Het Evangelie volgens Lucas in het Jubeljaar van de Hoop
Voor de kerken die het oecumenisch leesrooster volgen, is 2025 een Lucasjaar. Een jaar lang trekken we op met Lucas, die voor Theofilus leven, sterven en opstanding van Jezus op schrift heeft gesteld. Wat zijn de rode draden die door dit verhaal heen lopen? Er vallen veel lijnen aan te wijzen. Ik wil dat in dit artikel doen vanuit het perspectief van de hoop.[1]
Het jaar 2025 is door paus Franciscus uitgeroepen tot Jubeljaar met als thema ‘Pelgrims van de Hoop’ en daar past het Evangelie volgens Lucas wonderwel bij. Dit evangelie opent met portretten van vrome Joden die de bevrijding van Jeruzalem verwachten: daar liggen de wortels voor het christelijke idee van ‘advent’ als periode van hoop en verwachting. In Matteüs vind je dat helemaal niet, laat staan in Marcus of Johannes. Lucas opent dus heel hoopvol. En het eindigt met grote vreugde, nadat Jezus zijn leerlingen vanuit de Schriften heeft laten zien dat zijn kruisdood helemaal niet het einde is van de hoop op bevrijding, zoals de Emmaüsgangers dachten, maar juist de wijze waarop die hoop de wereld in zal gaan.
Op een vergelijkbare manier opent Handelingen met de hoop op herstel van het koninkrijk van Israël, en eindigt het in Rome waar Paulus juist om de ‘hoop die Israël koestert’ geboeid is, en toch in die positie vrijmoedig kan spreken over Gods koninkrijk. In dit artikel concentreer ik me op het evangelie van Lucas, maar Handelingen kan ik niet helemaal buiten beschouwing laten. Beide boeken vormen volgens mij een bewust geconcipieerd tweeluik.
Ik richt me in dit artikel op een aantal kernmotieven die gerelateerd zijn aan hoop. Allereerst het motief van Gods barmhartigheid, als grond voor hoop. Daarna Jezus als hoopvolle belichaming van die barmhartigheid. Vervolgens het motief van de weg die Jezus gaat, een weg van gehoorzaamheid in het lijden om zo Gods glorie binnen te gaan, een weg die zijn leerlingen ook moeten gaan. Tenslotte de vraag naar de doelgroepen van de hoop: voor wie biedt het evangelie van Lucas hoop, en voor wie niet? Wat is de plek van Israël en van de volken hierin? Ik eindig met het centrale beeld voor datgene waarop gehoopt mag worden: het feestmaal.
Gods barmhartigheid als grond voor hoop
Bij de geboorte van Johannes zingt Zacharias: ‘[D]oor de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel zich over ons ontfermen’ (Luc. 1:78).[2]
Eleos is een sleutelwoord in Lucas 1, waar het maar liefst vijf keer voorkomt. God is de geslachten door barmhartig voor wie Hem vereren (1:50), Hij betoont barmhartigheid aan de aartsvaders (1:54, 72), aan Maria (1:58), aan ‘ons’, zingt Zacharias (1:78). Het werkwoord eleëō komt vervolgens veel terug in relatie tot Jezus, daar kom ik zo op terug.
Tenslotte Gods episkopē: Gods omzien naar, in de zin van zorgen voor, vooral in de vorm van het werkwoord episkeptomai. De NBV21 vertaalt dit consistent met ‘ontfermen’, althans wanneer het over God gaat. In Handelingen 7:23 wordt met betrekking tot Mozes de vertaling ‘zich bekommeren’ gebruikt, en in Handelingen 15:36 is ‘omzien naar de leerlingen’ geworden: ‘zien hoe het met de leerlingen gaat’. Het werkwoord kan ook wel de betekenis van inspecteren hebben, maar in Lucas-Handelingen wordt het eenduidig in positieve zin gebruikt: het gaat om met zorg aandacht geven. (Verwant aan dit woord is episkopos, waar ons woord ‘bisschop’ van afgeleid is, die eveneens eerder een ‘omziener’ dan een ‘opzichter’ moet zijn. Zijn taak is het om ‘voor de gemeente van God te zorgen’, volgens 1 Timoteüs 3:5.)
In Lucas 1 begint en eindigt Zacharias zijn lofzang ermee dat God naar zijn volk heeft ‘omgezien’ en verlossing heeft gebracht (Luc. 1:68, 78). In Lucas 7:16 prijst het volk God met de woorden: ‘God heeft zich over zijn volk ontfermd!’ (of: naar zijn volk omgezien, epeskepsato). In Handelingen komt het nog een keer voor wanneer Jakobus in Handelingen 15 zegt dat God heeft ‘omgezien om uit de heidenen een volk te nemen voor zijn naam’ (Hand. 15:14, mijn vertaling). Jakobus parafraseert daar wat Petrus zojuist heeft uiteengezet, en Petrus verwijst naar wat hij bij Cornelius heeft zien gebeuren. Ik denk dus dat Jakobus hier met het ‘omzien om uit de heidenen een volk te nemen’ bedoelt wat de apostelen in de voorgaande hoofdstukken hebben zien gebeuren: God heeft voor alle volken de deur naar het geloof geopend, concluderen Paulus en Barnabas in Handelingen 14:27. De NBV21 vertaalt de uitspraak van Jakobus als volgt: ‘Simeon heeft uiteengezet hoe God vanaf het begin het voornemen had om uit alle volken een volk te vormen dat zijn naam vereert.’ Het element van ‘omzien’, ‘ontfermen’ is in die vertaling niet meer zichtbaar; het is ook lastig om dat in natuurlijk Nederlands weer te geven in combinatie met de infinitief (‘om te nemen’). Bovendien is het de vraag waar ‘vanaf het begin’ naar verwijst. Betekent dit dat God het altijd al van plan was maar het nu is gaan uitvoeren? In het geheel van Handelingen ligt het meer voor de hand om ‘het begin’ op te vatten als verwijzing naar de begintijd van de gemeente in Jeruzalem (zoals in 15:7), of om prōton niet met ‘vanaf het begin’ te vertalen maar met ‘(nu) voor het eerst’, zoals ook Paulus in Athene zegt: God kijkt voorbij aan de tijden van onwetendheid en verkondigt nú aan alle mensen dat ze tot inkeer moeten komen (Hand. 17:30). In ieder geval biedt deze tekst een mooie parallel met het gebruik van episkeptomai in het evangelie van Lucas, al is dat in de vertaling niet meer zichtbaar. Waar Lucas’ evangelie gaat over hoe God zich over zijn volk heeft ontfermd, gaat Handelingen over hoe God zich over de heidenvolken ontfermt.
Er is ook een keerzijde. Jezus verwijt Jeruzalem dat ze ‘de tijd van Gods ontferming’ (episkopē) niet herkend heeft. Daarom zullen haar vijanden geen steen op de andere laten (Luc. 19:43-44). Dat zullen de ‘dagen van vergelding zijn’ (Luc. 21:22, mijn vertaling), of zoals de NBV21 vertaalt: dan wordt de straf voltrokken. Zo eindigt ook Handelingen met Paulus’ verwijt aan de Joodse leiders in Rome dat ze weigeren zich door God te laten genezen. Gods barmhartigheid vraagt om inkeer, en als die niet volgt, blijkt God bij Lucas ook een ander gezicht te hebben.
Ten slotte is er nóg een belangrijke tekst over Gods ontferming, in Lucas’ zogeheten veldrede. ‘Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is’ (Luc. 6:36). Hier wordt het Griekse oiktirmōn gebruikt: barmhartig in de zin van medelijden of beklag hebben. Die oproep tot medelijden wordt uitgewerkt in niet oordelen, niet veroordelen, vergeven en met ruime maat geven. Niet voor niets staat dat geven op het eind: dat is belangrijk voor Lucas, het geven aan de armen als daad van barmhartigheid, het geven van eleēmosunē, aalmoes, een gift van barmhartigheid (Luc. 11:41; 12:33; Hand. 9:36; 10:2, 4, 31; 24:17). Zo geeft ook God genereus, aan alle mensen: regen en vruchtbare seizoenen, overvloedig eten en vreugde, zeggen Paulus en Barnabas in Lystra in Handelingen 14:17 (vgl. ook Luc. 11:13). Ook dat is barmhartigheid, en grond voor hoop.
Jezus als hoopvolle belichaming van barmhartigheid
Alle hoop die in Lucas 1 klinkt, en die gefundeerd is in Gods barmhartigheid, is gericht op het kind waarvan de geboorte wordt aangekondigd. Het kind Jezus, welteverstaan. Ook de geboorte van Johannes is hoopvol, maar vooral omdat hij degene is die voor de Heer uitgaat om de weg voor Hem gereed te maken. Voor Hem, dat is voor God zelf. Maar de wijze waarop God naar zijn volk toe komt, is door Jezus.[3]
Jezus wordt in Lucas 1 aangekondigd als koning op de troon van David, voor eeuwig (1:33); als zoon van de Allerhoogste (1:32); als ‘hoorn van redding’, of ‘reddende kracht’ zoals de NBV21 vertaalt (1:69). In Lucas 2 wordt Hij aan de herders aangekondigd als de redder (sōtēr) de gezalfde Heer. Als ‘Zoon van God’ treedt Hij op namens God en draagt dus ook dezelfde eigenschappen als God. Zoals God redder is (Luc. 1:47), zo is Jezus redder, zoals God zich ontfermt, ontfermt Jezus zich. In Lucas 4 horen we wat zijn ‘zalving’ inhoudt:
De Geest van de Heer rust op mij, want Hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen, heeft Hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen. (Lucas 4:18-19).
En dat gebeurt daadwerkelijk: ‘blinden zien en verlamden lopen, mensen die onrein zijn door een huidziekte worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt’, laat Jezus tegen Johannes vertellen wanneer die al in gevangenis zit (Luc. 7:18). Veel later, in Handelingen 10, vat Petrus voor Cornelius het optreden van Jezus als volgt samen:
U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, Jezus van Nazaret met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij. (Handelingen 10:37-38)
Het motief van Jezus als weldoener is nauw verbonden met zijn betiteling als redder (sōtēr) en koning.[4]
De genezingen illustreren dus de aard van Jezus’ koningschap en dragen daarmee de belofte in zich voor de tijd van rust en vrede wanneer Jezus terug zal komen vanuit de hemel, waar Hij nu voor een tijd is opgenomen; en tegelijkertijd oefent Jezus dat koningschap ook vanuit de hemel al uit en zorgt voor tekenen en wonderen door de apostelen.
De genezingswonderen zijn ook letterlijk bevrijdingswonderen, omdat de ziekte voor Lucas teken is van de macht van de duivel, van onreine geesten die mensen in hun greep hebben en die bijvoorbeeld maken dat iemand niet kan spreken of krom moet lopen (Luc. 11:41; 13:11, 16). Jezus’ koningschap betekent de overwinning over Satan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de uitzendingsrede van de 72, die alleen Lucas heeft. Jezus stelt 72 mensen aan met de opdracht om in elke stad waar ze welkom zijn de zieken te genezen en te zeggen dat Gods koninkrijk hen heeft bereikt (Luc. 10:9). En als deze leerlingen terugkeren van hun missie, rapporteren ze dat de demonen zich aan hen onderwierpen bij het horen van Jezus’ naam, en vertelt Jezus dat hij Satan uit de hemel zag vallen: Satan is onttroond, heeft zijn macht verloren.
Jezus onderweg naar Jeruzalem
Maar als koning, redder, weldoener, als gezalfde van God, gaat Jezus een onverwachte weg. In 9:51 laat Lucas Jezus’ reis naar Jeruzalem beginnen, met de opvallende bewoording ‘toen de tijd naderde dat Jezus in de hemel zou worden opgenomen’. Dat impliceert: Jezus is straks niet meer bij zijn leerlingen. De opname in de hemel is hier niet allereerst een soort troonsbestijging, maar veelmeer een bij God verborgen worden tot de tijd dat Hij weer terug zal komen (vgl. Hand. 1:11). Tijdens deze reis geeft Jezus onderwijs, dat de leerlingen nodig zullen hebben als Hij er straks niet meer is. Hoe ze moeten bidden (11:1-13), dat ze moeten oppassen voor het zuurdesem van de Farizeeën (12:1), dat de Geest hen zal ingeven wat ze moeten zeggen wanneer ze voor het gerecht worden gesleept, dat ze mogen vertrouwen op Gods zorg, hun geld aan de armen moeten geven, enzovoorts (Lucas 12). Op deze reis vertelt Jezus ook de gelijkenis van de Samaritaan, die medelijden kreeg en barmhartigheid toonde toen hij onderweg een hulpbehoevende tegenkwam. Het is toerusting voor leerlingen die eveneens onderweg zullen zijn. In dat onderweg zijn zit hoop: het is gericht op de toekomst, wat het mogelijk maakt om het lijden dat er nu is te verdragen, om zoals Paulus en Barnabas zeiden, ‘na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen te gaan’ (Hand. 14:22).
Jezus is onderweg en onderwijst Gods weg. Dat zeggen spionnen van de hogepriesters, die zich voordoen als rechtvaardigen, wanneer Jezus al in Jeruzalem is aangekomen (Luc. 20:21). In Handelingen gelden de leerlingen als aanhangers van ‘de weg’, ook daar volgens mij als metafoor voor het onderwijs van de Heer.[5]
Hoe dichter Jezus bij Jeruzalem komt, hoe duidelijker het wordt dat Hij daar zal sterven. Zoals de profeten in Jeruzalem gedood en gestenigd werden, zo moet ook Jezus daar gedood worden, omdat de inwoners niet willen dat Hij hen als een moederkip onder zijn hoede neemt: een ander beeld voor Jezus’ zorgzame koningschap dat door Jeruzalem wordt afgewezen (Luc. 13:31-35). In 18:31 bevestigt Jezus opnieuw dat in Jeruzalem zal gebeuren wat door de profeten over de mensenzoon is geschreven. En zo trekt hij Jeruzalem binnen, door zijn leerlingen uitgeroepen als de koning die komt in de naam van de Heer, maar in de wetenschap dat Hij zijn dood tegemoet gaat.
Waarom moet Jezus sterven? Het simpele antwoord lijkt te zijn: omdat de profeten dat gezegd hebben. Over een verzoenende functie van Jezus’ bloed spreekt Lucas nauwelijks. Er zijn alleen subtiele hints daarnaar bij Jezus’ laatste maaltijd met zijn leerlingen, ‘dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt’ en ‘het nieuwe verbond, dat door mijn bloed gesloten wordt’ (Luc. 21:19, 20), en in Handelingen 20:28: God heeft zijn gemeente verworven door het bloed van zijn eigen Zoon. Veel meer op de voorgrond staat dat Jezus als rechtvaardige gedood wordt, als martelaar die tot in de dood gehoorzaam is aan God. Hij ondergaat zijn kruisiging haast stoïcijns, om tenslotte zelfbewust zijn geest in Gods handen te leggen. Zo laat Hij zien dat Hij de ‘rechtvaardige’ is, zoals de centurio erkent wanneer hij Jezus ziet sterven (Luc. 23:47).
Aan de Emmaüsgangers legt Jezus het zo uit: de messias moest al dat lijden ondergaan om zijn glorie binnen te gaan (Luc. 24:26). Zo is ook Jezus’ weg naar Jeruzalem een hoopvolle weg: het is de weg die ook Jezus’ leerlingen moeten gaan, achter Hem aan, psalmen zingend in de gevangenis (Hand. 16:25) omdat ze op weg zijn naar de heerlijkheid.
Hoop voor Israël en de volken
Gods barmhartigheid is de grond voor de hoop en Jezus belichaamt die barmhartigheid. Maar voor wie is die hoop bestemd?
Jezus richt zich in zijn ontferming tot veel groepen die in de maatschappij geen of een omstreden status hadden. De tollenaars, die weliswaar rijk konden zijn en een goede verstandhouding hadden met de Romeinen, maar door het volk werden veracht. De prostituees, een Samaritaan (Luc. 17:16), de armen; überhaupt de vele zieken en door demonen bezetenen. Het zijn de ‘verlorenen’ uit het drietal gelijkenissen van Lucas 15. Voor hen is er hoop, omdat ze in reactie op Jezus’ ontferming tot inkeer komen. Jezus heeft als koning de volmacht om genereus de zonden kwijt te schelden van wie tot inkeer komt. Dat patroon herhaalt zich in Handelingen. De inwoners van Jeruzalem hebben Jezus gedood, zegt Petrus, maar God heeft Hem opgewekt en daarmee bevestigd dat Hij de messias is. Nu komt alles dus aan op inkeer (metanoia), en loyaliteit (pistis) aan deze koning, die dan de zonden kwijtscheldt.
Maar Jezus is een teken dat weersproken wordt, zei Simeon al (Luc. 2:34-35). Zijn optreden roept verzet op, en ook in Handelingen leidt de verkondiging van het evangelie steeds weer tot tegenspraak, totdat Paulus aan het slot van Handelingen met Jesaja 6 concludeert dat Israël zich weigert te bekeren en het heil naar de volken gaat. Hoe definitief is dit? Bart Koet heeft betoogd dat wanneer Simeon spreekt over de ‘val en opstanding van velen’, dit als een volgorde in de tijd moet worden verstaan: eerst de crisis, het niet herkennen van Gods ontferming, de val van Jeruzalem, een nieuwe ballingschap.[6]
En dan de volken. Het evangelie van Lucas eindigt met een vooruitblik naar Handelingen: in de naam van Jezus zullen alle volken opgeroepen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven (Luc. 24:47-48). In dit opzicht is er geen verschil tussen Joden en niet-Joden: die oproep begint in Jeruzalem. Toch spreekt Isaac Oliver in zijn boek van een ‘bilateral eschatology’: een verwachting voor Israël en de volken.[10]
Dan zullen jullie jammeren en knarsetanden wanneer je Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten in het koninkrijk van God ziet, maar zelf buitengesloten wordt. Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen, en ze zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van God. (Lucas 13:28-29)
Uit alle volken komen mensen erbij om aan te liggen aan het feestmaal. Maar het is het feestmaal van Abraham, Isaac, Jakob en de profeten, van de vromen uit Israël, waar al die anderen bij mogen komen. Waarom worden de mensen die de heer des huizes in deze gelijkenis aanspreekt dan buitengesloten? ‘Weg met jullie, onrechtplegers’, klinkt het (Luc. 13:27): het is profetische kritiek op het onrecht, wat onderstreept dat ook de kinderen van Abraham alleen in Gods koninkrijk kunnen binnengaan wanneer ze tot inkeer komen en rechtvaardig leven, de boodschap die Johannes al bracht en waar Jezus op voortbouwt.
Hoopvolle beelden
Het feestmaal in Gods koninkrijk is meteen ook het meest karakteristieke beeld voor datgene waarop gehoopt mag worden. En het feestmaal wordt tijdens Jezus’ leven op aarde al voortdurend in praktijk gebracht. Net als de genezingen en dodenopwekkingen, zijn de maaltijden tekenen van Jezus’ koningschap. Hij eet met tollenaars, hij eet met Farizeeërs, hij voorziet duizenden mensen van een overvloed aan eten, hij eet een laatste maaltijd met zijn leerlingen, en na zijn opstanding eet hij weer met de Emmaüsgangers. Ook in Handelingen zijn de maaltijden open voor iedereen: de maaltijd die nog het meest aan het laatste avondmaal doet denken is nota bene die van Paulus op een schip vol gevangenen (Hand. 27:33-36). Jezus wijst er in zijn onderwijs tijdens een maaltijd op dat je voor je maaltijden niet je vrienden moet uitnodigen maar juist ‘armen, kreupelen, verlamden en blinden’ (Luc. 14:13). Je zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen – dan nodigt God jou uit aan zijn tafel, zonder dat je Hem daarvoor iets terug kunt geven.[11]
Zo is heel het evangelie doortrokken van de boodschap dat Gods ontferming om navolging vraagt, dat de hoop die God ons geeft, reden moet zijn om de mensen om ons heen hoop te geven, en dat iedereen welkom is om tot inkeer te komen en vergeving te ontvangen. Maar niet de onrechtplegers, die zich wel op hun vroomheid laten voorstaan maar zich het lot van de armen niet aantrekken. Het is een boodschap van hoop die de kerk ook vandaag zowel perspectief biedt als bij de les houdt. Het is goed dat de kerk in 2025, het Jubeljaar van de Hoop, Lucas leest.
[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9]
[10]
[11]
Vakblad Met andere woorden
Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.
