Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

1 Samuel 8:1-20 – Preekinspiratie

Waar gaat het om in dit gedeelte?

Nadat Samuel op hoge leeftijd gekomen is en zijn zonen geen waardige opvolgers bevonden zijn, vraagt het volk om een koning aan te stellen. Het verhaal markeert de overgang van de periode van de rechters naar de monarchie en het koningschap in Israël. Tevens handelt de passage over het vertrouwen van het volk in God. Door een menselijke koning te vragen, verwerpen ze God als koning. Hun vertrouwen dat God er steeds voor hen zal zijn is niet zo groot. Het doet ons stilstaan bij het vertrouwen dat we zelf in God stellen. Vertrouwen we erop dat God ons steeds nabij zal zijn of willen we ons lot telkens in eigen handen nemen?

Klik om deze passage te lezen in de NBV21

Hier kun je (als je bent ingelogd) deze tekst lezen in verschillende vertalingen.

En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier de passage in verschillende vertalingen met aantekeningen (tip: zet bij ‘Persoonlijk’ ‘Toon voetnoten’ en ‘Toon verwijzingen’ aan).

Invalshoeken voor de verkondiging

  • In 1 Samuel 8:1-20 vraagt het volk om een koning. Door dit te doen twijfelen ze aan de soevereiniteit van God. Een menselijke koning zal volgens hen meer (en onmiddellijk) bescherming bieden dan dat God dat kan. Op die manier plaatsen ze God buitenspel. Het is een goed voorbeeld van de menselijke hang naar maakbaarheid. Waarom heb je God nodig als een mens het evenzeer en misschien zelfs beter kan doen? Zijn er momenten waarop we God niet nodig hebben omdat we ervan uitgaan dat we het zelf beter kunnen? Worden onze daden en verwezenlijkingen er werkelijk beter van/op wanneer we God buitenspel zetten?
  • Een van de redenen waarom het volk een koning wenst in 1 Samuel 8:1-20 is dat ze zoals andere volken willen zijn. Ze spiegelen zich aan anderen om hun eigen (geloofs)leven vorm te geven. Vandaag kijken mensen nog steeds naar anderen en nemen ze vaak ook gewoontes over. Zo worden mensen vaak beïnvloed door rolmodellen op social media en gaan ze zich gedragen, denken en kleden zoals hen. Ook met betrekking tot geloof spiegelen mensen zich vaak aan rolfiguren terwijl dit niet altijd wenselijk is. Laten we ons te veel leiden door wat anderen ons voorschotelen of vragen we in gebed aan God wat Hij van ons verlangt?
  • 1 Samuel 8:1-20 is een verhaal over vertrouwen. Het volk vertrouwt er niet op dat God hun nog de nodige bescherming kan geven. Ze leggen hun vertrouwen liever bij een mens dan bij God. Echter, zoals de verhaallijn van 1 Samuel laat zien is dit vertrouwen misplaatst. De eerste koning, Saul, is verre van een ideale koning. Stellen wij ons vertrouwen ook vaak in de verkeerde persoon? Wankelt ons vertrouwen in God ook vaak? Zo ja, hoe kunnen we ervoor zorgen dat ons vertrouwen in God rotsvast wordt?
  • In 1 Samuel 8 verwoordt Samuel op een scherpe manier wat macht met een mens doet, namelijk, steeds meer willen, vaak ten koste van anderen. In die zin kan het verhaal een kritische spiegel voor ons zijn. We zijn dan misschien geen koningen, maar we bevinden ons vaak in een geprivilegieerde positie ten opzichte van sommige andere delen van de wereld. Zijn er zaken waar Samuel voor waarschuwt waarin we ons herkennen? Hoe kunnen we onze geprivilegieerde positie ten goede inzetten?

Context van 1 Samuel 8:1-20

Het boek Rechters als geheel 

Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek Rechters vind je in deze Inleiding bij het boek Rechters

Plek van deze passage in het geheel

De passage markeert de overgang van de periode van de rechters naar de periode van het koningschap in Israël. In hoofdstuk 7 was Samuel nog rechter en zorgde hij ervoor dat de dreiging van de Filistijnen afgewend werd. Vanaf hoofdstuk 8 is Samuel te oud geworden om nog rechter te zijn en wil hij zijn zonen tot rechter aanstellen. Aangezien zij, omwille van corruptie en machtsmisbruik, slecht bevonden worden in de ogen van het volk, vraagt het volk om een koning aan te stellen. God stemt hiermee in. Uiteindelijk zal Saul als eerste koning gezalfd en aangesteld worden in hoofdstuk 10.

Opbouw en kern van 1 Samuel 8:1-20

We kunnen de passage als volgt onderverdelen:

  • Vers 1-3: Samuel en zijn zonen
  • Vers 4-6a: De oudsten vragen om een koning
  • Vers 6b-9: God antwoordt Samuel
  • Vers 10-18: De rechten van de koning
  • Vers 19-22: Het volk vraagt om een koning

Verzen 1-3 bouwen verder op het optreden van Samuel. Nadat de Filistijnen overwonnen waren (hoofdstuk 7), is er een aanzienlijke tijd gepasseerd. Samuel is ondertussen oud geworden en stelt zijn zonen aan tot rechter. Echter, deze zijn corrupt en roepen onvrede op bij de bevolking.

Om die reden vragen de oudsten van Israël aan Samuel om, net zoals de andere volken, een koning aan te stellen die hen kan besturen (vs. 4-5). Samuel vindt dit echter niet gepast en vraagt raad aan God (vs. 6). God antwoordt hem dat hij het verzoek van het volk moet inwilligen, maar dat ze gewezen moeten worden op de rechten van de koning (vs. 7-9). Samuel brengt de boodschap van God aan het volk over. Al zijn er bepaalde rechten die een koning kan laten gelden en zal God hen niet helpen wanneer het volk Hem aanroept om op te treden tegen de koning, toch blijft het volk om een koning vragen (vs. 10-20). In die zin zit er een zekere ironie in het verhaal. Het volk wil de zonen van Samuel niet erkennen omdat ze hun macht misbruiken. Tegelijk willen ze een koning die juist meer macht toebedeeld krijgt, in de hoop dat het dan beter zal gaan.

Dat het volk om een koning vroeg gaat in tegen de soevereiniteit van God. In de periode van de rechters waren de rechters geen koningen en was het duidelijk dat God koning was over Israël. Door een menselijke koning te vragen, verwerpen ze God als koning (vs. 7). In plaats van steeds te wachten totdat God rechters aanstelt om het volk te leiden, willen ze het koningschap instellen, zodanig dat er onmiddellijk gehandeld kan worden wanneer er problemen opduiken of ze bedreigd worden door andere volken. De passage gaat dus om het vertrouwen dat het volk in God stelt. Ondanks het gegeven dat God er telkens voor hen is, wat nogmaals bewezen werd door de overwinning op de Filistijnen in hoofdstuk 7, vertrouwen ze er niet op dat God hen zal redden wanneer de nood het hoogst is.

Aantekeningen per vers

Bij vers 1 

Israël vraagt een koning

1Toen Samuel oud geworden was, benoemde hij zijn zonen tot rechters over Israël.

1 Samuel 8:1NBV21Open in de Bijbel

  • Toen Samuel oud geworden was: Er is een aanzienlijke tijd gepasseerd tussen de vorige hoofdstukken die over Samuel en de overwinning op de Filistijnen handelden en hoofdstuk 8.  

Bij vers 2 

2De oudste heette Joël en de tweede Abia. Ze bestuurden het land vanuit Berseba.

1 Samuel 8:2NBV21Open in de Bijbel

  • Joël (…) Abia: In 1 Kronieken 6:13 worden de zonen van Samuel ook genoemd. Daar lezen we over Wasni en Abia. Wasni wordt hier als de oudste bestempeld en niet Joël, zoals in 1 Samuel 8:2. Joël wordt wel als zoon van Samuel beschreven in 1 Kronieken 6:18.  
  • Berseba: Berseba kan worden vertaald als ‘put van zeven’ of ‘put van de eed’. Het is een plaats helemaal in het zuiden van Israël die meermaals voorkomt in het Oude Testament. De eerste keer dat hij vermeld wordt is wanneer Hagar samen met Ismaël weggestuurd wordt door Abraham (Gen. 21). Ze dwalen rond in de woestijn van Berseba. Het heeft zijn naam te danken aan de plaats waar Abraham en Abimelech een bondgenootschap sloten (Gen. 21).

Bij vers 3 

3Maar ze volgden het voorbeeld van hun vader niet na: ze waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht.

1 Samuel 8:3NBV21Open in de Bijbel

  • eigen voordeel: beṣaʿ in het Hebreeuws. Het woord slaat op onrechtmatig verkregen voordeel, wat de vermelding van steekpenningen en verdraaien van het recht in het vers duidelijk maakt. 

Bij vers 4 

4De oudsten van Israël kwamen daarom bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuel.

1 Samuel 8:4NBV21Open in de Bijbel

  • De oudsten van Israël: ziqnê yiśrāʾēl in het Hebreeuws. De oudsten waren een groep van oudere stamleiders die belangrijke beslissingen moesten nemen. Het volk deed op hen beroep wanneer ze advies wensten. Ze waren als het ware vertegenwoordigers van de gemeenschap. 
  • Rama: De woonplaats van Samuel, zie 1 Samuel 7:17

Bij vers 5 

5‘U bent oud geworden,’ zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’

1 Samuel 8:5NBV21Open in de Bijbel

  • U bent oud (…) uw voorbeeld niet na: De oudsten van Israël geven twee redenen waarom ze een koning willen. Enerzijds vinden ze Samuel, die rechter is, te oud. Anderzijds zijn Samuels zonen ongeschikt om rechter te worden omwille van alle slechte dingen die ze doen (zie vs. 3). Nadien komt er nog een derde reden, namelijk dat andere volken ook een koning hebben. 
  • Benoem liever (…) er een hebben: Zie Deuteronomium 17:14-15. In die passage stelt Mozes dat het volk inderdaad mag vragen om een koning aan te stellen, maar deze mag niet uit een ander land of volk komen. 
  • te besturen: Het werkwoord šāpaṭ wordt hier gebruikt, wat ook ‘oordelen/rechtspreken’ betekent. Later in de tekst, in vers 9, wordt het werkwoord mālak (‘besturen’) gebruikt. De taak van een koning was inderdaad om enerzijds te besturen, maar ook evenzeer om een oordeel te vellen/recht te spreken.

Bij vers 6 

6Samuel vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen; daarom richtte hij een gebed tot de HEER.

1 Samuel 8:6NBV21Open in de Bijbel

  • Samuel vond het ontoelaatbaar: wayyēraʿ haddābār bəʿênê šəmûʾēl in het Hebreeuws, letterlijk: ‘En het was slecht in de ogen van Samuel.’ Samuel vindt het onaanvaardbaar dat de oudsten het rechterschap willen inruilen voor het koningschap. Rechters werden door God aangesteld. God werd in deze verhouding als koning gezien. Wanneer de oudsten vragen om een menselijke koning, ondermijnt dat het koningschap van God (zie ook vs. 7). Uit Gods reactie in vers 7 blijkt dat Samuel misschien ook persoonlijke redenen heeft voor zijn afwijzende houding: hij ervaart de wens van de oudsten als kritiek op zijn persoon.

Bij vers 9 

9Geef dus gehoor aan hun verzoek, maar waarschuw hen door uitdrukkelijk te wijzen op de rechten die de koning die over hen zal heersen, kan laten gelden.’

1 Samuel 8:9NBV21Open in de Bijbel

  • de rechten die de koning (…) kan laten gelden: mišpaṭ hammelek in het Hebreeuws. Deze rechten, die in het Oude Nabij Oosten gebruikelijk waren maar niet door God ingesteld zijn, zullen vanaf vers 10 door Samuel meegedeeld woorden. Daarnaast moeten de oudsten, door een koning te wensen, er rekening mee houden dat dit de sociale structuur/hiërarchie zal aanpassen. Al vroegen de oudsten een koning die over hen kan oordelen (šāpaṭ, zie vs. 5), de koning zal voornamelijk over hen heersen (mālak).

Bij vers 10 

10Samuel vertelde alles wat de HEER had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg.

1 Samuel 8:10NBV21Open in de Bijbel

  • vroeg: haššōʾălîm van het werkwoord šāʾal (vragen, smeken, verlangen), waar de naam Saul (i.e. gevraagd [van God]) van afgeleid is. Dit is een intentioneel woordspel.

Bij vers 11 

11Toen zei hij: ‘Dit zijn de rechten die de koning die over u zal heersen, kan laten gelden: Uw zonen zal hij u afnemen om ze in te delen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte,

1 Samuel 8:11NBV21Open in de Bijbel

  • de rechten die de koning (…) kan laten gelden: Zie vers 9. 
  • zijn persoonlijke escorte: wərāṣû lipnê merkabtô in het Hebreeuws, letterlijk: ‘degenen die voor zijn strijdwagens zullen lopen’. Het was de gewoonte dat de strijdwagen van de koning voorafgegaan werd door dienaars die voor de wagen liepen als een soort escorte. Zie ook 2 Samuel 15:1 en 1 Koningen 1:5.

Bij vers 12 

12of om ze aan te stellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken.

1 Samuel 8:12NBV21Open in de Bijbel

  • Vers 12 stelt wat er gaat gebeuren met de zonen van het volk als ze wensen een koning aan te stellen. Ze zullen ingezet worden voor militaire doeleinden, voor landbouwactiviteiten of als ambachtslieden. 

Bij vers 13 

13Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken.

1 Samuel 8:13NBV21Open in de Bijbel

  • In tegenstelling tot de zonen, zullen de dochters andere beroepen uitvoeren. Ze zullen koken en bakken. 

Bij vers 14 

14Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen.

1 Samuel 8:14NBV21Open in de Bijbel

  • aan zijn hovelingen: laʿăbādāyw in het Hebreeuws. Letterlijk betekent het ‘aan zijn dienaren’. Echter, het is duidelijk dat het hier om dienaren van de koning (ăbādîm hammelek) gaat. Dat de koning vruchtbare grond(en) gaf aan zijn loyale dienaren was een veelvoorkomend gebruik in het Oude Nabije Oosten. Dit in tegenstelling tot hoe het in Israël had moeten gaan, waar grond door God was toebedeeld en in principe niet van eigenaar kon wisselen (zie 1 Kon. 21). In 1 Samuel 22:7 verwijst Saul naar het gebruik dat vermeld wordt in vers 14 met de vraag aan de Benjaminieten of David hun dat ook beloofd heeft.

Bij vers 15 

15Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven.

1 Samuel 8:15NBV21Open in de Bijbel

  • een tiende deel opeisen: Hier wordt een vorm van het werkwoord ʿāśar gebruikt. Het gaat om een koninklijke belasting op agrarische producten.

Bij vers 19 

19Het volk trok zich niets van Samuels woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet!

1 Samuel 8:19NBV21Open in de Bijbel

  • Het volk: Nu zijn het niet de oudsten van Israël die smeken om een koning maar het volk zelf. 

Bij vers 20 

20Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uit trekt en ons voorgaat in de strijd.’

1 Samuel 8:20NBV21Open in de Bijbel

  • Terwijl de oudsten van Israël in vers 5 nog aangaven dat ze een koning nodig hadden om over hen te besturen/oordelen, geeft het volk in vers 20 nog andere functies van de koning weer. Enerzijds willen ze dat hij hen bestuurt en over hen rechtspreekt. Hier wordt hetzelfde werkwoord als in vers 5 gebruikt, namelijk šāpaṭ. De NBV21 geeft de brede betekenis van dit woord in dit vers weer door het met twee werkwoorden te vertalen: ‘besturen’ en ‘rechtspreken’. Daarnaast moet de koning voor het volk uit gaan en hun voorgaan in de strijd. Op deze manier verwacht men ook dat de koning een strijdersfiguur is.

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen 

Blijf op de hoogte

Wil je een seintje ontvangen wanneer er nieuw materiaal online staat?

Ter inspiratie

Als God niet meer genoeg is 

Israël stond op een kruispunt. Samuel werd oud. Zijn zonen waren geen waardige opvolgers. Ze waren corrupt, geldzuchtig en onrechtvaardig. Het volk zag de problemen en kwam met een oplossing. ‘Geef ons een koning.’

Op het eerste gezicht lijkt dat een begrijpelijke vraag. Er moest immers leiding komen. Er moest orde zijn. Er moest bescherming zijn. Maar God kijkt dieper dan de oppervlakte. Hij zegt tegen Samuel: ‘Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist Mij als hun koning.’ Dat is confronterend.

Het probleem was niet dat Israël behoefte had aan leiderschap. Het probleem was dat zij hun vertrouwen verplaatsten van God naar iets zichtbaars. Ze wilden zijn als de andere volken. Ze wilden een koning die ze konden zien, horen en aanraken. Iemand die hun oorlogen zou voeren en hun toekomst zou veiligstellen.

Hoe vaak doen wij hetzelfde?

Wij zeggen misschien niet letterlijk: ‘Geef ons een koning.’ Maar we zoeken zekerheid in geld, status, relaties, invloed, politieke leiders of zelfs religieuze systemen. We denken vaak: als ik dát heb, dan komt het goed.

God waarschuwde Israël dat een aardse koning hun zonen, hun dochters, hun bezit en hun vrijheid zou nemen. Wat zij zagen als hun redding, zou uiteindelijk een last worden.

Dat is nog steeds waar. Alles wat de plaats van God inneemt, gaat uiteindelijk meer van ons vragen dan het ons geeft. Afgoden beloven vrijheid, maar brengen slavernij. Denk bijvoorbeeld aan iemand die middelen gebruikt om pijnlijke gebeurtenissen te vergeten, maar gaandeweg juist afhankelijk wordt van dat middel.

Toch is dit hoofdstuk niet alleen een waarschuwing. Het wijst ook vooruit. Israël verlangde naar een koning, maar koos uiteindelijk vanuit een verkeerde motivatie. Eeuwen later zou God zelf de ware koning sturen, Jezus Christus. Geen koning die neemt, maar een koning die geeft. Geen koning die zijn volk uitbuit, maar een koning die zijn leven aflegt voor zijn volk.

De vraag van 1 Samuel 8 klinkt vandaag nog steeds: wie regeert jouw hart? Vertrouw je op menselijke oplossingen, of op de koning der koningen? Want het grootste probleem van de mens is niet een gebrek aan leiderschap, maar een hart dat steeds weer iets anders op de troon zet dan God. En toch blijft Gods uitnodiging klinken: keer terug naar Mij, laat Mij weer koning zijn (Zach. 1:3).

Wanneer iemand God uit het oog verliest, groeit de onrust. Maar zodra hij terugkeert in gebed en God weer de leiding geeft, komt er opnieuw rust en richting. Dat is de weg naar echte vrijheid.

Hedwig Komproe, emeritus predikant kerkgenootschap New Song Nederland 

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.46.1
Volg ons