1 Koningen 21:1-21 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Het verhaal van de wijngaard van Nabot lijkt op het eerste gezicht een verhaal over hebzucht en machtsmisbruik. Maar het gaat dieper. Nabot, een gewone Jizreëliet, weigert zijn erfland te verkopen aan koning Achab. Niet uit koppigheid, maar omdat hij leeft met de Tora: het land is ten diepste Gods eigendom, in bruikleen gegeven aan het volk. Land is niet inwisselbaar. Achab en Izebel denken daar heel anders over. Land is handelswaar, en geld en macht beslist. Het conflict tussen Nabot en Achab is een botsing van twee levenswijzen: het leven in verbondenheid met God, volk en land, tegenover het imperialistische model waarin geld en macht de dienst uitmaken. Als het tweede wint, verdwijnt alles wat Israël tot Israël maakt.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
De wijngaard van Nabot
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Het verhaal toont een botsing van twee levenswijzen. Nabot staat voor de levenswijze van Israël, gesymboliseerd door de wijngaard, waarbij land, volk en God verbonden zijn. Achab en Izebel staan voor de imperialistische levenswijze, waarbij geld en macht de boventoon voeren. Land is daarbij een gebruiksproduct. De groentetuin staat symbool voor de maakbaarheid van het ‘Egyptische model’. Zo brengt Achab precies datgene naar binnen waar God zijn volk uit wilde bevrijden. De vraag die dit oproept voor de preek: op welke manier sluipen bij ons levenswijzen binnen die God buitenspel zetten, misschien zonder dat we dat in de gaten hebben?
- Het verhaal laat zien wat begeerte met een mens doet. Achab vervormt en verdraait Nabots woorden. Zijn begeerte maakt hem blind en doof voor de ander. Het verhaal leest als een illustratie bij het tiende gebod, ‘zet je zinnen niet op wat van je naaste is’ (Ex. 20:17). Begeerte is de drijfveer achter acties die van kwaad tot erger gaan: het verdraaien van iemands woorden, valse beschuldigingen, moord en roof. Hoe herkennen en doorbreken we dat patroon in ons eigen leven en in een samenleving die begeerte als economische motor op een voetstuk heeft gezet?
- Hoe gaan we om met ons land: relationeel of transactioneel? Nabot leeft in verbondenheid met zijn grond, zijn voorgeslacht, en de ware eigenaar, God. Voor Achab is land inwisselbaar, verhandelbaar. Het verhaal vormt een waarschuwing voor wat er gebeurt als het transactionele (alles is handelswaar) het wint van het relationele (de hogere waarden). Dit roept actuele vragen op over bezit en onze omgang met grond. Hoe zijn wij verbonden met de grond waarop we leven? En hoe gaan we collectief om met de vruchtbare grond en de aarde in het algemeen? Een spannend thema, maar er is een onmiskenbaar verband tussen de houding van Achab, die in onze tijd volledig gangbaar is geworden, en een desastreuze omgang met de aarde.
- Nadat Nabot gedood is en Achab zijn wijngaard in bezit neemt, stuurt God de profeet Elia. Elia houdt Achab persoonlijk verantwoordelijk, ook al heeft Izebel de moord geregeld en hebben de mannen van Jizreël die uitgevoerd. Immers, moord en roof zijn in naam van de koning gepleegd. Dat is de logica van de Bijbelse profetie: machthebbers worden aangesproken op wat er in hun naam gebeurt. Het is niet zozeer dat de profeet de macht van de koning inperkt of betwist, maar dat hij hem dwingt tot verantwoording. De vraag aan ons is: hoe en waar klinkt die profetische stem vandaag? Wie roept de machthebbers ter verantwoording ten overstaan van machtsmisbruik en onrecht?
Context van 1 Koningen 21:1-21
Het boek 1 Koningen als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het boek 1 Koningen vind je in deze Inleiding bij het boek 1 Koningen
Plek van deze passage in het geheel
Het verhaal van de wijngaard van Nabot staat ingeklemd tussen twee hoofdstukken over de oorlogen tussen Israël en Aram (1 Kon. 20 en 22). In 1 Koningen 20 verslaat Achab de Aramese koning Benhadad, maar laat hem vervolgens vrij in ruil voor handelsprivileges: een markt in Damascus. Een profeet spreekt hem hierop aan, waarop Achab ‘woedend en terneergeslagen’ terugkeert naar zijn paleis. Diezelfde frase komt terug in het Nabot-verhaal (‘woedend en terneergeslagen’, 21:4), waardoor een verband wordt gelegd: de Achab die Gods instructies negeert omdat er geld te verdienen valt (hfst. 20), is dezelfde Achab die een onschuldige laat doden om een stuk land (hfst. 21). Op die manier is het verhaal van de wijngaard meer dan een incident: dit is waartoe het koningschap leidt als machthebbers vergeten wat wezenlijk is voor het leven in verbondenheid met God.
De regering van Achab beslaat 1 Koningen 16:29-22:40; deze verhalen zijn verweven met het optreden van de profeet Elia, die zijn tegenspeler is (1 Kon. 17, 18, 19, 21). De uiteindelijke straf van Achabs familie en Izebel wordt een generatie later voltrokken, nadat Jehu tot koning is gezalfd (2 Kon. 9). In dat hoofdstuk wordt de wijngaard van Nabot opnieuw genoemd (2 Kon. 9:21, 25, 26).
Opbouw en kern van de passage
Het verhaal van 1 Koningen 21 heeft twee delen:
- Vers 1-16: Het conflict en de moord
- Vers 17-29: Elia’s confrontatie met Achab
Het eerste deel (vs. 1-16) draait om de botsing tussen twee manieren van leven. De schrijver bouwt dit zorgvuldig op via een reeks scènes: de ontmoeting tussen Achab en Nabot (vs. 1-3), het gesprek tussen Achab en Izebel (vs. 4-7), Izebels brief (vs. 8-10), de uitvoering in Jizreël (vs. 11-14) en Achabs inbezitname van de wijngaard (vs. 15-16).
In deze scènes worden Nabots woorden verdraaid en worden hem valselijk woorden in de mond gelegd om hem te laten doden. Let dus goed op de woorden die Nabot spreekt en die men hem in de mond legt. Nabot motiveert zijn weigering om zijn wijngaard te verkopen zorgvuldig: ‘De HEER (JHWH) verhoede dat ik het erfbezit van mijn voorouders aan u zou geven’ (vs. 3). Maar als Achab Nabots woorden aan Izebel rapporteert, zijn ze verdraaid (vs. 6), en Izebel maakt er in vers 15 botweg van ‘de wijngaard die Nabot je weigerde te verkopen’. Wat voor Nabot diep sociaal en religieus gemotiveerd is, wordt in de beleving van Achab en Izebel pure eigenzinnigheid, een domme weigering die gewroken wordt. Niet alleen worden Nabots woorden verdraaid, ook legt Izebel hem woorden in de mond om hem te laten veroordelen: Nabot wordt beschuldigd van godslastering en majesteitsschennis (‘jij hebt God en koning vervloekt’).
Het werkwoord nātan (‘geven’) is een motiefwoord in vers 1-16: het komt tien keer voor, steeds verbonden met de wijngaard of een ander stuk land of geld als ruilmiddel. Daardoor ligt er veel nadruk op wat Izebel zegt in vers 7: ‘Ik zal je de wijngaard van Nabot geven’ (NBV21: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jij de wijngaard van Nabot krijgt.’) Dit is een echo van de landsbelofte, waar God tegen Israël zegt: ‘Ik zal jullie het land geven.’ Izebel eist hier Gods positie op door over het land te willen beschikken. Wat zij hier doet is precies wat in de Bijbel het klassieke verwijt is aan het adres van de grote koningen, van de farao in Egypte tot Nebukadnessar van Babel: willen beschikken over volken en landen alsof ze God zelf zijn.
Het tweede deel, vers 17-29, biedt een tegenverhaal. God stuurt de profeet Elia, die Achab confronteert. De beschuldiging bestaat in het Hebreeuws uit drie woorden: heb-je-gemoord / en-daarbij-ook-nog / in-bezit-genomen? Dat is geen toeval, want de valse aanklacht tegen Nabot (vs. 10) bestond eveneens uit drie woorden: jij-hebt-vervloekt / God / en-koning. Het werkwoord yāraš, ‘in bezit nemen’, verbindt de twee delen van het hoofdstuk (vs. 15-16 en vs. 18-19). In de Tora is dat het woord voor Israëls inbezitneming van het beloofde land als gave van God. Hier draait Achab de verbondsgeschiedenis om door bezit af te nemen van degene aan wie God het gegeven heeft.
Daarop volgt de afsluiting (vs. 25-29). Eerst een terzijde van de schrijver dat Achabs slechtheid zijn weerga niet kende, aangestuurd door Izebel en verbonden met afgodendienst (vs. 25-26). Dan een verrassende wending: Achab scheurt zijn kleren en doet boete (vergelijk de reactie van Josia in 2 Kon. 22:19). Het heeft als gevolg dat God de voltrekking van de straf over Achabs familie uitstelt tot de volgende generatie. Zelfs Achab valt niet buiten het bereik van Gods genade.
De thematiek van 1 Koningen 21 wordt verder uitgediept in Hemels Groen: nieuw licht op duurzaamheid als bijbels thema, hoofdstuk 3.
Aantekeningen per vers
Bij vers 1
De wijngaard van Nabot
- De Jizreëliet (…) van Samaria (…) in Jizreël: De plaatsnamen in dit vers vertellen een subtiel verhaal. Zowel Nabot als de wijngaard is verbonden met Jizreël: Nabot is een ‘local’, hij hoort daar thuis, het is zijn grond. Dat ligt anders met Achab, die is ‘van Samaria’, in Jizreël is hij een buitenstaander zonder erfbezit.
- Nabot had een wijngaard: De Hebreeuwse frase ‘… had een wijngaard’ komt ook voor in Jesaja 5:1 (‘Mijn geliefde had een wijngaard’) en in Hooglied 8:11 (‘Salomo had een wijngaard’). In Jesaja 5 staat de wijngaard voor Israël als Gods gekoesterde bezit. Door die parallel zit er in het verhaal over Nabot een subtiele hint, dat zijn wijngaard meer is dan een stuk grond van een individu: hij staat symbool voor Israël.
- paleis: In de Koningen-boeken wordt het paleis van de koning doorgaans bêt-hammelek, ‘huis van de koning’, genoemd. Hier wordt het woord hêkāl gebruikt (van het Akkadische ekallu). Dat wordt in de Koningen-boeken vrijwel uitsluitend voor de tempel gebruikt, behalve één keer voor het paleis van de koning van Babylonië (2 Kon. 20:18). Zo wordt Achab hier subtiel gepositioneerd als een buitenlandse koning.
Bij vers 2
- om er groente te verbouwen: Letterlijk ‘tot groentetuin’ (gan yārāq). De aanduiding ‘groentetuin’ komt verder alleen voor in Deuteronomium 11:10, waar het staat voor de Egyptische manier van landbouw, gekenmerkt door irrigatie. Terwijl de wijngaard staat voor het Israëlitische land, dat door God zelf met regen wordt bevloeid, staat de groentetuin voor het Egyptische land en menselijke controle. Achab wil het Egyptische model importeren in Israël. Niet God gaat over het land, maar de mens.
- Ik zal u er een betere wijngaard voor teruggeven, of ik zal u, als u dat liever hebt, de prijs ervan in zilver uitbetalen: Achab biedt Nabot een aantrekkelijke deal: een betere wijngaard of een uitbetaling in zilver. Opvallend is het verschil tussen de ene en de andere wijngaard. De wijngaard van Nabot wordt gekenmerkt door zijn plaatsing: in Jizreël. De wijngaard die Achab ervoor tegenoverstelt, is niet gelokaliseerd, maar wordt door economische termen bepaald: een betere wijngaard. Dit onthult Achabs niet-Israëlitische kijk op land.
Bij vers 3
- De HEER verhoede: Dit is een bezweringsformule waarbij God als getuige wordt aangeroepen. Dezelfde woorden gebruikt David als hij weigert zijn hand op te heffen tegen Gods gezalfde Saul (1 Sam. 24:7; 26:11) en als hij weigert water te drinken dat zijn mannen met gevaar voor eigen leven hebben gehaald (2 Sam. 23:17). Het gaat telkens om een principiële weigering, om, uit eerbied voor God, niet de gemakkelijke weg te kiezen maar de moeilijke.
- de grond die ik van mijn voorouders heb geërfd: Nabot spreekt niet van ‘mijn wijngaard’ (anders dan Achab in vers 1: ‘uw wijngaard’), maar van ‘het erfbezit van mijn voorouders’ (naḥălat ʾābôtay). Het begrip naḥălā is de vaste term voor het door God gegeven land aan de stammen en families (zie Lev. 25:23-24). Land is in Israël niet verhandelbaar: het is Gods geschenk aan de familie voor alle generaties. Nabot ziet dus geen aantrekkelijke deal, maar een onmogelijke vraag. Het punt is ook niet dat hij het niet wíl, maar dat het volgens hem niet kán: dit is niet hoe we in Israël omgaan met het land dat God aan onze voorouders gegeven heeft. Dit is Nabots enige spreektekst in het verhaal, vanaf hier zal er alleen nog met zijn woorden gesold worden.
Bij vers 4
- woedend en terneergeslagen: Dit is dezelfde frase als in 1 Koningen 20:43, het slot van het voorafgaande verhaal, na de profetische veroordeling van Achab vanwege het laten gaan van Benhadad. De herhaling verbindt de twee episoden: in beide gevallen is Achab iemand die God negeert (en vervolgens de rekening gepresenteerd krijgt).
- met zijn gezicht naar de muur, en weigerde te eten: Vergelijk 2 Koningen 20:2, waar Hizkia zijn gezicht naar de muur draait als hij dodelijk ziek is, en 2 Samuel 12:16-17, waar David weigert te eten als zijn kind dreigt te sterven. Voor David en Hizkia gaat het over zaken van leven en dood, voor Achab gaat het over een stuk land dat hij in feite niet nodig heeft. Zijn gedrag is bijzonder kleinzielig.
Bij vers 6
- Maar hij weigerde zijn wijngaard aan mij af te staan: Achab verdraait Nabots woorden (letterlijk: ‘hij zei: Ik geef je mijn wijngaard niet!’). Hij lijkt niets begrepen te hebben van Nabots reactie en blijft simpelweg spreken van ‘zijn wijngaard’ alsof Nabot er direct over kan beslissen. Daarom neemt hij zijn weigering ook zo hoog op.
Bij vers 7
- Jij bent toch de koning van Israël?: Izebel spreekt Achab aan op zijn passiviteit. In haar woorden klinkt echter nog iets meer mee. Je kunt haar uitroep vertalen als: ‘Oefen jij nu het koningschap over Israël uit?’ Het Oude Testament is ambivalent over het koningschap. In 1 Samuel 8 wordt het bij voorbaat gediskwalificeerd als een afwijzing van God. Deuteronomium 17:14-20 en Ezechiël 46:16-18 beschrijven hoe het koningschap in Israël moet worden begrensd en principieel anders moet worden ingevuld dan bij de omringende volken. Izebel vertegenwoordigt juist de tegenovergestelde visie op het koningschap: het imperialistische, op macht gebaseerde koningschap zonder grenzen.
- Ik zal ervoor zorgen dat jij de wijngaard van Nabot krijgt: Dit is een opvallende uitspraak in het verhaal. Letterlijk vertaald: ‘Ik zal je de wijngaard van Nabot de Jizreëliët geven.’ De frase ‘ik zal je geven’, met land als object, is in het Oude Testament vrijwel altijd een Godsuitspraak. Het is de vaste formulering van de landsbelofte, die begint in Genesis 12:7 (‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven’). Izebel laat met deze woorden zien dat zij Gods positie wil innemen als degene die beschikt over land en over leven en dood.
Israël vraagt een koning
Grondbezit van de vorst
Bij vers 8
- Uit naam van Achab schreef Izebel brieven, verzegelde die met het koninklijke zegel en stuurde ze: Hier treedt Izebel op als de werkelijke machthebber. Het plan om Nabot te laten doden voltrekt zich buiten Achab om. Hij komt pas weer in beeld als Nabot dood is. Izebel is de aanstichter van het kwaad. Toch houdt Elia Achab verantwoordelijk voor de dood van Nabot, want hij is de koning (vs. 19).
Bij vers 9
- In die brieven stond het volgende: Er is een opvallende parallel met 2 Samuel 11:14-15, waar David een brief schrijft aan Joab met daarin de opdracht om Uria te laten doden. In beide gevallen gaat het om een koning die zich iets toe-eigent wat hem niet toekomt en daarvoor iemand uit de weg moet ruimen. Bij David gaat het om een vrouw, Batseba, bij Achab om een stuk land.
- Kondig een vastendag af: Een vastendag was een dag van collectieve rouw en boete. Zulke dagen werden afgekondigd als een plotselinge ramp was ingetreden of dreigde. Het doel van een vastendag was om Gods genade af te smeken zodat Hij het onheil zou stoppen of afwenden. Als de leiders van de stad spontaan een vastendag afkondigden, zou dat grote schrik geven onder de bevolking: Wat is er aan de hand? Welke ramp hangt ons boven het hoofd? Is er iets gebeurd at Gods woede heeft gewekt? De ideale omstandigheden om iemand aan te wijzen als de boosdoener, die heel de gemeenschap in gevaar heeft gebracht.
Bij vers 10
- hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis: Wat deze twee mannen moeten zeggen, staat in de Hebreeuwse tekst in de directe rede: ‘jij hebt God en koning vervloekt’. Opvallend daarbij is dat, zoals vaker in het Oude Testament, het woord voor ‘zegenen’ (bārak) wordt gebruikt in een omgekeerde betekenis: vervloeken. De aanklacht verwijst naar Exodus 22:27 en Leviticus 24:16, waar godslastering met steniging wordt bestraft. Twee getuigen zijn vereist, conform Deuteronomium 17:6.
- Daarop moet u hem buiten de stad brengen en stenigen: De bittere ironie is dat Izebel hier precies de procedures voorschrijft volgens de wetten van Israël. Het lijkt dus allemaal volgens de regels te gaan, maar het is een grote farce, de aanklacht is verzonnen. Het klopt dat Nabot Gods naam heeft aangeroepen (‘De HEER verhoede …’, zie vs. 3), maar dat werd door Achab en Izebel genegeerd en nu wordt hem het tegenovergestelde in de mond gelegd: een vervloeking. En het klopt ook dat Nabot de koning heeft tegengesproken. Maar het is een totale verdraaiing van de werkelijkheid om dat als vervloeking van de koning op te vatten.
Bij vers 11
- Nabots stadsgenoten (…) deden wat Izebel hun had opgedragen: Wat Izebel in de brieven voorschrijft (vs. 9-10), wordt met grote nauwkeurigheid uitgevoerd door de mannen van Jizreël (vs. 11-13). Ook hier ligt een parallel met 2 Samuel 11
, waar Joab de instructies in de brief van David uitvoert zonder vragen te stellen of tegenwerpingen te maken. Simpelweg uitvoeren van wat de machthebber je opdraagt, is de makkelijkste weg. Hoewel 1 Koningen 21 de nadruk legt op de schuld van Izebel en de verantwoordelijkheid van Achab, zijn de mannen van Jizreël medeschuldig aan de dood van Nabot.
Bij vers 15
- Je kunt de wijngaard (…) in bezit nemen: De term ‘in bezit nemen’ komt voor in vers 15, 16, 18 en 19. Dit woord wordt ook gebruikt als het gaat over Israël dat het land Kanaän, het beloofde land, in bezit neemt. Dáár is het God die ervoor zorgt dat dit kan gebeuren, hier is het Izebel. Dat laat zien dat Izebel in dit verhaal de plek wil innemen die aan God is voorbehouden.
Bij vers 16
- ging hij naar Jizreël om de wijngaard van Nabot in bezit te nemen: In vers 4-6 lag Achab boos in bed omdat hij niet kreeg wat hij wilde. Daarna beschrijft het verhaal de actie van Izebel. Nu komt Achab eindelijk weer in beeld. De man die hem dwarszat is dood, hij kan het stuk land in bezit gaan nemen.
Bij vers 17
- De HEER richtte zich tot (…) Elia: God bekommert zich niet alleen om zaken van nationaal belang, maar ook om het recht van een individu zoals Nabot. Elia heeft hier dezelfde rol als de profeet Natan in 2 Samuel 12
.
Bij vers 19
- Je hebt een moord gepleegd en je het bezit van een ander toegeëigend: Letterlijk staat er in het Hebreeuws een vraag die uit drie woorden bestaat (net zoals de valse beschuldiging aan Nabots adres ook uit drie woorden bestond), ‘Heb-je-gemoord / en-ook-nog / in-bezit-genomen?’ Het eerste woord is hetzelfde werkwoord als van het zesde gebod: ‘Pleeg geen moord’ (Ex. 20:13; Deut. 5:17). Het tweede werkwoord is de vaste term voor het in bezit nemen van het beloofde land (Deut. 26:1 en elders). Hier gaat het om roof van een stuk land dat door God aan Nabots voorgeslacht gegeven is. Opvallend is dat Elia alleen werkwoorden gebruikt: je hebt gemoord en geroofd. Hij zegt niet wíé er vermoord is en wát er geroofd is. Dat laat zien dat dit verhaal over méér gaat dan een individuele casus. Nabot staat voor elke weerloze Israëliet die het slachtoffer wordt van macht en willekeur. Achab heeft Nabot niet met eigen handen gedood, hij wist niet eens van de opdracht tot moord. Toch houdt Elia hem verantwoordelijk. Zijn begeerte was de bron van het kwaad en de moord is in zijn naam gepleegd.
Het afdragen van de gaven
Bij vers 20
- U hebt u ertoe geleend iets te doen dat slecht is: Letterlijk staat er iets als ‘u hebt uzelf verkocht aan het doen wat slecht is’. Deze metafoor is veelzeggend in een verhaal over de botsing tussen waarden en geld. Achab heeft alle waarden die Israël tot Gods volk maken, overboord gegooid. Deze metafoor van ‘jezelf verkopen aan het doen wat slecht is’ komt ook voor in 2 Koningen 17:17, in de beschrijving van Israëls ondergang. Het impliceert een totale zelfovergave aan het kwaad.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Verdieping bij thema’s
- Voor verdere verdieping in het verhaal van de wijngaard van Nabot, lees hoofdstuk 3 van het boek Hemels Groen: nieuw licht op duurzaamheid als bijbels thema
(Haarlem/Antwerpen 2024). - Voor deze thematiek zie ook het artikel van Sam Janse over Psalm 37 in Met Andere Woorden: ‘De grondtoon van de Schrift in Psalm 37: een agrarische lezing
’.
