Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Context en aantekeningen bij Filemon 1-20

Hier vind je informatie over de context van Filemon 1-20 en aantekeningen bij de tekst.

De Brief aan Filemon

De brief aan Filemon is de kortste van Paulus’ brieven en beslaat slechts één hoofdstuk. Zie voor meer achtergrond bij deze brief deze inleiding.

Opbouw en kern van de brief

De brief aan Filemon is een voorzichtig geformuleerd pleidooi van Paulus ten bate van Onesimus. De inleiding (Filemon 1:1-3) bestaat uit een opschrift, waarin de afzender en geadresseerden worden vermeld, gevolgd door een zegenwens. Daarna volgt het eigenlijke pleidooi van Paulus aan Filemon over de slaaf Onesimus (Filemon 1:4-22). Dat pleidooi begint met een dankzegging en een aanhef (Filemon 1:4-7), gevolgd door de kern van het betoog (Filemon 1:8-16) en het besluit (Filemon 1:17-22). Paulus sluit de brief af met groeten (Filemon 1:23-24) en een zegenwens (Filemon 1:25).

Uitgelicht

Marlon Winedt laat in een MAW-artikel (lees hier) zien hoe Paulus diverse retorische strategieën inzet om aan de ene kant het christendom niet te tekenen als een religie die de status quo omver zal werpen en aan de andere kant wel degelijk verandering te brengen t.a.v. het instituut van de slavernij. Hij doet dit op vijf manieren:

1. Paulus betrekt de hele huisgemeente in zijn schrijven aan Filemon. Dit is geen individuele aangelegenheid, maar één die de hele gemeente raakt.

2. Paulus prijst Filemons liefde en trouw, als retorisch middel om hem gunstig te stemmen, maar ook als appel om deze liefde en trouw in praktijk te brengen.

3. Paulus zinspeelt in bedekte termen op het afwijzen van het instituut van de slavernij. Bedekt omdat hij geen onrust wil veroorzaken, maar daarom niet minder aanwezig.

4. Paulus pleit niet expliciet voor de vrijlating van Onesimus, maar wel voor een gelijkwaardige behandeling, die neerkomt op een impliciet doorbreken van de verhoudingen van slaafgemaakte en meester..

5. Paulus eindigt zijn brief met een uiting van vertrouwen, dat Filemon het goede zal weten te doen, passend bij de richting die hij in bedekte termen gewezen heeft.

Aantekeningen

Bij vers 1

1Van Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. Aan onze geliefde medewerker Filemon,

Filemon 1:1NBV21Open in de Bijbel

  • Van Paulus: De aanhef, het ‘adres’, van alle brieven van Paulus bestaat uit deze drie elementen: de vermelding van de schrijver, die van de geadresseerden en een groet in de vorm van een zegenwens. Hij volgt hierin de briefstijl van zijn tijd, maar geeft aan deze formule een sterk christelijk en ook persoonlijk accent.
  • Timoteüs: Paulus’ meest geliefde leerling en medewerker (zie o.a. Hand. 16:1; Rom. 16:21). Hij wordt ook elders genoemd als medeafzender (zie Filip. 1:1; 2 Kor. 1:1; Kol. 1:1; 1 en 2 Tes. 1:1). Voor zijn optreden in Korinte vergelijk 1 Korintiërs 4:17 en 16:10.
  • gevangen: Vaak wordt aangenomen dat Paulus gevangen zit in Efeze, omstreeks 54 n. Chr., en dat Filemon en Onesimus behoren tot de gemeente van Kolosse, op 170 kilometer afstand van Efeze. Onesimus is dan naar Efeze gevlucht, heeft daar Paulus ontmoet en is gedoopt. Een andere mogelijkheid is dat het bij Paulus’ gevangenschap gaat om zijn huisarrest te Rome (zie Hand. 28:16) en Filemon en Onesimus behoren tot de huisgemeente aldaar. Onesimus zou dan niet zozeer weggevlucht zijn van zijn meester om vrijheid te zoeken, maar eerder om een beroep op Paulus te doen om als amicus domini (vriend van de meester, zie ook de aantekening bij vs. 8) te bemiddelen in een conflict tussen hem en zijn meester. Deze praktijk kennen we uit de brieven van Plinius de Jongere. Dit scenario past beter bij twee gegevens: dat Onesimus kennelijk terug wil keren naar zijn meester en dat de bronnen geen duidelijke aanwijzing bevatten voor een gevangenschap van Paulus in Efeze.

Bij vers 2

2aan onze zuster Apfia en onze medestrijder Archippus, en aan de gemeente die in uw huis samenkomt.

Filemon 1:2NBV21Open in de Bijbel

  • Archippus: Deze naam wordt ook vermeld in Kolossenzen 4:17.
  • Apfia: Zij wordt alleen hier genoemd; misschien was ze Filemons vrouw, maar aangezien ze apart wordt begroet is het ook mogelijk dat ze een vooraanstaand lid van de gemeente was.
  • medestrijder: Een medewerker (zie ook Filip. 2:25).
  • in uw huis: De gemeente kwam waarschijnlijk samen in Filemons huis; het houden van samenkomsten in het huis van een gemeentelid was gebruikelijk in de vroege jaren van de christelijke beweging. De gemeente bestond waarschijnlijk uit maximaal dertig tot veertig mensen, uitgaande van de afmetingen van een ‘groot’ huis (maar geen patriciërswoning) in Romeinse steden. Paulus betrekt het geheel van deze huisgemeente bij zijn verzoek aan Filemon. Hiermee laat hij zien dat dit geen individuele aangelegenheid is, maar iets dat de hele gemeente aangaat. Hij maakt daarmee Onesimus en diens situatie zichtbaar voor de hele gemeenschap.

Bij vers 3

3Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

Filemon 1:3NBV21Open in de Bijbel

  • Genade (…) en vrede (…) Heer Jezus Christus: Standaard paulinische groet (bijv. Rom. 1:7).
  • onze Vader: Wellicht op aangeven van Jezus benadrukten zijn volgelingen hun onderlinge relatie als die van een familie met God als vader (Marc. 3:31-35; 10:29-30; 11:25; Mat. 6:9; Luc. 11:2; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6-7). Dit beeld komt sporadisch voor in de Hebreeuwse Bijbel (Jes. 63:16; 64:7-8; Jer. 3:4, 19; Ps. 68:5-6; 89:27; 103:13). Als aanspreektitel voor God komt het voor in vroeg-Joodse gebeden (Tob. 13:4; Sir. 23:1; 51:10). In de Joodse traditie wordt ‘vader’ op zich eerder geassocieerd met Abraham of andere patriarchen dan met God (vgl. Joh. 4:12), terwijl ‘koning’ vaker als titel voor God gebruikt wordt. ‘Vader’ wordt soms gecombineerd met ‘koning’, b.v. in het latere Joodse gebed Avinoe Malkenoe ‘onze Vader, onze Koning’.

Bij vers 4

4Ik dank mijn God altijd wanneer ik u in mijn gebeden noem,

Filemon 1:4NBV21Open in de Bijbel

  • u (…) noem: Letterlijk ‘aan u denk; me u herinner’; het denken aan (gedenken van) mensen komt ook voor in oude Joodse gebeden en brieven (bijv. 1 Mak. 12:11; 2 Mak. 1:2-6), waarin een bidder vaak tot God smeekt om hem of zijn volk ‘te gedenken’ (bijv. Jer. 14:21; Neh. 1:8-9).

Bij vers 5

5want ik hoor vaak over de liefde en de trouw die u de Heer Jezus en alle heiligen toedraagt.

Filemon 1:5NBV21Open in de Bijbel

  • heiligen: Grieks hagioi, Paulus’ gebruikelijke typering van gelovigen (bijv. Rom. 1:7; 1 Kor. 1:2). Het woord duidt op personen die apart zijn gezet voor de dienst aan God (bijv. Lev. 11:44-45).

Bij vers 6

6Ik bid dat het geloof dat u met ons deelt u een dieper inzicht geeft in al het goede dat ons nader tot Christus brengt.

Filemon 1:6NBV21Open in de Bijbel

  • dat u met ons deelt: Grieks koinōnia, gemeenschap; zie Filemon 1:17.
  • al het goede dat ons (in andere handschriften: u) (…) brengt: Letterlijk ‘al het goede dat in ons tot Christus [is]’. Ook mogelijk is de vertaling ‘al het goede dat wij mogen doen voor Christus’. Dan gaat het om de inlijving van nieuwe leden in de gemeenschap van gelovigen. In de NBV21 wordt ‘tot Christus’ opgevat als ‘tot een nauwere band met Christus’.

Bij vers 7

7Uw liefde heeft mij veel vreugde en troost gegeven, broeder, want door u voelen de heiligen zich gesterkt.

Filemon 1:7NBV21Open in de Bijbel

  • broeder: Paulus duidt zijn collega’s vaak op deze manier aan (bijv. Rom. 16:23). Een vergelijkbaar gebruik van termen van verwantschap komt voor in Joodse brieven. In het Oude Testament (bijv. Lev. 25:46; Ps. 22:23) en in latere Joodse geschriften (bijv. Judit 7:30; 8:14) wordt het woord ‘broeder(s)’ regelmatig gebruikt ter verwijzing naar de ‘familie’ Israël.
  • want door u voelen de heiligen zich gesterkt: Letterlijk ‘omdat aan het innerlijk (ta splanchna) van de heiligen door u nieuwe kracht is gegeven’. De ingewanden (ta splanchna) werden gezien als zetel van de emoties. Het Griekse woord voor ‘medelijden, ontferming’ is afgeleid van dezelfde wortel (zie ook vs. 12 en 20).

Bij vers 8

8Hoewel ik in eenheid met Christus het volste recht heb u te zeggen wat u moet doen,

Filemon 1:8NBV21Open in de Bijbel

  • het volste recht: Het Griekse begrip parrhēsia wordt gebruikt in de context van omgang tussen vrienden. Hier speelt dus geen juridische context.

Bij vers 9

9geef ik vanwege uw liefde de voorkeur aan een verzoek – ik, Paulus, een man van respectabele leeftijd, die nu ook nog gevangenzit omwille van Christus Jezus.

Filemon 1:9NBV21Open in de Bijbel

  • gevangen: Zie aantekening bij vers 1.
  • een man van respectabele leeftijd: Grieks presbutēs, letterlijk ‘oude man’. Paulus’ verwachting dat hij met respect zal worden behandeld, roept het gebruik van de titel ‘oudste’ (presbuteros) in de gemeenschappen van de volgelingen van Jezus (bijv. Hand. 20:17) in herinnering. Het antieke Jodendom kende een diepgewortelde traditie van respect voor oudere mensen (bijv. Lev. 19:32; Sir. 8:9, en vgl. ook 1 Tim. 5:1-2). Paulus schreef deze brief waarschijnlijk rond 55 na Christus of later en zal in de 60 jaar oud geweest zijn.

Bij vers 10

10Ik zou u om een gunst willen vragen voor iemand die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden: Onesimus.

Filemon 1:10NBV21Open in de Bijbel

  • Onesimus: Destijds was dit een veelvoorkomende naam voor slaven, die letterlijk ‘nuttig’ betekent (zie ook aantekening bij vs. 11).
  • die (…) mijn kind is geworden: Letterlijk: ‘die (…) ik heb verwekt’, beeldspraak voor het feit dat Onesimus door toedoen van Paulus christen is geworden. Ook in andere vroeg-Joodse en Grieks-Romeinse teksten worden begrippen uit de familiesfeer gebruikt om de relatie tussen leraren en leerlingen te beschrijven.

Bij vers 11

11Hij was u destijds niet van nut, maar nu kan hij zowel u als mij goede diensten bewijzen.

Filemon 1:11NBV21Open in de Bijbel

  • niet van nut: Een woordspeling met de naam Onesimus (zie vs. 10). De man die voor Filemon eerst nutteloos was, kan Paulus en Filemon nu ‘goede diensten bewijzen’. Zie ook vers 20, ‘bewijs mij deze dienst’. Paulus heeft tot nu toe nog niets over slavernij gezegd; de enige expliciete verwijzing vinden we in vers 16.

Bij vers 13

13en ik hem graag bij me gehouden had. Dan had hij namens u voor mij kunnen zorgen nu ik omwille van het evangelie gevangenzit.

Filemon 1:13NBV21Open in de Bijbel

  • had (…) kunnen zorgen: Het werkwoord diakoneō, dat samenhangt met diakonia (‘dienst’) en diakonos (‘dienaar, diaken’), heeft bijna altijd betrekking op huishoudelijke dienst (bijv. Luc. 22:27). Het is ook mogelijk dat het, zoals elders bij Paulus, betrekking heeft op de verkondiging van het evangelie. In dat geval helpt Onesimus bij de verkondiging die Paulus door zijn gevangenschap niet kan verrichten.
  • evangelie: Hier de verkondiging van de boodschap van verlossing door Jezus, de reden waarom Paulus is gevangengenomen. Paulus legt niet uit waarom het verkondigen van het evangelie hem in de gevangenis heeft doen belanden.

Bij vers 15

15Misschien hebt u hem korte tijd moeten missen om hem voor altijd terug te krijgen,

Filemon 1:15NBV21Open in de Bijbel

  • hebt (…) moeten missen: Verwijst naar de afwezigheid van Onesimus; het gebruik van de lijdende vorm in het Grieks, letterlijk ‘is van u gescheiden geweest’, is misschien een poging om Onesimus’ vlucht op een verzachtende manier uit te drukken.

Bij vers 16

16niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder. Voor mij is hij dat al, hoeveel te meer moet hij het dus voor u zijn, zowel in het dagelijks leven als in het geloof in de Heer.

Filemon 1:16NBV21Open in de Bijbel

  • niet meer als slaaf: Er zijn verschillende kanten aan Paulus’ spreken over Onesimus’ slavernij.

  1. Enerzijds dringt Paulus er niet echt op aan Onesimus in vrijheid te stellen. In 1 Korintiërs 7:21-24 pleit Paulus er juist voor dat wie slaaf was toen die christen werd dat liever moet blijven. Het christendom heeft de slavernij niet afgeschaft, maar de wezenlijke gelijkheid gepredikt van slaven en meesters (vgl. Gal. 3:28; Kol. 3:11). In 1 Timoteüs 6:1-2 roept Paulus slaven op om uit hun gedrag ten opzichte van hun meesters te laten blijken dat de vreemde religie waartoe zij als christenslaven behoren, geen ontwrichting met zich brengt van de gegeven sociale verhoudingen, ten minste niet ten opzichte van hun eigen meester (vgl. Ef. 6:5; Kol. 3:22-4:1). Het motief is daar eenzijdig apologetisch: de leer mag niet in een slecht daglicht komen te staan (vgl. Tit. 2:9-10; 1 Petr. 2:18, maar positiever van strekking). Opmerkelijker nog: tegenover gelovige meesters moeten de slaven, één met hen ‘in geloof en liefde’ en ‘hun broeders’, des te ijveriger hun taak vervullen (1 Tim. 6:2). Is dit een (bange) reactie op problemen, opgeroepen door slaven die deze broederschap zouden willen realiseren naar de bevrijdende visie van Paulus in Galaten 3:26-29 en 2 Korintiërs 5:17?
  2. Anderzijds is het zo dat dit vers een verandering in de relatie tussen Filemon, Paulus en de bekeerde Onesimus beschrijft – ze zijn nu geliefde broeders. Alleen is het niet duidelijk welke consequenties dit heeft voor Onesimus’ positie als slaaf. Zo is er geen uitsluitsel over de vraag of Paulus de term ‘slaaf’ hier letterlijk of als metafoor gebruikt. Mogelijkerwijs vraagt Paulus hier aan Filemon om Onesimus vrij te laten, maar het is ook denkbaar dat hij alleen doelt op Onesimus’ veranderde positie binnen de gemeente. Het woord ‘als’ (Gr. hōs) wijst eerder op een figuurlijke dan op een letterlijke betekenis. Opmerkelijk is dat Paulus Onesimus nergens een slaaf noemt en Filemon nergens een slaveneigenaar. Een complicerende factor is dat het woord ‘broeder’ in Deuteronomium 15:12 (in de NBV21 vertaald als ‘iemand uit uw volk’) kan verwijzen naar een slaaf die tegelijkertijd deel uitmaakt van de gemeenschap, alhoewel deze wet ook voorschrijft dat een Hebreeuwse slaaf na zes jaar slavendienst in het zevende jaar moet worden vrijgelaten.
  3. Brengen we beide posities samen, dan is het mogelijk dat Paulus’ wel wil pleiten voor Onesimus’ vrijlating, maar dit in (zeer) bedekte termen doet, om de indruk te vermijden dat het christendom een direct gevaar voor de maatschappij vormde. Deze interpretatie wordt gevolgd in het verdiepende artikel van Marlon Winedt.

Bij vers 17

17Dus, als u met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen.

Filemon 1:17NBV21Open in de Bijbel

  • met mij verbonden bent: Het Griekse woord koinōnos en het verwante koinōnia duiden op innige verbondenheid (vgl. 2 Kor. 8:23).

Bij vers 18

18En mocht hij u hebben benadeeld of u iets schuldig zijn, breng het mij dan in rekening.

Filemon 1:18NBV21Open in de Bijbel

  • iets schuldig zijn: Wellicht heeft Onesimus Filemon financiële schade berokkend, door van hem te stelen of simpelweg door zich aan zijn dienst te onttrekken. Paulus biedt aan om het verlies te compenseren. Het is ook denkbaar dat Paulus hier een retorische strategie gebruikt door zichzelf in de positie van weldoener te plaatsen in plaats van smekeling (zie ook de aantekeningen bij vs. 19).

Bij vers 19

19Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik u zal betalen. Ik ga er dan maar aan voorbij dat u mij uw eigen leven schuldig bent.

Filemon 1:19NBV21Open in de Bijbel

  • eigenhandig: Paulus was gewoon zijn brieven te dicteren (vergelijk Rom. 16:22), maar voegt er vaker enkele eigenhandig geschreven woorden aan toe (vergelijk 1 Kor. 16:21; Kol. 4:18; 2 Tes. 3:17), dit alles in overeenstemming met de gebruiken van de Oudheid.
  • dat u mij uw eigen leven schuldig bent: Vermoedelijk een verwijzing naar de bekering van Filemon door Paulus.
  • Marlon Winedt merkt op dat Paulus geen compensatie verlangt van Onesimus en ook nergens zegt ‘dat Onesimus spijt heeft. Dat is opvallend, zeker als we het vergelijken met een andere brief uit de oudheid, zo’n zestig jaar later geschreven, waarin Plinius, een Romein van stand, eveneens pleit voor een gevluchte slaaf en daarbij benadrukt dat die slaaf heel veel spijt heeft. Paulus gaat in zijn brief een heel andere kant op. Hij merkt fijntjes op dat Filemon zijn eigen geestelijke leven aan hem te danken heeft. Daarmee bedoelt hij waarschijnlijk dat de eventuele materiële schade die Onesimus Filemon heeft berokkend daarbij in het niet valt.’

Bij vers 20

20Kom, broeder, bewijs mij deze dienst omwille van de Heer, stel mij omwille van Christus gerust.

Filemon 1:20NBV21Open in de Bijbel

  • bewijs (…) deze dienst: Gr. onaimēn, wellicht eenzelfde woordspeling op de naam Onesimus als in vers 11 (zie aantekening daar).

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen

Verdieping bij thema’s

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons