām in relatie tot God: Gods ʿôlām strekt zich uit van de tijd vóór de schepping (o.a. Jes. 40:28; Jer. 10:10; Ps. 33; 90; 93; 102; 119; 136) tot in een nieuwe geschapen werkelijkheid of eschatologische realiteit (Jes. 51:6; Dan. 6:27; 12:1-7). In deze passages wordt ʿôlām nadrukkelijk verbonden met God zelf.

Op grond hiervan zien sommige uitleggers een ontwikkeling van de betekenis van ʿôlām tot eeuwigheid in de zin van tijdloosheid of buiten-tijdelijkheid. De Bijbelse teksten bevatten echter nergens een directe aanwijzing voor deze betekenisverandering. De gesuggereerde verandering gaat uit van de theologische veronderstelling dat God tijdloos is of buiten de tijd staat en zoekt vervolgens naar een onderbouwing ervan. Mijns inziens duidt ʿôlām echter ook voor God of Gods eigenschappen op de langst mogelijke duur in verleden en/of toekomst, of op de notie van onveranderlijkheid. In vergelijking met de ʿôlām die op andere personen of situaties wordt toegepast, is Godsʿôlām gradueel en/of kwantitatief wel langer en veronderstelt zij ook een andere relatie tot tijd. Juist een vergelijking als in Psalm 90:1-4 tussen Gods tijd en menselijke tijd maakt dit duidelijk. Gods ʿôlām komt voor en na Gods aardse scheppingswerk en omsluit dit. God staat daarmee echter niet buiten de tijd. Hij is Heer over en in de tijden. Hij verhoudt zich anders tot tijd dan mensen. En bovenal: Hij is trouw door alle tijden heen. Wie verder wil gaan dan dat – en dat mag theologisch zeker – beroept zich op theologische aannames die van buiten het OT komen.

Kan Gods liefde of verbond beëindigd worden? 

Ten slotte kijken we naar de vraag of er ook een einde kan komen aan dat wat ʿôlām wordt genoemd en verbonden is met God. Eerder in dit artikel heb ik betoogd dat ʿôlām en de oud-oosterse equivalenten termen zijn die duiden op iets dat bedoeld is om permanent of blijvend te zijn, maar dat ongedaan of onderbroken kan worden door externe factoren. Tegelijk hebben we gezien dat Gods ʿôlām, zeker in de theologisch meer expliciet monotheïstische teksten (Jes. 40-66, Daniel, sommige Psalmen), nauw verbonden is met God zelf en de menselijke grenzen overschrijdt. Betekent dit dan ook dat Gods eigenschappen, zijn verbonden en zijn beloftes niet ongedaan kunnen worden gemaakt en zonder voorwaarden bestaan? Met andere woorden: kan ʿôlām in die gevallen beëindigd worden of niet? Het antwoord luidt: soms wel en soms niet. We zullen dat nader uitwerken.

Eerst kijken we naar Gods eigenschappen. Hier zien we dat, net als in de vorige paragraaf, de teksten van Jesaja 40-66, Jeremia en Psalmen expliciet spreken over Gods eigenschappen, zoals zijn trouw (ḥesed), rechtvaardigheid (ṣǝdāqâ) en liefde (ʾahăbâ) als ʿôlām, en deze eigenschappen ook plaatsen vóór de schepping, tot aan het eind van de schepping of in de context van de nieuwe schepping (Ps. 33:11; 103:14-18; 136:1-26; Jes. 51:6-8; 54:8; Jer. 31:3). Het beeld hier is duidelijk: Gods liefde, trouw en recht bestaan vanaf de vroegst denkbare tijd tot aan de verst denkbare tijd, en zelfs daarvoor en daarna in Gods tijd, zonder mitsen of maren. Gods eigenschappen moeten we hier dus opvatten als onvoorwaardelijk. Dat betekent niet dat God niet toornig kan zijn, maar wel dat Gods liefde het langst duurt. Toch zien we in het geval van Gods toorn wel een spanning. De meeste passages (en altijd m.b.t. Israël) benadrukken dat God niet ‘voor eeuwig’ (ad-ʿôlām) toornig of kwaad zal blijven (Jes. 57:16; Jer. 3:5; Ps. 103:9; Klaagl. 3:31, vgl. ook Ex. 20:5-6 en Ps. 30:6). Waar Gods toorn tijdelijk is, duurt zijn liefde ‘voor altijd, tot in eeuwigheid’. Anderzijds lezen we in Maleachi 1:4 dat God Edom vervloekt ad-ʿôlām. Kan dit verklaard worden door het verschil tussen Israël en Edom, gaat het hier om een vorm van ʿôlām met voorwaarden of zijn hier twee verschillende tradities aan het woord? Dat is moeilijk te zeggen.

Vervolgens kijken we naar passages die verband houden met schepping of eschatologie. Daar valt op dat een leven dat als ʿôlām wordt getekend in ieder geval de natuurlijke dood uitsluit, maar dat het niet altijd helder is of ʿôlām alle vormen van dood uitsluit en met of zonder voorwaarden is. Het ‘eeuwig leven’ (ḥay lʿôlām, Gen. 3:22), dat voor de eerste mensen binnen handbereik was, is volgens mij een leven waar zij als schepselen voor altijd konden blijven leven, maar (in theorie) wel gedood konden worden. Deze vorm van contingentie benadrukt de vrijheid van de Schepper en sluit aan bij het in het Oude Nabije Oosten dominante idee dat goden en onsterfelijke mensen alleen aan de natuurlijke dood ontkwamen. Voor God zelf (en in passages als Dan. 7 en 12) ligt dat echter anders. Zo wordt in Daniël 7:14 gesproken over de ‘eeuwige heerschappij’ (šālǝṭān ʿālam) en in Daniël 12:2-3 over het ‘eeuwig leven’ (lǝḥayêy ʿôlām) en ‘eeuwige verachting’ (lǝdirʾôn ʿôlām). Dit is, vermoed ik, een ʿôlām die niet-contingent is en niet bedreigd kan worden door de vijandige dood of andere uitzonderingen. Niet omdat hier de vrijheid van de Schepper minder relevant is, maar vanwege de eschatologische context van de passage.

Als het gaat om Gods afspraken of verbond dan is de dubbelheid zelfs nog groter. Enerzijds zijn er passages waarin een afspraak die door God als ʿôlām is bestempeld, kan worden aangepast. Anderzijds zijn er passages waarin dat niet zo is. Voorbeelden van een situatie die eerder door God als ʿôlām is aangemerkt maar die toch stopt of wijzigt, vinden we in 1 Samuel 2:30, Jesaja 24:5 en Jesaja 32:14-15. In 1 Samuel 2:30 lezen we hoe God terugkomt op de belofte die Hij ad-ʿôlām heeft gedaan aan de familie van de priester Eli vanwege het slechte gedrag van de priesters. In Jesaja 24:5 vinden we een voorbeeld van een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) dat wijzigt. De profeet spreekt uit hoe God oordeelt dat de bewoners het ‘altijddurende’ verbond hebben geschonden. Gods reactie laat zien dat Hij het verbond op zijn beurt daarmee ook niet meer in stand houdt. In Jesaja 32:14-15 vinden we een ‘altijddurende’ belofte en het einde daarvan naast elkaar. Eerst wordt gesproken over de vernietiging van stad en vesting, het zullen ruïnes zijn voor altijd (ad-ʿôlām), totdat God daar verandering in brengt en de woestijn tot boomgaard wordt.

In deze voorbeelden is het helder dat ʿôlām een begrip aanduidt met voorwaarden. God kan daarom zijn eigen beloftes die voor ʿôlām gelden, beëindigen of aanpassen, meestal in reactie op de ontrouw van zijn volk. Hiermee wordt duidelijk dat ook voor God ʿôlām kan duiden op de intentie van ‘altijd’ maar de praktijk heeft van ‘altijd, mits’.

In Jesaja 54:8-10 en Jesaja 55:3 lijken we echter een variant van ʿôlām te vinden die niet zomaar beëindigd kan worden. In deze passages grijpt de profeet terug op het verbond met Noach en beklemtoont dat God wel toornig is geweest op Israël en zijn volk heeft verlaten (in de ballingschap), maar zich nu (in de lijn van Noachs verbond) ‘met altijddurende liefde’ (bǝḥesed ʿôlām) over zijn volk ontfermt en een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) sluit met zijn volk. Dat lijkt te veronderstellen dat dit nieuwe verbond onvoorwaardelijk is. Dit verbond sluit dus aan bij het eerdere spreken over Gods eigenschappen alsʿôlām in vergelijkbare teksten in Jesaja. Eenzelfde dynamiek kunnen we herkennen in het nieuwe verbond (bərît ḥadašâ) in Jeremia 31:31-34, dat in 32:40 en 50:5 wordt aangeduid als een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām). Dit verbond contrasteert met het oude verbond en heeft een ander karakter. Toch kan wel de vraag worden gesteld hoe Jesaja 54-55 en Jeremia 31-32 (en ook Jes. 59:21; Ezech. 16:60; 37:26) zich dan verhouden tot eerdere beloftes van een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) met David en zijn nakomelingen in 2 Samuel 23:5. Zijn deze nieuwe verbonden in Jesaja en Jeremia een reactie op een eerder verbond dat niet als ʿôlām werd aangemerkt (maar waar staat dat dan?) of reageren ze toch op dat eerdere ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) en laten ze daarmee zien dat ook deze eerdere verbonden contingent waren (zoals in Jes. 24:5)? Hoe dan ook lijkt het duidelijk dat de ‘altijddurend verbonden’ in Jesaja 54-55 en Jeremia 31-32 van een andere orde zijn dan de vorige afspraken.

In de priesterlijke literatuur vinden we ook verschillende ‘altijddurende verbonden’ (bərît ʿôlām) (bijv. met Noach in Gen. 9:6, met de aartsvaders in Gen. 17:7, 19 en 1 Kron. 16:17 en m.b.t. de sabbat in Ex. 31:16-17) en ook passages waar overeenkomsten, feesten, wetten of ordinanties door God zijn ingesteld voor of tot ʿôlām (o.a. Gen. 17:8; Ex. 12:14; Lev. 25:32, 34, 46; Num. 15:15). Sommige exegeten stellen dat deze regels en met name deze verbonden niet door God beëindigd zullen worden: ze zijn niet-contingent. Andere uitleggers beweren dat ook deze verbonden voorwaardelijk zijn aangezien ze bijvoorbeeld de besnijdenis veronderstellen. De lezer van dit artikel heeft inmiddels geleerd: de doorslaggevende stem in deze discussie ligt in de theologie van de betreffende Bijbelse schrijvers. Persoonlijk zou ik in ieder geval in de priesterlijke verbondenʿôlām interpreteren als een notie zonder voorwaarden. Deze altijddurende verbonden horen in de priesterlijke literatuur immers bij de structuur die in de schepping is gelegd. Ondanks dat Israël soms ontrouw zal zijn aan deze verbonden, houdt God eraan vast.

Samengevat valt op dat wanneer ʿôlām wordt gebruikt voor God of in relatie tot God, de theologie en beeldvorming over God meespeelt in de expliciete en impliciete betekenis. Gods ʿôlām is gradueel langer dan die van mensen en verhoudt zich in sommige passages ook expliciet anders tot schepping en tijd. In sommige gevallen kan ook een belofte van God die ʿôlām is, beëindigd worden door God zelf, degene die de afspraken inaugureerde. Dat is vaak als reactie op de ontrouw van het volk. In andere passages, met name die passages die over Gods eigenschappen gaan en passages waar een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) wordt gesloten (m.u.v. Jes. 24:5), en de teksten in Daniël, blijkt dat zaken die met Gods ʿôlām worden verbonden, onvoorwaardelijk zijn. Wie hier theologisch naar kijkt ziet twee zaken. Ten eerste een spanning tussen Gods trouw en zijn vrijheid en macht. Bij de ontrouw van het volk blijkt er meer ruimte te zijn voor Gods vrijheid. Ten tweede valt op dat in de teksten waarin God expliciet Schepper is en er een eschatologische component of vernieuwde werkelijkheid in beeld komt, ʿôlām onvoorwaardelijk is.

Conclusies 

Tijd en eeuwigheid. Dat wat vergaat en dat wat blijft. Deze thema’s zullen mensen altijd bezig blijven houden. In dit artikel heb ik geprobeerd deze vragen te bespreken vanuit het begrip ‘eeuwig’. Ik heb de Bijbelse term ʿôlām geduid in de context van verwante oud-oosterse termen en heb dit verbonden met de manier waarop ‘eeuwig’ wordt gebruikt in het moderne Nederlands. Ik heb laten zien dat, in het OT, ʿôlām in de meeste gevallen duidt op een periode die duurt tot in de verst denkbare tijd in het verleden of de toekomst of de intentie dat iets altijd(durend), permanent of definitief blijft of bestaat. Deze notie is in veruit de meeste gevallen intentioneel en/of voorwaardelijk en kan dus beëindigd of gestopt worden. Dit geldt soms ook voor beloftes die gedaan zijn door God. In het geval van Gods eigenschappen, de meeste keren dat gesproken wordt over een ‘altijddurend verbond’ (bərît ʿôlām) of teksten met een eschatologische betekenis lijkt Gods belofte echter onvoorwaardelijk te zijn. Gods trouw en belofte reiken dan verder dan zijn vrijheid om terug te komen op beslissingen.

Er is geen bewijs dat ʿôlām een notie van tijdloosheid of buiten-tijdelijkheid aanduidt. Wie ʿôlām dus vertaalt met ‘eeuwig’ en daarbij denkt aan een notie van tijdloosheid of een filosofische notie van eeuwigheid, vult daarmee het Hebreeuws op een oneigenlijke manier in.

Wanneer we deze conclusies verbinden met de moderne betekenis van ‘eeuwig’, dan valt op dat veruit de meeste passages getuigen van de betekenis ‘tot in de meest verstrekkende tijd’ of ‘altijd, mits/totdat’ (betekenis 3). Er is geen basis in het OT voor de notie van tijdloosheid (betekenis 4) en ook niet voor kwalitatieve noties (eeuwig in de zin van ‘echt, ten diepste, werkelijk’) die losstaan van de notie van langdurigheid. De kwalitatieve betekenis van ‘permanent, altijd’ komt niet voor zonder de kwantitatieve basis in de tijd.

Dr. Robin B. ten Hoopen is universitair docent Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit in Utrecht en predikant binnen de PKN. Hij promoveerde in 2025 op een proefschrift over onsterfelijkheid in het Oude Testament en het Oude Nabije Oosten.

Bronvermelding

Robin B. ten Hoopen, ‘Hoelang duurt eeuwig? Eeuwigheid en tijd in het Oude Testament’ in: Met Andere Woorden 45/1 (juni 2026), 4-19.

Afbeelding: Jesaja. 18e eeuwse iconostase in het Kizhi-klooster, Karelië. Het boek Jesaja spreekt meermaals van een verbond dat ‘eeuwig’ is. Beeld: National Catholic Register.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons