Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Egypte als angstland?

Over een benauwende etymologie en een universele vertolking

Robin ten Hoopen

Het Hebreeuwse woord voor Egypte, mitsrajim, betekent ‘benauwdheid’, en het land Egypte functioneert in de Bijbel als angstland, zo las ik afgelopen voorjaar in de NRC. Het was niet de eerste keer dat ik deze duiding tegenkwam, en het zal ook niet de laatste zijn. Maar klopt het ook?

Samenvatting
De veelvoorkomende weergave van Egypte (mitsrajim) als ‘angstland’ is een interpretatie zonder etymologische en exegetische grond, betoogt Robin ten Hoopen in dit artikel. Allereerst laat hij zien dat de vertaling van mitsrajim met ‘benauwdheid’ gebaseerd is op een etymologie die taalkundig geen stand houdt. In de tweede plaats bespreekt hij de herkomst van deze interpretatie. Niet een concrete Bijbelpassage, maar een woordspel van Willem Barnard met diepe wortels in de joodse interpretatietraditie vormt de achtergrond van de weergave van mitsrajim als ‘angstland’.
hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

Dat deze duiding van dit Hebreeuwse woord invloedrijk is, blijkt wel wanneer men een zoekmachine op het internet raadpleegt. Een batterij aan voorbeelden duikt op, de meesten even stellig: Egypte betekent of staat voor ‘angstland’ in de Hebreeuwse Bijbel. Ook wie een Bijbelse theologie als die van Dick Boer openslaat, komt het tegen: in mitsrajim ‘valt de stam tsarar (benauwd zijn / benauwen) te beluisteren’. In een jaar waarin het boek Exodus centraal stond op het leesrooster van de Raad voor Kerken (2019-2020), heeft deze duiding ongetwijfeld in menige kerk geklonken.

De weergave van mitsrajimals ‘angstland’ is echter een interpretatie zonder etymologische en exegetische grond. Het idee dat mitsrajim ‘benauwdheid’ of ‘angstland’ betekent is zelfs ongegrond. In dit artikel daarom een exegetisch protest en een stuk verdieping. In de eerste plaats laat ik zien dat de vertaling van mitsrajim met ‘benauwdheid’ gebaseerd is op een etymologie die de test van de moderne taalkunde niet kan doorstaan. In de tweede plaats ga ik na waar deze gedachte vandaan komt. Is er een Bijbelpassage die mitsrajim met angst of benauwenis verbindt? Niet echt. In plaats daarvan komen we uit bij een woordassociatie van Willem Barnard die zijn wortels heeft in een rijke joodse interpretatiegeschiedenis. In de derde plaats betoog ik dat de duiding van mitsrajimals angstland een prachtige interpretatieve vondst is, maar geen exegetische grond heeft in het boek Exodus, en dat deze duiding in andere contexten de lezer zelfs bedrogen kan doen uitkomen. Dat leidt tot een pleidooi voor precisie bij de vertaler en de vertolker.

Wat betekent mitsrajim?

Egypte wordt in de Bijbel meestal aangeduid met de naam mitsrajim. Een enkele keer vinden we mātsor (2 Koningen 19:24, Jesaja 19:6, 37:25, Micha 7:12). Deze termen zijn niet uniek aan het Hebreeuws; ze komen ook voor in verwante talen. Zo duidt het Akkadisch dit gebied aan als mitsir, mutsur of mutsru, het Ugaritisch als mtsrm, het Joods Aramees als mitsrjn, en het Hethitisch als mizri. In het Arabisch wordt Egypte of Cairo nog altijd aangeduid als mitsr of matsr. De medeklinkers mem en de resj vinden we dus in alle gevallen. De middelste medeklinker was meestal tsade, maar kon ook sjin/zajin/dhal zijn. In alle gevallen is deze variatie te verklaren vanuit de taalkundige spelregels.

Een term die verwant is aan mitsrajim lijkt te ontbreken in het oud-Egyptisch. Men neemt daarom meestal aan dat een dergelijke benamingdoor Egyptes buurvolken is bedacht. De oudste getuige is het Akkadisch. De achtergrond en etymologie voor het Akkadische mutsur (Egypte) is wel gevonden in het Akkadische woord mitsru dat ‘grens, land, territorium, regiobetekent. Deze etymologie is ook te vinden in woordenboeken voor het Bijbels Hebreeuws, terwijl andere woordenboeken benadrukken dat de etymologie onbekend of onzeker is. Eigen aan het Hebreeuwse mitsrajim ten opzichte van het Akkadisch is de uitgang ajim (Aramees ajin). Deze wordt wel gezien als een dualis (een meervoudsvorm voor zaken die in paren voorkomen) of als restant van een oude locatiefuitgang die dan ook al in het Ugaritisch voorkwam. Degenen die opteren voor het eerste en uitgaan van de connectie met het Akkadische mutsur hebben voorgesteld mitsrajim te interpreteren als ‘de beide landen, een verwijzing naar Boven- en Beneden-Egypte. De driemaal voorkomende Hebreeuwse vorm mātsor zou dan gezien kunnen worden als een vorm die directer teruggaat op het Akkadisch, maar die verdrongen is door de vorm met dualisuitgang. Beide verklaringen blijven echter onzeker.

Relevant voor onze studie is dat er geen modern woordenboek is dat mitsrajim terugvoert op de wortel tsarar (‘vastbinden, benauwen’) noch de term vertaalt met ‘angstland’. Er is daarmee geen enkele etymologische grond om mitsrajim met ‘benauwenis’ of ‘angstland’ te vertalen. De keuze van de Naardense Bijbel om in Jesaja 23:5 en 27:13 in de vertaling te spreken van ‘angstland Egypte’, gaat dus niet terug op etymologie. Dat geldt ook voor de vertaling die de Naardense Bijbel geeft van de term tsāra‘at in Leviticus 13-14: ‘de Egyptische ziekte’.

Samenvattend: het Hebreeuwse woord voor Egypte is meestal mitsrajim. De Bijbelschrijvers hebben dit woord overgenomen uit de omringende culturen. Hiervoor pleit ook de driemaal voorkomende Hebreeuwse term mātsor,die nog nadrukkelijker dan mitsrajim verwantschap vertoont met het Akkadisch. Misschien gaan deze termen terug op een woord voor ‘grens’ of ‘land’, maar dat blijft onzeker. Hoe dan ook is het onwaarschijnlijk dat deze etymologie bekend was bij de gemiddelde inwoner van Jeruzalem, Ugarit of Hatti. Op al deze plaatsen zal men mitsrajim (of equivalenten) primair gezien hebben als aanduiding van een regio, land of staat. Wel is het mogelijk dat de Israëlieten een eigen, Hebreeuwse, etymologie voor mitsrajim hadden, teruggaand op een woordspel of klankovereenkomst. Een dergelijke etymologie wordt vaak aangeduid met de (problematische) term ‘volksetymologie’. Zo’n etymologie is vanuit modern oogpunt zelden technisch correct, maar was naar de maatstaven van die tijd accuraat en kan tevens wijdverbreid zijn geweest. Is er grond voor zo’n etymologie in de Schriften? Naar deze optie kijken we in de volgende paragrafen.

(Volks)-etymologie en betekenis van plaatsnamen en landen

Plaats- en persoonsnamen zijn in de Bijbel vaak niet zomaar namen, maar bevatten een boodschap die past binnen en bijdraagt aan het verhaal. Deze namen worden daarbij regelmatig van een etymologie voorzien. Te denken valt aan Babel (Genesis 11:9), Betel (Genesis 28:17-19) en Mozes (Exodus 2:10). Soms vinden we zo’n etymologie niet terug in de tekst, maar dragen Bijbelse figuren wel een naam die de goede verstaander een extra dimensie geeft. Denk aan Abel (‘zuchtje’). In het eerste geval gaat het om expliciete (volks)etymologieën. In het tweede geval om namen die uitdrukken waar het in een verhaal om gaat. Hier is een etymologie verondersteld. In alle gevallen biedt zo’n etymologie nooit de universele of enige betekenis van een woord. Zij functioneert altijd contextueel. Niet alle Abels zijn zuchtjes. Als Abel een stoere kerel is die 150 jaar wordt, is de etymologie zuchtje onbeduidend. Bovendien is er vaak een expliciet taalspel nodig om een etymologie of associatie op te roepen. De gemiddelde Israëliet zal bij Babel niet gedacht hebben aan de poort van de goden (Akkadisch bab ilim), maar gewoon aan Babel.

Opvallend genoeg komt een expliciete etymologie van mitsrajim (zoals bij Babel) nergens in de Bijbel voor. Bovendien is er ook geen concrete context waarin een etymologische betekenis verondersteld kan worden (zoals bij Abel). We kunnen daarom concluderen dat er geen expliciete grond is om mitsrajim op basis van een etymologie te vertalen. Zoals geen enkele Bijbelvertaling Assur vertaalt met behulp van een mogelijke etymologie, is ook een vertaling van mitsrajim zonder expliciete grond. Is die grond er impliciet misschien wel?

Heeft men in mitsrajim ‘angstland’ gehoord?

In de Nederlandse traditie is de duiding van Egypte als angstland vooral verbonden aan de zogenaamde Amsterdamse School en de uitleg van het boek Exodus. Het lijkt met name Willem Barnard te zijn die belangrijke invloed heeft gehad op de bekendheid van deze interpretatie. Zo schrijft hij in zijn Winter met Leviticus:

Ja, het bestaat nog, dat ‘Egypte’ van de Bijbelverhalen, maar dan als wat het ook in die Bijbelverhalen reeds is: als Faraonië, als dwingelandstaat, als het Hebreeuwse ‘Mitsrajim’, waar het profetenoor het woord tsarar in hoorde verluiden: een land, een staat, een machtsgebied, waarin de haves de talloze have-nots vertrapten. (…) Ook voor mij geldt dat ik in ‘Egypte’, d.w.z. in een ‘angstland’ leef, in een dwangmaatschappij, niet onder de voet gelopen (nog), getolereerd en tot op zekere hoogte gewaardeerd zelfs, wie weet te vergelijken met de opzieners en profiteurs uit dat oer-faraonië, maar in de schaduw van de piramiden.

In deze prachtige frasen stelt Barnard een intertekstuele associatie voor die velen heeft geïnspireerd. Barnard ontleent deze aan de rabbijnen, maar plaatst deze vervolgens in de Schrift. Het profetenoor heeft in mitsrajim de benauwenis gehoord. Zijn er teksten in de Hebreeuwse Bijbel die Barnards these kunnen bevestigen?

In de eerste plaats bevatten de hierboven genoemde passages waarin de Naardense Bijbel mitsrajim met ‘angstland Egypte’ vertaalt, deze associaties niet. In Jesaja 23:5 vinden we wel de combinatie van mitsrajim en tsor, maar dat laatste staat voor Tyrus. In Jesaja 27:13 is er geen enkele reden om ‘angstland Egypte’ te vertalen, temeer niet omdat in het parallellisme erets assur als ‘land van Assoer’ wordt weergegeven. Verder duiden passages die Egypte een benaming geven, haar aan als slavenhuis (bet avadim, Exodus 20:2) of als Rahab (Jesaja 30:7, vgl. Jesaja 51:9), en haar koning als een tannin, een zeemonster of krokodil (Ezechiël 29:3, 32:2). Egypte wordt dus wel beeldend omschreven, maar nooit aangeduid als angstland.

Ten tweede zou men die associatie dan vooral verwachten in het boek Exodus. De vormen van tsarar en van het nomen tsar (‘vijand’) zijn daar echter op één hand te tellen. Nooit komt tsarar voor in de betekenis van ‘benauwen’ of in verbinding met Egypte of de Egyptenaren. Exodus spreekt over Egypte als het slavenhuis (bet avadim, Exodus 20:2), nooit als angstland.

In de derde plaats zijn er enkele passages die voor de moderne lezer misschien een associatie tussen mitsrajim en afgeleiden van het werkwoord tsarar kunnen oproepen. Deze passages leggen echter nooit zelf een direct verband tussen mitsrajim en ‘angstland’. Zo vinden we in Klaagliederen 1:3 de term mtsarim (‘benauwing’) geschreven in een vorm die qua medeklinkers er exact hetzelfde uitziet als mitsrajim (הַמְּצָרִֽים). Die benauwing geldt in Klaagliederen echter Juda en wordt veroorzaakt door de Babyloniërs, niet door Egypte. De term metsar komt nog één keer voor in het enkelvoud in Psalm 118:5. Ook dit vers heeft geen connectie naar Egypte.

Er zijn wel verzen die Egypte als tsar (‘vijand’) aanduiden. Zo identificeert Psalm 78:42-43 Egypte als vijand, maar diezelfde term wordt ook op andere vijanden toegepast (Psalm 78:61, 66). Wanneer tsar gecombineerd wordt met het prefix min ontstaat er een combinatie die lijkt op het woord mitsrajim. Zo wordt in Psalm 44:8 en 136:24 God beschreven als degene die de Israëlieten heeft bevrijd (jasja in Psalm 44:8 en paraq in Psalm 136:24) van onze vijanden: mitsārenu. In Psalm 136 worden daarbij ook Egypte en de Exodus genoemd (vers 10-15). Men kan zich voorstellen dat Israëlieten de gelijkenis tussen mitsrajim en mitsārenu hebben gezien of gehoord. In dat geval gaat het dan echter om vijandschap en niet om benauwdheid. Bovendien is in de psalm zelf deze verbinding impliciet. De landen om Israël heen zijn allen vijanden.

Tot slot zijn er twee passages waarin we de term tsarah (‘benauwdheid’) vinden in relatie tot Egypte. Jesaja 30:6 spreekt over een erets tsarah, ‘land van angst/benauwdheid’, in een context waarin Egypte prominent aanwezig is. Hier is echter niet Egypte het angstland, maar de Negev. De profeet bespot de Israëlieten die door een erets tsarah trekken in de hoop steun te vinden bij de Egyptenaren. Egypte wordt zelf aangeduid als Rahab. Zacharia 10:11 spreekt over de jam tsarah, ‘zee van benauwdheid’. Deze passage beschrijft de terugkeer van de Israëlieten uit Egypte en Assyrië, waarvoor zij door ‘een zee van benauwdheid’ moeten trekken. Deze zee kan gelokaliseerd worden in Egypte, maar kan ook als metaforische verwijzing naar het benauwde leven van de ballingen in Egypte en Assyrië worden geïnterpreteerd. Bovendien spelen Egypte en Assyrië in deze passage dezelfde rol en is het dus niet specifiek Egypte dat als ‘angstland’ wordt weergegeven.

Concluderend: de Bijbel biedt geen etymologie die mitsrajim verbindt met vormen van tsarar of afgeleiden daarvan. Er is ook geen enkele passage waarin Egypte associatief als angstland geïdentificeerd kan worden of waar de onderdrukkende macht van Egypte gecombineerd wordt met een van de genoemde termen. Er is daarmee geen enkel bewijs te vinden voor Barnards stelling dat het profetenoor in het woord mitsrajim de term tsarar heeft gehoord.

Dat betekent natuurlijk niet dat een Israëliet uit Bijbelse tijden het woord mitsrajim nooit verbonden kan hebben met vormen van tsarar. Het is best mogelijk dat een Israëliet bij mitsrajim weleens gedacht kan hebben aan benauwdheid (tsarah) of vijandschap (tsar). Er zijn ook passages die zo’n woordassociatie bewust of onbewust (kunnen) oproepen. Psalm 136:24 en Zacharia 10:11 bevatten de meest overtuigende voorbeelden hiervan. Het gaat hier echter om voorbeelden van intertekstualiteit. Een dergelijke intertekstuele claim kan ook gemaakt worden voor de term mtsurah (‘burcht, versterking, belegeringswerk’ o.a. 2 Kronieken 11:10-11; 14:5) of tsur (‘rots’) die we onder andere vinden in een passage als Deuteronomium 8:14-15 waar de Exodus centraal staat. Van het idee dat mitsrajim ‘burcht’ of ‘rots’ betekent, heb ik echter nog nooit gehoord. Dit laat zien hoe dun het ijs is onder het idee van Egypte als angstland.

Staat mitsrajim voor ‘angstland’?

Tot slot gaan we in op het idee dat Egypte in de Hebreeuwse Bijbel of in elk geval in het boek Exodus een angstland symboliseert. Aanhangers van deze overtuiging veronderstellen dat mitsrajim niet primair een locatie aanduidt, maar een symbolische macht. Zijn er exegetische aspecten die hierop wijzen? Mijns inziens niet.

In de eerste plaats wordt Egypte in de Hebreeuwse Bijbel niet op één wijze geschetst. Een consequente universele Bijbelse theologie van Egypte als angstland is daarmee onhoudbaar. Zeker, Egypte is in Exodus een onderdrukkende macht en veel meer dan een geografische of culturele aanduiding. In Genesis 12:10-20, een preambule op de Exodus, is Egypte echter vooral een tijdelijk onderkomen waar voedsel is en waar Abraham zich niet definitief moet vestigen (vgl. Genesis 26:2). In de Jozefcyclus (Genesis 37-50) is Egypte de graanschuur waar je gered wordt van de dood (vgl. ook Jezus’ vlucht naar Egypte in Matteüs 2). En in Jesaja 19:18-25 wordt Egypte zelfs geschetst als JHWH’s volk en het land Egypte als de plaats waar JHWH door de Egyptenaren aanbeden zal worden. Ook in passages waar Egypte kritisch wordt bekeken (vgl. Jesaja 36, Ezechiël 29-32) is zij nog lang geen angstland. Zo is Egypte in veel profetische literatuur vooral de bondgenoot die geen bondgenoot moet zijn (Jesaja 36:6). Oog hebben voor deze diversiteit voorkomt dat één visie allesbepalend wordt voor de exegese. Wie één traditie boven de andere stelt maakt van het Egypte van Genesis 12:10-20 namelijk zomaar ‘de hel’ van de ‘Angstlanders’. In dat geval moet de hoorder wel heel veel moeite doen om er ook nog de graanschuur in te zien en juist de omkering van het Exodusmotief erin aan te treffen!

Ten tweede biedt het boek Exodus etymologisch en taalkundig geen enkel aanknopingspunt voor het idee dat Egypte als angstland functioneert. Vanzelfsprekend zijn de farao en zijn Egypte in het boek Exodus de onderdrukker, maar dat maakt Egypte nog niet tot angstland. Egypte is het slavenhuis, de plek waaruit het volk moet worden bevrijd. Er is talig meer reden om het Babylonië van Klaagliederen of de Negev van Jesaja als angstland te benoemen dan het Egypte uit Exodus.

Ten derde pretendeert de visie dat Egypte symbool staat voor angstland dat er een werkelijkheid of een idee achter de tekst bestaat of in de tekst verborgen zit, waarin een universele betekenis is te vinden. Zo spreekt Barnard over ‘de achtergrondbetekenis’. Natuurlijk kan Egypte voor een leesgemeenschap of prediker iets representeren. Dat gebeurt nadrukkelijk in de moderne joodse traditie waarin men mitsrajim interpreteert als ‘nauwe plaats’ en de uittocht uit Egypte verbindt met onze eigen persoonlijke uittochten uit nauwe plaatsen. Een verwante interpretatie is trouwens al te vinden bij Philo van Alexandrië. Philo verbindt mitsrajim met mtsarim (‘benauwenis’) en interpreteert Egypte als het lichaam met al zijn passies, angsten en emoties en de Exodus als de bevrijding uit deze benauwende lichamelijke aspecten.

Wie echter stelt dat mitsrajim (primair) voor angstland staat, creëert een universeel beeld dat losstaat van de context van een specifieke tekst en losstaat van de rol van de interpreet. Dat doet trouwens niets af aan het idee dat in de Bijbelse verhalen geografie ook vaak theologie is en dat Egypte vaak meer is dan een geografische term. Het gevaar is echter dat men de context niet serieus neemt en een uit Exodus geconstrueerde visie (teruggaand op een onjuiste en een door de Bijbel níet gemaakte etymologie) tot universele visie verheft. Het kan dan de taak van de exegeet zijn om te protesteren. Niet om de vertolking ongedaan te maken, die is actueel en waardevol, ook niet om de dichter ongelijk te geven, die schept iets nieuws, maar wel om vertalen en vertolken te scheiden en de lezer en hoorder dat onderscheid te laten zien.

Kortom: Egypte betekent niet ‘angstland’, staat niet primair voor angstland, en functioneert niet als universeel angstland. De interpretatie van mitsrajim als angstland gaat terug op een intertekstueel woordspel en een symbolische lezing van de geografische aanduiding Egypte. In de Nederlandse context is zij schatplichtig aan Willem Barnard die haar vond in de joodse traditie.

Robin B. ten Hoopen MA is promovendus (AIO) aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij werkt aan een dissertatie over concepten van onsterfelijkheid in Genesis 2-3 en het Oude Nabije Oosten.

Bronvermelding

Robin ten Hoopen, ‘Egypte als angstland? Over een benauwende etymologie en een universele vertolking’ in: Met Andere Woorden 39/2 (oktober 2020), 56-67.

Beeld: Piramiden van Egypte, Philips Galle, naar Maarten van Heemskerck, 1572. Rijksstudio.

Geraadpleegde literatuur

  • W. Barnard, Stille Omgang. Notities bij de lezing van de Schriften volgens een vroeg-middeleeuwse traditie, Brasschaat 1992.
  • W. Barnard, Een winter met Leviticus, Zoetermeer 2006.
  • Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon (BDB).
  • P.B. Hartog, Pesher and Hypomnema. A Comparison of Two Commentary Traditions from the Hellenistic-Roman Period, STDJ 121, Leiden 2017.
  • Hebraisches und aramaisches Lexikon zum Alten Testament (HALAT).
  • Hebrew and Aramaic Lexicon of the Old Testament (HALOT).
  • Robin ten Hoopen ‘Tweeënveertig “kinderen” en twee berinnen: de brute dood van de “kleine kwajongens” uit 2 Koningen 2: 23-25’ in: Met Andere Woorden 37/2 (mei 2018), 26-37.
  • Edward Lipinski, Semitic Languages. Outline of a Comparative Grammar, Second edition, OLA 80, Leuven 2001.
  • Ad van Nieuwpoort & Joost Röselaers, ‘Paasverhaal toont juist nu visioen van betere wereld’, NRC 9 april 2020.
  • Reallexikon der Assyriologie (RIA).
  • T. Römer, ‘The Role of Egypt in the Formation of the Hebrew Bible’ in: JAEI 18 (2018), 63-70.
  • Theologisches Worterbuch zum Alten Testament (ThWAT).

Vakblad Met andere woorden

Met Andere woorden is hét tijdschrift dat je up-to-date houdt over het vertalen van de Bijbel. Ook biedt Met Andere Woorden inspirerende artikelen op het snijvlak van vertalen en Bijbeluitleg.

Lees meer

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons