Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
18 april 2024Klaas Touwen

Psalm 61, van een asielzoeker in de nacht

O Here, verhoor mijn smeken.
Haast bezweken
roep ik, ver van u vandaan.
Sla toch acht op mijn gebeden,
leid mijn schreden,
dat ik tot U op kan gaan.

Mijn schutse waart Gij tevoren;
sterke toren,
wees mij weer ten toevluchtsoord.
Staan de mensen mij naar ‘t leven,
Gij zult geven
‘t erfdeel van wie u behoort.

Laat mij als een kleine vogel
schuilen mogen
waar Ge uw vleugelen om mij slaat.
Want Gij weet wie ik mij wijdde,
dat ik zeide:
Heer, Gij zijt mijn toeverlaat!

O Heer, geef de koning vrede,
deel hem mede
overvloed van levenstijd.
Dat hij trone ons ten goede,
dat hem hoede
trouw en goedertierenheid!

Dan zal ik uw naam vereren,
Here, Here,
psalmen zingen dat het schalt!
Dagelijks zal ik u geven
heel mijn leven,
door uw lichtglans overstraald.

Willem Barnard

Willem Barnards psalmberijmingen noem ik ‘herdichtingen’, want het zíjn al gedichten en Barnard voelt zich verwant met de Bijbeldichters. Dichters onder elkaar hebben maar een half woord nodig. Ze verstaan elkaar doorgaans beter dan theologen. Dat blijkt ook hier: Barnard volgt de structuur van het oorspronkelijke gedicht op de voet. Op z’n Davids en bij snarenspel. 

In de Bijbel luidt de tekst (in de NBV21) als volgt:

1Voor de koorleider. Bij snarenspel. Van David.

2Hoor, o God, mijn smeken,

sla acht op mijn gebed,

3van het einde der aarde roep ik U aan,

want mijn hart bezwijkt.

Breng mij op de rots hoog boven mij,

4U bent altijd mijn schuilplaats geweest,

een toren te sterk voor de vijand.

5Laat mij altijd wonen in uw tent,

veilig verscholen onder uw vleugels. sela

6U hoort mijn geloften, God,

U beloont wie uw naam vereren.

7Voeg dagen toe aan de dagen van de koning,

dat zijn jaren duren van geslacht op geslacht.

8Wil zijn troon altijd beschermen, God,

laten trouw en liefde over hem waken.

9Dan zal ik uw naam voor altijd bezingen,

en mijn geloften volbrengen, dag na dag.

Psalmen 61:1-9NBV21Open in de Bijbel

De eerste verzen en het laatste vers van Psalm 61 houden verband met elkaar. Het bidden aan het begin: ‘Hoor, God, mijn smeken, sla acht op mijn gebed, van het einde der aarde roep ik U aan,’ wordt aan het eind ‘bezingen’: ‘Dan zal ik uw naam voor altijd bezingen.’ Zulke elementen neemt Barnard zo goed mogelijk over, want als dichter hecht hij aan vorm. Dus ook bij hem aan het begin driewerf: ‘mijn smeken’, ‘ik roep’ en ‘mijn gebeden’. En dat komt aan het eind terug in het woord ‘psalmen’. 

Geloften

In de opbouw van deze psalm valt ook op dat het twee keer gaat over ‘mijn geloften’: in vers 6 en in vers 9: ‘U hoort mijn geloften, God’ en ‘Dan zal ik … mijn geloften volbrengen, dag na dag.’

Barnard denkt aan ‘votiefgeschenken’ opgehangen tegen de achterwand van een Mariakapel: een zilveren voet als dank voor het volledig herstel van een verbrijzeld been, een beeldje van een baby als dank voor een lang verhoopte zwangerschap. Soms staat er de afkorting P.G.R. bij: pro gratia recepta, ‘voor een ontvangen gunst’. Vers 6 is er duidelijk over: ‘U hoort mijn geloften, God, U beloont wie uw naam vereren.’

Ook de protestantse traditie kent ‘geloften’. Een beroemd verhaal hierover speelde zich af op 2 juli 1505. Maarten Luther is onderweg naar Erfurt en wordt bij Stotterheim overvallen door een hevig onweer. Vlakbij hem slaat de bliksem in, door de luchtdruk wordt hij tegen de grond geslingerd. In dat ogenblik roept hij de heilige Anna aan en doet zijn gelofte: ‘Help, heilige Anna, dan zal ik monnik worden!’ Aldus geschiedde.

Zulk ‘voor wat hoort wat’ (do ut des) krijgt Barnard niet uit zijn pen. Hij moet het dus omschrijven. Maar wat zijn geloften eigenlijk? Op een avond – weet ik van Barnard – dacht hij herover na terwijl hij de hond uitliet. Hij prevelde wat. De volgende ochtend verontschuldigde hij zich bij de buurman dat hij hem die avond niet had gegroet, want hij werd te zeer in beslaggenomen door een gedicht … 

Een gelofte doe je niet halfslachtig, je hele leven is in het geding. Een gelofte vraagt om overgave. Dus dicht Barnard: ‘Want Gij weet wie ik mij wijdde, dat ik zeide: Heer, Gij zijt mijn toeverlaat!’ Dus geen ruilhandel in de trant van: ‘Ik beloof U dit en dat, maar dan moet U mij nu uit de penarie helpen.’ Nee. Enkel vertrouwen en toewijding. Aan het eind van de psalm klinkt dat nog sterker: ‘Dagelijks zal ik u geven heel mijn leven, door uw lichtglans overstraald.’

Vleugels

Nog iets dat opvalt, in het midden van de psalm. Daar staan de parallelle zinnen: ‘Laat mij altijd wonen in uw tent, veilig verscholen onder uw vleugels.’ Dat ‘wonen’ is dus in een ‘schuilplaats’: ‘veilig verscholen’.

‘Uw tent’ – dat is een oerbeeld van de tempel (zie Psalm 15:1).

‘Uw vleugels’ – dat duidt op de tempel als vrijplaats, waar een vluchteling asiel zoekt (zie o.a. Psalm 17:8). Denk ook aan de vleugels van de cherubs, de engelen die de heilige ark overdekken (zie 1 Koningen 8:6).

Hoe kan een dichter als Willem Barnard dit alles vatten in één beeld? Hier toont hij zijn meesterschap: ‘Laat mij als een kleine vogel schuilen mogen waar Ge uw vleugelen om mij slaat.’ Dat is een originele vertolking van deze psalm, maar het rijmt ook op het evangelie: Jezus zei tegen Jeruzalem: ‘Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels hoedt’ (Matteüs 23:37; Lucas 13:34).

In de kloostertraditie hoort Psalm 61 bij het nachtgebed op de vroege woensdag. Het is dus een psalm om in alle vroegte te zingen, in doorwaakte nachten of als een nachtmerrie je doet opschrikken. Dat zingt de laatste regel. Licht is het nog lang niet, ik moet het donker verduren, maar daar gaat het wel naar toe: ‘door uw lichtglans overstraald’.

De verzamelde liederen van Willem Barnard | Guillaume van der Graft met hun melodieën en uitvoerig commentaar zijn uitgegeven door Gerda van de Haar en ds. Klaas Touwen (eindredactie) als: In wind en vuur. Alle liederen, Skandalon 2023.

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons