10U leidt het water van de bronnen door beken,
tussen de bergen beweegt het zich voort.
11Het drenkt alles wat leeft in het veld,
wilde ezels lessen er hun dorst.
12Daarboven wonen de vogels van de hemel,
uit het dichte groen klinkt hun gezang.
13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,
door uw daden raakt de aarde verzadigd.
14Gras laat U groeien voor het vee
en gewassen die de mens moet verbouwen.
Zo zal hij brood winnen uit de aarde
15en wijn die het mensenhart verheugt,
geurige olie die het gelaat doet stralen,
ja brood dat het mensenhart versterkt.
16De bomen van de HEER zuigen zich vol,
de ceders van de Libanon, door Hemzelf geplant.
17De vogels bouwen daar hun nesten,
in de cipressen huizen ooievaars.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
in de kloven schuilen de klipdassen.
19U hebt de maan gemaakt voor de tijden,
de zon weet wanneer zij moet ondergaan.
20Als U het duister spreidt, valt de nacht,
en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.
21De jonge leeuwen gaan uit op roof,
brullend vragen zij God om voedsel.
22Bij zonsopgang trekken zij zich terug
en leggen zich neer in hun legers.
23De mensen gaan aan het werk
en arbeiden door tot de avond.
24Hoe talrijk zijn uw werken, HEER.
Alles hebt U met wijsheid gemaakt,
vol van uw schepselen is de aarde.