Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Voor wie en voor wie niet? – Noach als hulp bij het lezen van de ‘oergeschiedenis’ in Genesis 1-11

Wie de Bijbel op de eerste bladzijde openslaat en gaat lezen, komt terecht in verhalen die ver afstaan van de alledaagse menselijke werkelijkheid. In het grootste deel van het eerste scheppingsverhaal is de mens zelfs afwezig, en waar die wel verschijnt en een naam krijgt, is die naam generiek: Adam, Mens, of Eva, Levengevende (3:20).

Waar mensen gaan handelen (3:1-6; 4:1-15) besef je onmiddellijk dat je met een uitzonderlijk verhaal te maken hebt, eenmalig en voorbeeldig: zie de mythische elementen, zoals de onvoorstelbare leeftijden in de geslachtslijst in 5:1-28 en de ‘godenzonen’ in 6:1-4. In 11:1-9 nog vormen de mensen een eenheid, maar na een mislukte poging tot kolonisatie van de hemel wordt de mensheid verstrooid.

Dan pas gaan we van de vele families, geslachten, stammen en volken die al in Genesis 10 gepresenteerd waren, er één volgen, namelijk het nageslacht van Terach, de vader van Abraham. Volgens veel Bijbelwetenschappers is er dan sprake van een breuk: de aartsvaderverhalen hebben een andere achtergrond en een ander karakter dan de verhalen van de oer- of voorgeschiedenis.

Nu kun je denken: wat moet ik met die historisch-kritische analyse, wat boeit mij de herkomst van die teksten? Ik lees ze zoals ze me voorgelegd worden in de canon. Dat kan, maar ook een kinderbijbel als Woord voor Woord behandelde ze wél anders: die begon met Abraham, en voegde de verhalen van schepping, paradijs, vloed en torenbouw in op de plek waar ze waarschijnlijk historisch ingevoegd zijn, in de Babylonische ballingschap. Dáár ontmoetten de Judese ballingen namelijk een cultuur met verhalen over het ontstaan van de wereld en de eigen herkomst, en zij moeten daar hun eigen versies van ontwikkeld hebben.

Indeling – Toledoth

Genesis blijkt makkelijk in te delen in vier grote verhaalcycli, waarbij het Hebreeuwse woord toledoth leidend is, vertaald met ‘verwekkingen’, ‘generaties’, of zelfs ‘geschiedenis’ (NBV21). In Genesis wordt met de zin ‘Dit zijn de verwekkingen van …’ telkens het begin van een nieuw gedeelte aan­geduid, waarbij de verhalen steeds genoemd worden naar de vader van de hoofdpersoon.

                11:27    toledoth Terach – de Abrahamsverhalen (Gen. 12-25)

                25:19    teledoth Jitzchaq – de Jakobsverhalen (Gen. 26-36)

                37:2      toledoth Ja’aqov – de Jozefverhalen (Gen. 37-50)

En de ‘oergeschiedenis’? Ook in Genesis 2:4 vinden we de uitdrukking:

Dit zijn de verwekkingen van de hemel en de aarde, bij hun geschapen-worden.

Is dit een terugblik op het eerste scheppingsverhaal? Dat zou dan de enige keer zijn dat ‘Dit zijn de verwekkingen’ terúgblikt. Het is beter te lezen als een opschrift bij wat volgt, al gaat dat in tegen de splitsing van de ‘bronnen’ van Genesis. Hoe dan ook is duidelijk dat het woord gebruikt wordt om die eerste geschiedenis te verbinden met de latere van de aartsvaders en -moeders.

Twee blikrichtingen

Nu kun je van twee kanten tegen de samenhang van het boek Genesis aankijken, en dat maakt nogal wat uit voor de uitleg. Wil je het bijzondere van de God van Israël en zijn relatie met zijn volk benadrukken, dan lees je Genesis vanuit de geschiedenis van de aartsvaders en aartsmoeders. Wil je vooral het universele van de Bijbelse boodschap belichten, dan leg je het volle accent op de inleidende hoofdstukken die over alle mensen en alle volken gaan. Twee klassieke Duitse Bijbelgeleerden staan voor die twee verschillende benaderingen.

Gerhard von Rad (1901-1970) ziet in de specifieke geschiedenis van JHWH, de HEER, de God van Israël, met zijn volk de kern van de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament. Je zou bijna kunnen stellen dat die voorgeschiedenis er louter is ter wille van Israël, en ook al een sterk Israëlitisch karakter heeft. Voor Claus Westermann (1909-2000) is juist de universele geschiedenis van Genesis 1-11 maatgevend en zeker niet ondergeschikt aan de ‘exclusieve’ gedeelten over God en het volk dat Hij zich verkiest.

In de ontwikkelingen daarna heeft de richting van Westermann duidelijk meer navolging gevonden dan die van Von Rad. Wat te doen: benadruk je het universele, met het risico dat je het specifieke karakter van de God en zelfs de godsdienst van Israël opgeeft, óf onderstreep je die bijzondere band van JHWH met Israël, riskerend verstrikt te raken in vragen rondom geloof en etniciteit, en particula­riteit van de Bijbelse beloften voor joden en/of christenen?

Want de grote vraag is natuurlijk: wie is de ware erfgenaam? Is dat Ismaël of Isaak, Esau of Jakob? Die vragen komen sterker op ons af in een tijd die zich veel meer bewust aan het worden is van wie binnen- en wie buitengesloten wordt, wie het exclusieve recht heeft om zich met deze God verbonden te weten.

Noach als (be)middelaar

Het grootste verhaalcomplex van die ‘voorgeschiedenis’ is dat van Noach en de grote vloed. Het bevindt zich precies in het midden tussen de schepping en het begin van de aarts­vader­verhalen: tien generaties van Adam tot Noach (5:1-23), tien van Noach tot Terach (11:10-26). Beide series van tien vaders-en-zonen worden afgesloten met een vader met drie zonen: Noach verwekt Sem, Cham en Jafet; Terach verwekt Abram, Nachor en Haran.

Het vloedverhaal vervult een brugfunctie. Noach lijkt enerzijds een pater familias, bijna een aartsvader, met bij name genoemde zonen en een vrouw en schoondochters die weliswaar geen naam krijgen maar in elk geval gezien worden. Tegelijk heeft het verhaal veel overeen­komsten met het scheppingsverhaal. In 9:1 worden de zegen en de opdracht ‘wees vruchtbaar en talrijk’ uit 1:28 herhaald, en in 9:2-3 volgen instructies voor het voedsel, net als in 1:29-30, maar aangepast: anders dan bij de schepping wordt vleesconsumptie een optie. Genesis 9:5-6 bespreekt ook de onmogelijke mogelijkheid, dat een mens een ander mens zou doden, onvoorstelbaar in Genesis 1 en 2. De geschiedenis van Genesis 4 – de eerste mens die sterft is een slachtoffer van moord, broeder­moord – wordt hier verdisconteerd. Begrijpelijk dat het ‘En God zag dat het goed was (…) zeer goed!’ van Genesis 1 en 2 niet wordt herhaald.

Er verschijnt ook iets nieuws: de term berit, ‘verbond’. Na de vloed sluit JHWH als Heer een verbond met Noach en diens familie en met heel de aarde (9:8-17). Veel exegeten relativeren het woord berit hier, want dat zou beter passen bij de persoonlijke berits met de aartsvaders en later met Mozes en David. Maar de auteur gebruikt het volgens mij hier bewust.

Middelaarsfunctie

Noach wordt in het middelpunt geplaatst: hij verbindt zo voorgeschiedenis en aartsvaderverhalen, en leert ons iets over het begrip ‘uitverkoren’. Wat met Noach gebeurt, is de werkwijze van de God van Israël: één rechtvaardige (6:8-9) wordt geroepen, uitgekozen, ten behoeve van allen; één wordt gezegend opdat in hem allen, heel de mensenwereld in zijn diversiteit en heel de dierenwereld ‘naar hun aard’ (6:20 NBG 1951), gezegend zullen zijn. Genesis 12:2-3, waar dat gethematiseerd wordt bij de zegen voor Abraham, wordt al gedemonstreerd door Noach, waarmee hij zelfs messiaanse trekken krijgt.

Er zijn meer verbindingen te maken tussen de voorgeschiedenis in Genesis 1-11 en het vervolg van de Thora. Het biezen mandje (teva) waarin Mozes, en via hem zijn volk, door het water heen gered wordt (Ex. 2:3), heeft zijn tegenhanger in de ‘ark’ (Gen. 6:14; ook teva!) waarin Noach, zijn familie en de hele schepping door het water heen gered worden. Mozes is natuurlijk in de Thora een veel grotere persoonlijkheid, maar ook van Noach wordt telkens weer gezegd dat met hem mens en dier van de ondergang gered worden (6:19; 7:9; enz.).

Conclusie

Voor wie zijn deze verhalen nu, voor wie geldt het verhaal van deze God? Dat is een belangrijke vraag voor lezers toen en nu, en zeg niet te snel ‘natuurlijk voor iedereen’, want een God als allemansvriend, wat heeft die te zeggen?

Maar zou je de verhalen van Genesis 1-11 kunnen lezen als leesinstructie voor de Thora als geheel? Daarmee zou je, zonder te vervallen in een slap compromis van ‘enerzijds-anderzijds’, het beste van twee werelden hebben, de particularistische en de universele lezing: ja, de Thora draait om deze geheel andere God, en om dat volk, dat slavenvolk uiteindelijk, dat Hij zich verkiest. Maar besef van tevoren al hoe je dat moet lezen: een voor allen, de rechtvaardige wordt niet om zichzelf gekozen maar ten behoeve van de goede toekomst van alles en allen.

Genesis 1-11 daagt ons dus uit om na te denken over de relatie tussen het universele en het bijzondere, tussen mensheid en volk, tussen schepping en geschiedenis. Noach staat als bemiddelaar in het midden, en zijn verhaal leert ons dat verkiezing en zegen niet exclusief zijn, maar gericht op het welzijn van allen. Zo krijgt de Thora een open begin, dat uitnodigt tot dialoog en verbondenheid.

Prof. dr. J. Dubbink is emeritus hoogleraar Bijbelse theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Bronvermelding

Joep Dubbink, 'Voor wie en voor wie niet? – Noach als hulp bij het lezen van de "oergeschiedenis" in Genesis 1-11' in Met Andere Woorden 45/online (5 januari 2026), debijbel.nl.

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.39.1
Volg ons