Context en aantekeningen bij Lucas 4:1-13, 22:28-34
Hier vind je informatie over de context van Lucas 4:1-13, 22:28-34 en aantekeningen bij de tekst.
Dit is de vierde aflevering in een serie over Job
Over de beproeving van christenen kun je meer lezen in dit artikel over de vertaling van het Onze Vader
Het Evangelie volgens Lucas als geheel
Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Lucas vind je in deze Inleiding op het Evangelie volgens Lucas
Dit evangelie is opgebouwd in vier hoofdgedeeltes:
Jezus’ geboorte en kinderjaren | |
Jezus’ optreden in het Judese land | |
Jezus’ reis naar Jeruzalem | |
Jezus in Jeruzalem |
Lucas schreef volgens veel uitleggers tegen het einde van de eerste eeuw, in de periode dat de verwoesting van Jeruzalem nog nadreunde en tot grote spanningen leidde in en rond Joodse gemeenschappen. Hij wil met Lucas-Handelingen uitleggen dat Jezus Christus de vervulling is van Gods belofte aan Israël, maar ook hoe het komt dat de meeste Joden Hem niet hebben aanvaard en het evangelie juist veel niet-Joodse aanhangers in de hele wereld heeft gekregen. Lucas’ werkwijze is dat hij zijn verhaal vormgeeft rond hem bekende overleveringen, maar daar een eigen ordening aan geeft. Het doel is om de boodschap van het evangelie te versterken (zie Luc. 1:1-4).
Voor een beschouwing over het Evangelie volgens Lucas als geheel, zie dit artikel van Arco den Heijer, ‘Het Evangelie volgens Lucas in het Jubeljaar van de Hoop’
Plek van deze passage in het geheel
Het verhaal van Jezus’ beproeving maakt deel uit van Lucas’ presentatie van Jezus als Zoon van God. Bij Jezus’ doop daalt de heilige Geest op Hem neer, zodat Hij zijn taak als Zoon van God op zich kan nemen (Luc. 3:21-22). Door middel van het geslachtsregister van Jezus tot op ‘Adam, de zoon van God’ (Luc. 3:23-38) zet Lucas Jezus’ Zoonschap tegen de achtergrond van dat van het mensengeslacht. Dan volgt de beproeving van Jezus, waarbij de eerste en derde proef zich expliciet op Jezus als Zoon van God richten.
Lucas 22:28-34 maakt deel uit van het gesprek tussen Jezus en de leerlingen na het laatste pesachmaal van Jezus. Hier thematiseert Jezus het verband tussen zijn beproevingen en de beproevingen die de leerlingen te wachten staan.
Opbouw en kern van de passage
Lucas 4:1-13 presenteert Jezus' verzoeking in de woestijn als een reeks van drie episodes, omkaderd door een inleiding (vers 1-2) en een conclusie (vers 13) Elke beproeving begint met een verhalende uiteenzetting, een voorstel van de duivel en Jezus' antwoord met een citaat uit Deuteronomium.
Lucas legt een verband tussen Jezus’ beproeving en de beproeving van Israël in de woestijn. Sommige uitleggers zien hier een contrast: Jezus hield vol, terwijl Israël niet slaagde. Maar dat lijkt bij Lucas niet aan de orde. Net zoals God Israëls gehoorzaamheid wilde testen en laten groeien, zo wordt Jezus getest of Hij is wat God zegt dat Hij is, de Zoon van God.
Een beproeving wil uittesten of iemands identiteit klopt. Kern van de passage is dat Jezus, vervuld met de kracht van de Geest, deze beproevingen van Satan doorstaat en zich niet als Zoon van God tegen God keert. Het is voorstelbaar dat Satan hier, het als in het boek Job, optreedt als instrument van God. Natuurlijk heeft de beproeving een andere spits dan bij Job (Jezus als Zoon van God), maar tegelijk staat bij Lucas Jezus’ Zoonschap tegen de achtergrond van de mensheid als van Gods geslacht (zie Plek van de passage in het geheel).
Steeds gaat het om de juiste houding van de mens tot God. Lucas 22:28-34 legt eerst een nauwe band tussen Jezus en zijn leerlingen. Omdat zij bij Hem zijn gebleven in zijn beproevingen, krijgen zij in het koninkrijk de mooiste plaatsen dicht bij Jezus (vers 28-30). Dan zegt Jezus dat Hij bij God ervoor heeft gepleit Satans beproeving in te perken. Net als bij Job de satan niet aan Jobs leven mocht komen, mag Satan bij Petrus niet aan zijn geloof komen. Petrus zal uiteindelijk niet echt tegen God kiezen. Nadat Petrus op zijn schreden teruggekeerd zal zijn, zal hij, door de beproeving gelouterd, zijn medegelovigen kunnen sterken.
Uitgelicht
De beproevingen van Jezus in Lucas 4 corresponderen met de beproevingen van Israël in de woestijn (Deuteronomium 8). Net zoals God zijn volk op de proef stelde of ze wel gehoorzaam aan Hem waren, zo wordt Jezus op de proef gesteld om te kijken of Hij wel de Zoon van God is. De zeef van de beproevingen waarop Satan Jezus’ leerlingen legt, scheidt het kaf van het koren.
De eigen accenten van Lucas in vergelijking met Matteüs en Marcus
Alle drie de synoptische evangeliën vertellen over Jezus’ beproeving (Mat. 4:1-11; Marc. 1:12-13). Lucas combineert het korte verslag van Marcus met een meer gedetailleerde beschrijving, die parallel loopt met Matteüs. Lucas heeft echter een andere volgorde van de tweede en derde beproeving, wellicht om nadruk op Jeruzalem, Jezus’ uiteindelijke doel, te leggen. Lucas en Matteüs gebruiken de Griekse term diabolos (duivel), terwijl Marcus ‘Satan’ gebruikt. Lucas laat weg dat Jezus door de engelen gediend werd.
In Jezus’ toespraak in Lucas 22:28-34 zijn verzen 28, 31-32 uniek voor Lucas. Lucas heeft als enige een redevoering van Jezus in aansluiting op het pesachmaal, waarin hij stof opneemt die in Matteüs en Marcus op andere plekken staat.
Aantekeningen
Lucas 4:1-13
Bij vers 1-2
Jezus door de duivel op de proef gesteld
- Vervuld van de Heilige Geest: Dit wijst terug naar de zalving in Lucas 3:22. Vervulling van de Geest staat voor goddelijke aanwezigheid en bevestiging (Hand. 6:3, 5; 7:55; 11:24. Zie ook Ps. 51:13; Wijsh. 9:17). Johannes en andere profeten worden ook beschreven als vervuld van de heilige Geest (Luc. 1:15). De vervulling van de Geest komt tot uiting in Jezus’ gezag en wonderlijke kracht (Luc. 4:32, 36, 40). Maar bij Jezus uit die vervulling zich krachtiger dan bij de profeten omdat Hij door zijn wonderbaarlijke verwekking, waarbij de Geest betrokken was, de Zoon van God is.
- weg van de Jordaan: De plaats van Jezus’ zalving met de Geest (Lucas 3:22).
- Hij werd door de Geest naar de woestijn geleid: Deze zin heeft Lucas gemodelleerd naar Deuteronomium 8:2 LXX: ‘Denk aan de weg waarnaar de Heer, uw God, u geleid heeft in de woestijn om u kwaad te doen en u op de proef te stellen en om te leren kennen wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet.’ De verzoeking in de woestijn, tussen de zalving en het publieke optreden in, correspondeert met de woestijnreis tussen de verlossing uit Egypte en de intocht in het land. Een positievere kant van Gods betrokkenheid bij de woestijnreis dan in Deuteronomium is te vinden in Jesaja 63:11-14, waar de profeet eraan herinnert dat God zijn volk met zijn heilige geest bezielde toen het door het water en door de woestijn trok. Zie ook Romeinen 8:14 en Galaten 5:18 over de leiding van de Geest. De leiding van de Geest wijst op Gods bijzondere betrokkenheid. Bij Lucas leidt de heilige Geest vaak personen naar een plaats waar God wil dat die persoon is (zie bijvoorbeeld Luc. 2:27; Hand. 8:39).
- duivel: Lucas en Mattheüs hebben ‘duivel’, wat een Griekse vertaling is van het Hebreeuwse woord śāṭān. In de Joodse denkwereld (bijv. Zach. 3:1-2 en Job 1-2 [de satan, d.w.z. de aanklager]) is de duivel een lid van de hemelse raad die als taak heeft de rechtvaardigen te beproeven. In latere tijd ontwikkelt deze figuur zich tot de verpersoonlijking van het kwaad en krijgt hij een eigennaam, Satan.
- op de proef gesteld werd: God stelt op de proef (Gen. 22:1; Deut. 8:2; 13:4; Ps. 81:8) om iemands geloof sterker te maken en om iemand aan te moedigen tot volharding (Jak. 1:1-4; 1 Petr. 1:6-7). Omdat Deuteronomium 8 de verstaanshorizon is van Lucas' verhaal en omdat Lucas verwijst naar de leiding van de heilige Geest, is het mogelijk te stellen dat Satan hier als instrument van God optreedt. Vergelijk Job 1-2, waar de satan in de rol van aanklager met toestemming van God Job op de proef stelt. Bij Lucas blijft dit echter impliciet, waardoor het beter is iets voorzichtiger te zijn en te zeggen dat God Jezus in een situatie van beproeving brengt en dat Satan beproeft.
- veertig: Vergelijk Deuteronomium 8:2-3 en Deuteronomium 29:4 LXX (‘Hij leidde jullie veertig jaar lang in de woestijn’). Lucas geeft de indruk dat Jezus veertig dagen lang op de proef wordt gesteld werd, waarvan hij drie tests aan het einde van die periode beschrijft.
Bij vers 3-4
- Als u de Zoon van God bent: Of: ‘omdat u de Zoon van God bent’ (hetzelfde geldt voor v. 9). De duivel trekt de identiteit van Jezus, die door God werd bekendgemaakt tijdens zijn doop, niet in twijfel (3:22), maar hij wil Jezus in de verleiding brengen om van zijn positie te profiteren.
- in een brood te veranderen: De beproeving van de honger was een van de beproevingen van Israël in de woestijn (Ex. 16:3-4; Deut. 8:3).
- De mens (…) alleen: Deuteronomium 8:3. Jezus verzet zich tegen Satans beproevingen door teksten uit Deuteronomium aan te halen. God wilde zijn volk leren dat het God is die voedsel geeft en het leven onderhoudt en dat ze zich dus niet moesten richten op oplossingen buiten God om. Hier weigert Jezus zelf zijn Zoonschap te bewijzen, want God moet dat doen.
Bij vers 5-8
- bracht (…) naar een hooggelegen plaats: Letterlijk ‘voerde hij Hem omhoog’. Sommige uitleggers denken aan een niet nader bepaalde hoge plaats, andere aan een opname in de lucht op een visionaire hemelreis. Het laatste past goed bij de uitdrukking ‘in één ogenblik’.
- Ik geef U: De duivel probeert of Jezus het dienen van de enige ware God in wil ruilen voor het aanbidden van de duivel. Het lokaas, macht en roem, is dat wat God in Psalm 2:8 (de einden der aarde) aan zijn zoon geeft en wat de menselijke figuur (‘mensenzoon’) in Daniël 7:14 (macht en eer) krijgt.
- Ik kan daarover beschikken: Dit suggereert dat Satan op dit moment met Gods toestemming over de aarde heerst.
- Er staat geschreven: Jezus reageert met Deuteronomium 6:13 (vgl. Deut. 10:20) en blijft trouw aan de ene God.
Bij vers 9-12
- naar Jeruzalem: Lucas situeert de laatste scène met de duivel in Jeruzalem, dezelfde plek als waar het evangelie eindigt: in de tempel van Jeruzalem (Luc. 24:53). Voor Lucas is de heilige stad de plaats waar de verlossing zich voltrekt en van waaruit de prediking van de kerk begint. De duivel biedt een verkorte route aan: nu al kan Jezus zich door God van de dood laten redden.
- hoogste punt: Het Griekse pterugion (‘uiterste puntje’) is lastig te begrijpen. Het is niet (meer) uit te maken waar Jezus precies staat, bijvoorbeeld op het dak van een tempelgebouw of een hoog bouwwerk aan de rand van de tempelberg. In elk geval is het een punt waar het levensgevaarlijk is om naar beneden te vallen.
- Er staat geschreven: Zie Psalm 91:11-12. Ironisch genoeg werd deze psalm gebruikt ter bescherming tegen Satan. Bij deze derde beproeving gebruikt de duivel het woord van God, waarmee Jezus hem eerder tegensprak (v. 4). Maar de belofte van de psalm richt zich tot degene die bij God zijn toevlucht zoekt (91:1-2).
- Er is gezegd: Zie Deuteronomium 6:16. Israël stelde God op de proef door na zijn vele wonderdaden zijn trouw toch te betwijfelen en te eisen dat Hij hun van water voorziet. Jezus zou Gods eigen woord bij zijn zalving betwijfelen als Hij van God een bewijs zou afdwingen dat Hij de Zoon van God is. Dat bewijs zal pas geleverd worden als God Jezus opwekt uit de dood.
Bij vers 13
- ging hij voor een tijd bij Hem vandaan: Jezus heeft de beproeving doorstaan. De duivel is in het vervolg slechts op de achtergrond aanwezig (zie Luc. 8:12; 10:19; 11:18). In Lucas 22:3 neemt Satan bezit van Judas en treedt de duivel dus weer meer naar voren.
Lucas 22:28-34
Bij vers 28-30
- in al mijn beproevingen steeds bij Mij gebleven: Bij Jezus’ eerste beproeving waren zijn leerlingen er niet bij (Luc. 4:1-13). Jezus gebruikt hier het woord ‘beproevingen’ als verwijzing naar ervaringen van afwijzing en vervolging die een dienaar van God moet doorstaan (vgl. Hand. 20:19). Eerder was sprake van een ander type beproeving: de vraag om een teken uit de hemel stelde Jezus op de proef (Luc. 11:16). Dit staat gelijk aan God op de proef stellen (zie hierover meer bij de derde beproeving in Lucas 4). Hier in Lucas 22:28 gaat het erom dat de leerlingen steeds voor Jezus zijn blijven kiezen, ook al was dat niet altijd gemakkelijk.
- koningschap: Het koningschap waar Jezus hier op doelt is een van rechtspreken als rechters over de twaalf stammen van Israël. In Lucas 12:32 kondigde Jezus dit koningschap al aan.
- aan mijn tafel: Het messiaanse feestmaal (Luc. 13:29; 14:15; zie ook Jes. 25:6-8). Meer over maaltijden in het Evangelie volgens Lucas is hier
te lezen.
Bij vers 31-34
- Satan (…) heeft opgeëist: In Lucas 22:3 is Satan erin geslaagd om Judas mee te slepen en nu heeft hij het op de andere leerlingen voorzien. Verondersteld wordt een scène in de hemel zoals in Job 1:6-12; 2:1-6: Satan eist de leerlingen op om hen als graan te zeven, terwijl Jezus voor hen bidt om niet te bezwijken.
- als graan te mogen zeven: Om het kaf en het koren van elkaar te scheiden (voor het beeld zie Amos 9:9-10).
- tot inkeer bent gekomen: Bedoeld is dat Petrus tot inkeer zal komen na zijn verloochening van Jezus (Luc. 22:61). Dit betekent niet dat zijn geloof zal zijn bezweken, want daarvoor behoedt Jezus hem juist.
Bron: Studiebijbel in perspectief, aangepast
Bron: Het Nieuwe Testament met Joodse Toelichtingen, aangepast
Bron: Willibrordvertaling 2012, aangepast
Bron: Het Nieuwe Testament met Joodse Toelichtingen
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
Lucas 4:1-13
Lucas 22:28-34
Verdieping bij thema’s
Ga op deze pagina direct naar:
- het Evangelie van Lucas als geheel
- de plek van deze passage in dit geheel
- de eigen accenten van Lucas in vergelijking met Matteüs en Marcus
- aantekeningen bij de verzen
- achtergrondinformatie bij kernwoorden en begrippen
